jezus

De zoon van God en ik gaan way back – als ik mijn jeugd zou moeten beschrijven, dan was het alsof Hij de hele dag bij mij achterop de bagagedrager zat. Of tegenover me aan tafel. Onder mijn bed. Boven aan de trap. Nou ja, om het even samen te vatten: in mijn jonge jaren was Jezus C. mijn allerbeste imaginary friend. Ik kende hem uit de Bijbel en hij was een zachtaardige jongen die dingen had gedaan die best op het randje waren. Zo hing hij met hoeren en tollenaars (iets wat ik zelf dus nóóit zou durven, maar het zou sowieso ook niet mogen van mijn vader en moeder), hij ramde eens een hele tempel in elkaar (idem) en hij genas met de regelmaat van de klok melaatsen, zodat die weer gewoon in hun eigen comfortzone konden wonen in plaats van op een afschuwelijk eiland met alleen maar etterende mensen. Hij praatte nooit iemand naar de mond, zoals alle andere volwassenen die ik kende. Want het mooiste aan Jezus was wel dat hij altijd net dat antwoord gaf waarvan je dacht: nou daar zou ik dus zelf nóóit op zijn gekomen om het zo aan te pakken maar hij heeft wel een punt!

Alleen al daarom won Jezus het glorieus van zijn Vader, die ik me eerder voorstelde als een soort Kapitein Von Trapp – een toornig heerschap met een opvliegend karakter dat eigenlijk een lachgrage vrouw nodig had om een beetje te ontdooien. En Jezus won het al helemáál van het instituut kerk in het algemeen, waartoe ik elke zondagochtend opnieuw veroordeeld was. Het begon al met het orgelspel bij binnenkomst, dat ervoor zou zorgen dat ik de rest van mijn leven bij de eerste klanken van een orgel in een diepe, snurkende slaap zou geraken. Dan de stilte na het orgelspel, het gereformeerde gekuch er doorheen. En dan het állerergste: de preek die zeker vier dagen duurde en alleen werd opgeluisterd door de dolbysurroundeske geluidservaring van rollen King pepermunt die voor je, achter je en naast je werden opengescheurd. De verveling was met geen pen te beschrijven, je kreeg serieus zin in het einde der tijden. Ik bedacht vaak wat er zou gebeuren als ik nu keihard zou gaan gillen. Soms deed ik mijn mond al open. Ik hoefde alleen nog maar het geluid aan te zetten. Maar dan keek ik naar mijn vader en daarna keek ik naar mijn moeder en dan leek het me toch meer iets voor volgende week zondag.

Wat ik maar wil zeggen: in mijn hele freaking geloofsleven was Jezus het enige lichtpuntje. Ik zou graag willen zeggen dat ik op míjn beurt ook Jezus zijn lichtpuntje was, maar ik ben bang dat dat iets complexer lag. Ik stelde hem bitter vaak teleur, vaak zag ik hem in mijn verbeelding het hoofd schudden, met zo’n gekruisigde blik van nee Jacq, dít was dus duidelijk niet hoe ik het eigenlijk bedoeld had. For the record: ik probeerde het echt. Ik was een ernstig kind en vervuld van een intens verlangen tot het doen van het goede. Alleen kwam er altijd van alles tussen. Ik was bijvoorbeeld wakker geworden en had direct mijn broertje geslagen. Ik was opstandig geweest tegen mijn moeder. Ik was opstandig geweest tegen mijn vader. Ik had niet zo lankmoedig een  peuter van de schommel geduwd, mijn tong uitgestoken naar een kind van de openbare school (twijfelgeval) en de pest gehad aan vrijwel alle mensen en dieren die ik kende. En ik had mijn broertje nog maar een keer geslagen. En dat was dan alleen nog maar de ochtend.

Zolang het nog licht was, zondigde ik er lustig op los. Maar ’s avonds in bed begon het prakkizeren. Als ik het zo allemaal bij elkaar optelde, was het wel duidelijk hoe het met mij zou aflopen: ik kwam in de hel. Ik kon me maar nauwelijks een voorstelling maken van hoe afschuwelijk het zou zijn om daar te moeten wonen. Waarschijnlijk zou je ergens aan vast worden gespijkerd  en dan werd er een lucifer onder je afgestreken. Je kon nergens naartoe. Je zat heel ongemakkelijk. En los daarvan: het zou heel warm worden. Ik zou er totaal niet passen, links en rechts van me in de hel zouden voornamelijk vloekende en tierende moordenaars en kinderlokkers kronkelen en dat is gewoon geen omgeving voor een meisje. Ik zou me er net zo eenzaam voelen als die keer dat ik op de camping was verdwaald en zeker had geweten dat ik mijn vader en moeder nooit meer zou terugzien. Daar kwam nog bij dat mijn hele familie naar de hemel ging. En hoewel ik me soms druk maakte over de look & feel van het paradijs – in mijn fantasie was de hemel een eindeloze picknick met muziek en dans, maar als ik mijn familie zo bij elkaar zag kon ik me eigenlijk niet voorstellen dat ze dat leuk zouden vinden – ik kon het niet maken om weg te blijven. Of het nou gezellig zou worden of niet.

Er was maar één  uitweg: de bekering. Zeker een paar keer per week klom ik onder mijn dekbed vandaan en zonk op de blote knieën naast het bed – vrijwel alle dingen zijn beter in Kleine Huis op de Prairie-style. Bovendien wist je nooit of God daar extra punten voor gaf. Ik vouwde mijn handen, ik gaf een samenvatting van mijn zonden, ik vroeg om vergeving, ik wachtte op een stem uit de hemel, de stem was… niet bijzonder goed hoorbaar, maar toch. Duizelig van bekeerdheid rende ik naar de overloop, daalde van de trap af en deelde het nieuws mee aan mijn vader en moeder. Reageerden die in eerste instantie nog verrast op mijn aankondigingen een Geheel Nieuw Leven te beginnen, naarmate mijn bekeringen talrijker werden, werd de respons lauwer. Van lieverlee bleef het bij reacties in de trant van “Ja welterusten en doe het traplicht even uit” en als ik daarmee geen genoegen nam:  “GA!! SLAPEN!!!”. Als born again christenkind zijn dat niet exact de reacties waarop je hoopt. Maar goed, je bent net bekeerd, je hart is vol van liefde voor je medemens dus je kunt feitelijk geen kant op met je woede. Gelukkig had ik Jezus aan mijn zijde. Minimaal tot halverwege de volgende ochtend – als het tenminste een beetje mee zat met mijn karakter.

Later groeiden Jezus en ik wat uit elkaar. Ik fietste kilometers verder naar een bibliotheek waar je onopgemerkt de volwassenenafdeling op kon. Hij kreeg een musical. Ik ging heidense dingen doen, hij trok dat verdrietige hoofd voor de honderdmiljardste keer. Dus ik nam hem nog steeds wel overal mee naartoe maar ik liet hem meestal buiten wachten. En een paar jaar later hadden nog wel een soort van lijntje, maar het leek op het type contact dat je aanhoudt omdat je elkaar al je hele leven hebt gekend. Op het laatst zeiden we allebei alleen nog maar dat het wel goed ging. Gewoon om er vanaf te zijn.

Ik vloek nog steeds op de besmuikte manier van een gereformeerde – en ik kijk dan altijd even over mijn schouder of Jezus er niet toevallig aan komt. Ik zie hem eigenlijk nooit meer opduiken. Dus ik doe maar wat en niemand zegt mij meer of het goed of fout is. Maar ik vraag me nog wel eens dingen af, zoals je je wel vaker dingen afvraagt over vrienden die je uit het oog verloren bent. Leeft zijn Vader eigenlijk nog? Doet hij die truc met die vijf broden en twee vissen nog wel eens? Hij is binnenkort jarig, bedenk ik me. Dat zijn dan van die data die je nooit vergeet, net als de verjaardag van je eerste vriendje. Die vergelijking was per ongeluk, maar wat is per ongeluk. In a way ben ik nog steeds een beetje op Jezus. En ik zou graag willen zeggen dat Jezus op zijn beurt ook nog steeds een beetje op mij is – maar ik ben bang dat dat iets complexer ligt.

 

 

En dan nu: 5 LEVENSLESSEN, IN DE GEEST VAN JEZUS C. 

1. Keer je vijand de andere wang toe.  

Direct al moeilijk. Tegenwoordig word je direct naar een therapeut gestuurd als je niet genoeg voor jezelf op komt. En er is inderdaad niets zo heilzaam als iemand direct een ram terugverkopen als je wordt aangevallen. Maar: Jesus says no. Niet terugslaan. Niet direct allerhande vuiligheid uit die scherpe slangentong van je spuwen, Jacq. Veldman! Gewoon een keer het schier ondenkbare doen en níet reageren. Addendum: ik vertrouw erop dat Jezus het toekeren van de andere wang absoluut niet passive-agressive bedoelde, maar ik raad met name vrouwen aan toch een beetje uit te kijken. Trek niet het soort gezicht waarbij je wang in drie seconden alle fasen van de lijdensweg van Christus doorloopt. Wekt eerder agressie op dan dat de ander ervan bij zinnen komt.

2. Loop over water.  

Ik moet zeggen dat ik als kind al dacht: dat heeft zo’n jongen toch niet nodig! Voor mij had het niet gehoeven, ik vond Jezus ook al leuk toen hij nog gewoon Jezus was en gezellig bij zijn vader en moeder op bezoek ging. Maar goed, hij had natuurlijk nog een andere Vader en die zat hem waarschijnlijk nogal op de nek. Doe een wonder Jezus. Doe! NU! Een wonder! Dus daar ging Jezus. Als het een film was geweest, had je gezegd: beetje over the top, die special effects. Waar ik ‘loop over water’ zei, bedoel ik eigenlijk: stap eens uit je (oh god, gaat ze het woord gebruiken!? – ja, in naam van Jezus C.) comfortzone en kijk gewoon wat er gebeurt. Zelf probeer ik wel eens iets te doen wat ik van tevoren onmogelijk had geacht. En dan mislukt het, want het was inderdaad onmogelijk. En dan verdring ik het, want zo ga ik dan zelf met dingen om. Culinair alternatief: verander water in wijn.

 3. Verniel eens een tempel.  

Wat de meeste heidenen niet weten, is dat Jezus ooit een keer een hele tempel in elkaar heeft geramd. Hij was serieus boos. Iets met geld en kapitalisten. Totáál out of character inderdaad, ik zie die plaatjes van een woest rauzende Jezus nog zo voor me in de kinderbijbel en ik kon alleen maar denken: zo zo, dus dat was die jongen van die andere wang?! Lekker dan. En wie moet die troep straks weer opruimen? (Waarschijnlijk een vrouw.) Enfin, wat kunnen wij met deze levensles, in onze tempelloze tijden? Wel, schop eens een heilig huisje omver, want die zijn er nog genoeg. Eigenlijk gaat het om alles waarvan je bij voorbaat denkt: dit zég je gewoon niet. En dan tóch zeggen. Die gekwetste hoofden! Hilarisch! NB je houdt misschien vrij weinig mensen over die nog met je om willen gaan.

4. Ga aan een kruis hangen.  

Zeg nou zelf, is het niet enorm bevrijdend om eens een keer de schuld van een ander op je te nemen!? Haha geen idee, ik heb het nog nooit gedaan namelijk. Hoewel, ik cover occasioneel wel eens een fout van een collega, maar dan in de veronderstelling dat die collega de zaak direct even publiekelijk rechtzet, zodat ik er zelf goed op sta. Dit gebeurt meestal niet, ook niet als je dwingend opzij kijkt. Of diegene met je balpen in de arm prikt. Nog bedankt collega S.! Het is verbijsterend hoe graag mensen een ander de schuld geven. Dit wordt dus een lastige. Doe eventueel iets anders nuttigs met spijkers en een stuk hout.

5. Wees een barmhartige samaritaan

Het doen van goede daden ligt vrij ingewikkeld. Want wanneer is iets een goede daad? Als je er zelf niks mee opschiet. Maar je voelt je tóch direct pedant tevreden over jezelf na het doen van een goede daad. En dan was die goede daad ook niet een écht goede daad. Dus dat ik al mijn kledingmiskopen uit de goedgunstigheid van mijn hart schenk aan arme mensen in de derde wereld – ik zie de Here Jezus alweer bekommerd nee schudden. Over hoe verdorven ons altruïsme feitelijk is, daarover kunnen gereformeerden uren discussiëren. Het gevaar is dat je nooit meer van de bank komt en dat is ook weer niet de bedoeling. Dus: raap gewoon eens iemand op. Koop een daklozenkrant. Rem eens een keer voor een oud vrouwtje. Ik deed het gisteren, en haar dankbare blik gaf mij een inténs geluksgev… oh wacht. Never mind.

 

dit artikel stond op zaterdag 14 december in Volkskrant Magazine