Dood.

Haar moeder is dit weekend doodgegaan, de bureaustoel van de dochter is leeg. Op haar bureau ligt van alles waarmee ze voor het weekend bezig was, in de veronderstelling dat ze hier maandag gewoon weer zou zijn. Zo lijkt ook zij plots uit het leven weggerukt. Zullen we namens ons allen een kaart? Ja, natuurlijk zullen we dat.
Als de kaart is geschreven, geadresseerd en naar de postkamer is gebracht, hangt de dood nog tussen ons in. Wij kennen de moeder niet, maar we kennen wel moeders. Of vaders. Andere dode mensen. Zelf zijn we ook dochters. Het duurt niet heel lang voordat het weer gewoon over ons gaat.
Na anderhalve week keert ze terug. Haar ogen zijn dof, haar haar is dof, haar stem is dof. Ze vertelt, ze snapt dat het moet, ze houdt het even kort, oké?
Nu ze haar eigen zakelijke stem de woorden hoort zeggen en onze meelevende gezichten ziet, dringt tot haar door wie ze is: de collega met de dode moeder. Nog een nieuwe dimensie aan dit leed dat op zich al groot genoeg was. Haar stem trilt. Haar ogen zijn groot als die van een vis, ze durft niet te knipperen.
De rest van de dag letten we erop dat we niet steeds een bekommerde lage stem opzetten. Niemand begint ook meer over zijn eigen dood. Veel van het zwijgen over de dood is niet uit botheid of ongemak maar uit voorkomendheid. De angst om iemand uit een net verworven, broos evenwicht te halen.
‘Hier, een bakkie,’ zeg ik, en ik slik het woord ‘troost’ net in. Al haar spullen liggen nog net zo op haar bureau als die ochtend. Ze veegt ze naar links om ruimte te maken voor de koffie, een paar A4’tjes dwarrelen veel te vrolijk naar de vloer.

Deze column staat, met nog zo’n tachtig andere stukjes, in mijn boek Kantoorleven (scènes tussen 9 en 5). Het ligt in de winkel en je kunt het bestellen bij bol.com. 

#kantoorleven, the slideshow

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Hij ligt in de winkel!

Van de achterflap: “In Kantoorleven beschrijft Jacq. Veldman op tragikomische en zeer herkenbare wijze hoe mensen zich tot elkaar verhouden in de sociale arena die kantoor heet. De stilzwijgende gevechten over het raam dat open of dicht moet, collega’s die geen maat weten te houden in de groepsapp, de jaarlijks terugkerende teleurstelling bij het openen van het kerstpakket en hoe je per ongeluk gemotiveerd kunt raken door een motivational speech van je manager.
In korte scenes belicht Jacq. Veldman het dagelijkse kantoorbestaan op een willekeurig kantoor, waar iedereen er voortdurend het beste van probeert te maken – vaak met rampzalige gevolgen.
Een boek voor iedereen met collega’s.”

WELL, buy this bookie, geef het aan je collega, aan je baas, of hou het gewoon lekker zelf. Veel plezier

stagiaire

Ik kom zo op de stagiaire. Ooit werkte ik op een kantoor zoals het kantoor oorspronkelijk in de bijbel bedoeld was: de mannen zaten in een aparte kamer en kregen mappen aangereikt door de vrouwen, waarna de mannen daarop hun stempel zetten, waarna de vrouwen de map weer meenamen. Het was een overzichtelijke wereld, waarin maar weinig fout kon gaan – hoewel, soms gaf je de verkeerde map aan de verkeerde man en kreeg je een hartstilstand.
Door de vrouwen werd veel gegiecheld, voornamelijk vanwege de meest toeschietelijke der mannen die ongeveer om het uur seksueel getinte opmerkingen kwam maken. Ik vond het walgelijk maar was op een duistere manier ook gevleid, hetgeen me dan weer met walging vervulde. Zo was elke dag een aaneenschakeling van diverse emoties die elkaar op de hielen zaten, soms inhaalden en dan rollend over de vloer gingen.
Nu kom ik bij de stagiaire. Het betrof een wat onbeduidende adolescente die je vrijwel uitsluitend kon herkennen aan haar bril met de zware glazen. Min twaalf. De stagiaire woonde bij haar vader en moeder, in het huis mocht nooit ook maar een stoel worden verschoven, want anders zou ze er ‘s nachts als ze eruit moest om te plassen wellicht over struikelen.
Dit is nu zeker twintig jaar geleden. Nu komt het. Ik denk élke nacht aan de stagiaire. Als ik er uitga om te plassen en op de tast mijn weg vind, zweeft ze voor me. Zodra ik het licht aan knip en op de plee zak, duwt ze haar bril omhoog op haar neusbrug. Elke nacht. Het maakt me woest, ik begrijp niet wat de stagiaire in mijn geheugen doet. Ik heb haar niet eens echt gekend, ze was er maar drie maanden, ze borg de mappen op en dat was dat. En lord knows dat er in mijn leven wel ándere zaken de moeite van het onthouden waard zijn – hoewel ik daar nu zo gauw niet op kan komen.

Deze column stond op 3 juni 2018 in Volkskrant Magazine

lachen

Eén keer moesten we zó hard lachen dat onze kamerdeur vanuit de gang werd dicht gesmeten. Een paar seconden keken we elkaar aan, onze ogen groot van de schrik, daarna klapten we voorover op onze bureaus met een nerveuze proestlach uit de tijd van Joop ter Heul.
Ja, het was een mooi en schaterrijk leven, ik voel nóg hoe we onze borstkassen volzogen om de lucht daarna hortend en stotend naar buiten te persen, de opengesperde monden gericht naar de hemel. Het was als drugs. Het lachen heelde alle aanwezige pijntjes en pijnen, legde een zacht dekentje over alles wat koud en kantorig was. Wenkbrauwen: ontfronst. Het onverklaarbare brok in de keel: weg. Voortdurend waren we achter adem, de hand opgeheven naar de ander, als om te zeggen: stop, alsjeblieft stop. Wat we bedoelden was: stop niet en maak me nog eens aan het lachen en dat deden we en er was geen wolkje aan de lucht of wat klets ik, natúúrlijk waren er wolken aan de lucht. Nimmer kregen wij nog een taak af. Ik hoorde de mails wel binnen plingen maar ik had meer zin om te lachen dan om te mailen. Zij zou een notitie schrijven maar kwam nooit verder dan ‘Inleiding’.
Een stoelendans redde ons van een gewis ontslag. “Goeiemorgen”, zeg ik nu als ik binnenkom. “Ja”, zegt mijn nieuwe collega en dat is het eerste en het laatste dat hij die dag tegen mij zal zeggen. Wel praat hij tegen zijn computer – zoals je tegen je partner praat in de nadagen van de relatie, waarin je bij alles teemt: “Oh ja, en waaróm precies zou ik dat doen??”
Háár zie nog wel eens lopen. Flauw steken we een arm op. Ze oogt al net zo pafferig als ik, de blik naar binnen gekeerd. Het is alsof we zijn ontmanteld, gesloopt, van onze batterij ontdaan.
We verzetten trouwens wél veel meer werk voor de firma.

Deze column stond op zaterdag 5 mei in Volkskrant Magazine

BZV liefdesalfabet

Natuurlijk, het woord Verliefd moet hónderden keren zijn gevallen in de afgelopen acht seizoenen Boer Zoekt Vrouw. Net als Citytrip. Tractor. Mensenmens. Een Stukkie Warmte. Maar los van deze usual suspects durf ik er mijn hand voor in het vuur te steken dat er één term is die het állermeest is gebruikt: Mezelf Zijn. Of, als het over iemand anders ging: Jezelf Zijn.

Klein puntje: het ‘zelf’ is zo ongeveer het wazigste concept dat er bestaat. Soms is het een soort extra personage waarbij je in de buurt moet zien te blijven (“Ja ik ben heel dicht bij mezelf gebleven”) of zien te komen (“Ik kom steeds dichter bij mezelf.). Soms verwijst het naar een situatie van totaal welbevinden: “Ik kon mezelf zijn bij haar.” Maar de boer die zijn logé verweet: “Ik zou willen dat je wat meer jezélf bent”, bedoelde eigenlijk dat ze juist een ánder persoon had moeten zijn. Want zijn logé, die zich verdedigde met dat ze “hard heeft geprobeerd mezelf te zijn, maar ik ben gewoon altijd verlegen in het begin”, wás feitelijk al zichzelf met al haar gebloos – en heeft dus vooral geprobeerd mínder zichzelf te worden.

Moerassig gebiedje kortom, dat jezelf zijn. Toch evalueren alle Boer zoekt Vrouw-deelnemers zichzelf in deze termen bij voortduring helemaal kapot, hiertoe al dan niet aangezet door gevoelsdictator Yvon Jaspers. En, probleemterm of niet, iedereen weet er raad mee. Nog nooit heeft iemand Yvon besmuikt gevraagd wat ze er precies mee bedoelde, met dat jezelf zijn. Of terug geschreeuwd dat hij geen idéé heeft wíe hij zelf is – want dat is óók al zo’n drijfzanddingetje natuurlijk. Nee, je kunt er als deelnemer aan Boer Zoekt Vrouw maar beter iets over te melden hebben – en het maakt dus eigenlijk niet uit wát precies.

De preoccupatie met het diepste zelf in de zoektocht naar een gelukkig leven met een ander maakt direct weer even duidelijk wat het grootste verschil tussen Boer Zoekt Vrouw en de rest van de westerse wereld is: dat er weilanden bij betrokken zijn, met authentiek groen gras en authentiek zwartwit geblokte koeien. Verder verschilt Boer Zoekt Vrouw niet zo gek veel van het liefdesdiscours van de rest van de westerse wereld. Dus ook in seizoen 9 kijken we gewoon weer naar, enfin, onszelf.

 Nóg vier veelgehoorde termen uit Boer Zoekt Vrouw – en wat ze eigenlijk betekenen.

De Klik

Met stip op twee. Populairder dan de vonk, maar dat is logisch: geen enkele boer is gebaat bij affikkende hooizolders. De klik is een donders prozaïsch woord maar heeft vérstrekkende superpowers: het is immers de mogelijke opmaat tot levenslang liefdesgeluk. Het is wel een ráár ding; hij ís er namelijk (“Ja ik heb gewoon een klik”), of hij is er niet (“Ja nee, er is geen klik”) en daar helpt dus geen lieve vader of moeder aan. In die zin vormt hij ook een ideale afwijzingsstrategie: er valt immers niks tegenin te brengen en je kunt iemand moeilijk net zo lang in de zij prikken totdat er wél een klik is. Hoewel er in Boer Zoekt Vrouw minstens één boer is geweest die halsstarrig volhield: “Ik voel wel een klik. Van mijn kant dan.”

De initiële kliks zijn gebaseerd op de gebruikelijke onzinnigheden. Een knipoog, een zoen die verdwaalt in een oor, een net iets te lang oogcontact – alle dingen die in het gewone leven aanleiding kunnen zijn om even een andere treincoupé op te zoeken, zijn in datingsituaties als Boer Zoekt Vrouw de ingrediënten voor een klik van jewelste. Toch leert de geschiedenis van het programma dat de échte klik een best zakelijke optelsom der dingen is. De andere twee logeetjes blijken niet van gekookte aardappels te houden. Zij is al over een jaar klaar met haar studie. Er blijkt een gedeelde passie qua Rummikub. Evenzogoed zal het liefdespaar in kwestie dan toch altijd doen alsof de klik er op magische wijze vanaf het prilste begin al was – we maken allemaal graag een mooi verhaal van ons stotterende leven. Maar vergis je niet: het geluk in BZV gaat vooral over compatibiliteit en bestendigheid. Kun je jaar in, jaar uit samen in de stal staan zonder elkaar fysically, emotionally en spiritually helemaal kapot te maken? Is het antwoord ja, dan heb je dus: een klik.

Rugzakje

Ergens hoop je dat als een boer het over een rugzakje heeft, dat hij het dan over, enfin, een rugzakje heeft. Paar boterhammen met kaas erin, blikje sinas en hatsee, stukje kuieren maar. Maar nee. De rugzak is overdrachtelijk bedoeld. Als je relatietechnisch al wat langer meeloopt, dan “heb je gewoon een rugzakje”, gevuld met krenkingen en kwetsuren die je hebt opgelopen in het leven dat achter je ligt. Of juist geen énkele krenking, als je die boer bent die nog nooit een meisje heeft gehad. En dat is dan weer een krenking op zich.

Het rugzakje heeft duidelijk zijn oorsprong in de therapiewereld en is via het zelfhulpcircuit geruisloos in het dagelijkse (dating)spraakgebruik verzeild geraakt. Het is een belangrijk woord voor geliefden in spé. Het benoemen van je rugzakje wekt vertrouwen in een prille liefdessituatie. Het laat zien dat je beschikt over introspectie en zelfreflectie – dat je naar jezélf kunt kijken dus. En puur het feit dat de rugzakdrager besef heeft van zijn rugzakje zorgt voor geduld en begrip bij de ander. Opdat partner één er niet direct de brui aan geeft als partner twee eens een op onlogische momenten begint te schelden, in huilen uitbarst of relatief onschuldige geitjes knijpt. Komt ja gewoon door z’n rugzakje! Uiteindelijk is het wel de bedoeling dat je ook iets dóet met je rugzakje, want die bagage uit je verleden moet je natuurlijk wel “een plekje geven”. Meestal blijft dat plekje gewoon het rugzakje zelf, maar dat weet de ander aan het begin van de relatie gelukkig nog niet.

Overigens kán het natuurlijk zijn dat de boer het onverhoopt toch over een échte rugzak had. En kom dan nog maar eens weg van die boerderij in een land ver van hier. Tip: Google Maps.

Spontaan

Seksistisch containerbegrip. Spontaniteit is een eigenschap die speciaal is verzonnen voor het vrouwelijk geslacht; er zijn ook wel spontane mánnen maar die zitten keurig opgeborgen in een inrichting. De vrouw die een man zoekt, doet er goed aan zichzelf niet als het nadenkerige type te presenteren en wél als “spontaan”. Komt door de gehéle mannelijke sekse die altijd zeurt om “een vlotte, spontane vrouw met wie je kan lachen”. In Boer Zoekt Vrouw is dat niet anders. Over het algemeen gaat het dan niet om het type vrouw dat spontaan Shakespeare reciteert. Of spontaan een ingewikkelde som uitrekent. We hebben het hier eerder over het vlotte, babbelige type dat soms verschrikt de hand voor de mond slaat (“Wat heb ik er nú weer uitgeflapt!”). Ben jij die vrouw die niet al te diep nadenkt, een impulsieve inslag heeft en klaterend lacht? Dan ontvang ik jou graag op mijn boerderij. Zie de geïrriteerde boer die zijn bedeesde logeetje vroeg om alsjeblieft wat meer ‘zichzelf’ te zijn. Vertaling: wees in vredesnaam spontáán of ik gooi jou als eerste van de farm.

We moeten de spontane vrouw in Boer Zoekt Vrouw waarschijnlijk niet zoeken in het type ‘hele gekke meid’ die om half vier ’s nachts een kussengevecht initieert. Dit aangezien de boer er zelf al om vier uur weer uit moet en nachtrust is gewoon niet iets om grappen over te maken. Alle koeien voor de gein loslaten in het verkeerde weiland: wel spontaan, niet echt grappig Marieke. Maar wat dán? En waarom is de boer niet gecharmeerd van schitterende kwaliteiten als bescheidenheid, kalmte en een afwachtende houding? Oh wacht, die heeft-ie natuurlijk zélf al! Ja, nee, dan kan het inderdaad geen kwaad een instrumentele klik te zoeken met een ‘mensenmens’ met communicatieve skills. Want dan zou die eerste zoen nog wel eens binnen een half jaar kunnen vallen.

Passie

Waar je vroeger nog wel eens een bepaalde hobby had, bijvoorbeeld breien, kun je daar tegenwoordig niet meer mee aankomen. Wel met het breien, niet met het woord hobby. Ook in Boer Zoekt Vrouw constateren we een grote passie-inflatie. De passie van de boer ligt bij het boerenbedrijf. De varkens. Boerenkool verbouwen. De passie van zijn mogelijke eega zit hem in het gezellig maken van (nu nog) haar knusse huisje in de stad, het volkladden van kleurboeken voor volwassenen of, nou ja, breien dus.

In Boer Zoekt Vrouw wordt de passie te pas en te onpas de groene ruimte in geslingerd – maar verrassend genoeg gaat het dan dus nooit om het hoofdonderwerp van het programma. Nimmer wordt in Boer Zoekt Vrouw de term passie gebruikt in de ouderwetse zin van het woord: hartstocht of grote liefde. Gevoelens, ja voortdurend. Verliefdheid, alla. “Heb je kriebels?” “Ja ik denk het wel.” Maar het romantische liefdesideaal moet het blijkbaar niet hebben van ál te grote en meeslepende verlangens. En van passionele nachten al helemaal niet – het woord seks is denk ik nog nóóit gevallen in Boer Zoekt Vrouw.

Nee, het ultieme liefdesgeluk bestaat eruit dat je “elkaars maatje bent”. En dus dat er sprake is van een “gevoel van thuiskomen”. Geen termen die een zinderende hartstocht veronderstellen. Eerder een “gewoon, gezellig” soort voorspelbaarheid – zo nu en dan onderbroken door bijvoorbeeld een citytrip die niet lang en wel kort duurt. Maar dat is op zich natuurlijk meer dan genoeg. Zeker als je daarmee eindelijk wordt wie je eigenlijk altijd al had willen zijn: gewoon, jezélf dus. Maar dan samen.

Dit artikel stond op 27 augustus 2016 in Volkskrant Magazine

kantoorknaapjes

Het was in die dagen dat er een mail uitging van de hoogste bazen van kantoor: we mochten een nieuwe laptop! Dansend van vreugde stond ik bij de ICT-helpdesk, maar dit is overdrachtelijk bedoeld want ik stond zo’n beetje te bezwijken onder het gewicht van mijn oude laptop, nog uit het bakstenen tijdperk. “Eén nieuwe laptop om mee te nemen svp”, hijgde ik en ik leunde zwaar tegen de balie. “Heb je een bewijs van dat je bent wie je bent etc”, zei de helpdeskman. “Dat niet maar ik ben het gewoon hoor”, zei ik. “Helaas pindakaas Jacq”, zei de helpdeskman. “ik moet een bewijs. Oh, én een uitdraai van de mail. Oh én een paraaf van je manager.” Hij keek bekommerd. “Dude”, zei ik. “Ik weet het, Veldman”, zei hij. En zo stonden we daar dan sámen zo’n beetje te bezwijken – maar nu onder het zware gewicht van de informatiemaatschappij die altijd en eeuwig overal een bewijs van wil hebben terwijl die rotzakken natuurlijk alláng álles vanaf je geboorte tot nu toe van je weten dus het is gewoon treiteren.
Met mijn linkeroog keek ik de helpdeskman strak aan, met mijn rechter focuste ik op de plank achter hem waarop zeker twintig gloednieuwe lichtgewicht laptops stonden te shinen. So close, and yet so far away. De helpdeskman staarde lief terug – en tegelijkertijd een beetje angstig maar dit kan ook vanwege het loensen zijn geweest. Ik was de eerste die opgaf. Deels uit lafheid, maar vooral omdat ik zo’n ongelofelijk zwak heb voor de helpdeskmannen bij ons op Kantoor. Ten eerste omdat ze ontzettend behulpzaam zijn, ten tweede omdat ze je nooit uitlachen, terwijl daar toch alle reden voor is, en ten derde omdat ze supervaak onderhands dingen voor je rege… nou ja dat dan dus niet. Maar dan nog: je wilt ze niet tegen je hebben. De helpdeskman is namelijk de enige man die je écht nodig hebt op Kantoor. De man bij wie, onder ons gezegd en gezwegen, een heleboel andere Kantoormannetjes… nou ja, gewoon ráár afsteken. Want oh mensen, er zítten ertussen! Een greep.

De Cool Guy
Hm, wat ruik ik? Aha het is gebakken lucht! Aan de tandenknarsende collega’s herkent men de cool guy. Zie hem lopen met zijn verende tred, zijn montere oogopslag en zijn neiging om je bij het begroeten nadrukkelijk bij de naam te noemen. Elke afdeling heeft zijn cool guy, maar je zou hem met gemak ook de player, de glijer of de toekomstige fraudeur kunnen noemen. Het zal hemzelf worst wezen hoe hij genoemd wordt – er is maar weinig wat hem deert. Het moeilijkste aan de cool guy is dat alles maar dan ook álles hem gemakkelijk afgaat. Wat hij dan zoal doet? Wel, voornamelijk dus totaal niets van betekenis, maar hij kan daar dan toch altijd héél veel over vertellen. Totale onzin natuurlijk, maar je bent al catatonisch van ontzetting voordat je je mond kunt opentrekken. En op het verbijsterd zwijgen van de massa gedijt de cool guy.
De cool guy klaagt nooit – en is daarom de lieveling van elke manager. Krijgt dus het snelst promotie en heeft een flitscarrière: als je één keer met je ogen knippert, is hij alweer een schaal omhoog gegaan. Hoe dóet die jongen dat? Vuile charme. Vooral voor glazenplafondvrouwen en gestage harde werkers die niet graag opsnijden over hun talenten is de cool guy een onverdraaglijke entiteit. Gelovige collega’s hopen op een hiernamaals waar alles zal worden rechtgezet. Maar voor nu, in het aardse tranendal: je staat erbij en je kijkt ernaar.

De Man met de Baard
Niet te verwarren met: álle andere bebaarde mannen op Kantoor. De baard van de man met de baard slaat vooral op zijn verhalen over vroeger, toen de wereld tenminste nog een beetje normaal was. De senior kan het weten, want hij werkt al minstens honderdtwintig jaar op Kantoor, is ook een beetje op het gebouw gaan lijken en je komt er nooit meer vanaf. Soms is dat ontzettend handig, want als je nog iets wilt weten over het Oude Systeem, dan moet je dus bij “pensionado Wim” wezen. Dat is de enige die de oude computertaal kent waarop stiekem nog de helft van alle systemen is blijven werken toen een of andere innovatie halverwege bruut werd afgebroken, “wegens voortschrijdend inzicht” (het geld was op).
De man met de baard is feitelijk het negatief tegenovergestelde van de jonge hond. Die is óók hijgerig, maar dat komt niet van jarenlang naar hartenlust roken achter zijn bureau, want daar ging je toen nog niet van dood. Bovendien is de jonge hond op een uiterst vermoeiende manier óveral voor in en de senior is helemaal nérgens meer voor in. Hij heeft elke vernieuwing al vierendertig keer meegemaakt en zien mislukken, ziet dus patronen die anderen nog niet opvallen en is daarom begrijpelijkerwijs belast met de zogenaamde been there, done that-oogopslag. Soms lacht hij ineens bulderend, zodat iedereen opschrikt uit zijn Wordfeud. Kwam dat geluid van de intercom? Nee het was de Wim die vanuit de stervende Kantoorplant een anekdote uit 1923 vertelt. Maar op de meeste andere momenten is de senior cynisch, uitgeblust en hij schudt vaak nee – eigenlijk precies zoals ik mijn vrienden graag heb. Nee, echt.

De Wijsneus
Natuurlijk, vrijwel iederéén denkt wel eens dat-ie het beter weet dan de next guy. Maar zeg nou zelf: eventuele geniale ingevingen die je op maandag kreeg, blijken meestal op dinsdag alweer totaal anti-geniaal te zijn. De menselijke hersens: een moeras waar op gezette momenten een arm uit steekt. Geen probleem, het is niet alsof er op Kantoor ooit iemand naar je luistert. Die waarheid als een koe is aan de wijsneus, alias de betweter, compleet voorbij gegaan. Want die weet gewoon álles áltijd beter en bijt nimmer op zijn lip, in het besef van zijn eigen feilbaarheid. Kan zich niet voorstellen dat een ander een punt heeft en onderbreekt je dus al wijsneuzerig voordat je in staat was zelf je zin lafjes te laten wegsterven. De wijsneus moet altijd winnen, ook als verder niemand wist dat er een wedstrijd aan de gang was. Hij kent een veel béter boek over de Holocaust, heeft de ultieme manier van koffiezetten uitgevonden, had het overlijden van je moeder kunnen voorkomen en slaapt altijd op zijn rug omdat dat nu eenmaal, nou ja… béter is.
Wie bij zichzelf op Kantoor zo snel geen wijsneus kan aanwijzen, zou wel eens in de situatie kunnen verkeren dat hij zélf de betweter van de afdeling is. Dat is even schrikken hè, want het is direct het enige waarover u minder wist dan de rest. Rustig blijven ademen, proberen een plekje te geven, en maandag fris beginnen met een knijper op de lippen.

De Zweverd
Ook wel: de inspiratieman. Praat in spreuken. De muur naast het bureau van de zweverd annex de kantoorgoeroe bevat vaak sfeervolle posters van a) een hele oude boom, b) een steen die kringen maakt in het water of c) een heel groot oog dat je de hele dag zo indringend aanstaart dat je er bijna van aan het werk zou gaan. Hoe dan ook een groot contrast met je eigen whiteboard waarop helemaal niets staat, behalve het onuitwisbare ‘WERKZWEER’ (per ongeluk verkeerde stift gebruikt).
De zweverd komt, maar hoe kan het ook anders, Kantoor binnenzweven op momenten die voor hemzelf gewoon lekker zen voelen. Niet zo héél vaak dus. Maar helaas, áls de zweverd present is in het hier en nu, dan ís hij er ook. Gesandaliseerd en wel en vastbesloten om her en der wat van zijn spirituele rijkdom te verspreiden aan onverlicht kantoorplebs zoals jij en ik. Dus nét als je inademt voor je volgende zeer terechte tirade over kantoreske onrechtvaardigheden, orakelt de zweverd Happinez-teksten als “Do good and good will come to you” of het managersvriendelijke “Some things things are not meant to be understood, just accepted.” Je zou collegae voor minder het raam uitgooien – maar een beetje zweverd vliegt natuurlijk net zo makkelijk het raam weer in. Minst handige reactie: “Karma shoarma.” Meest handige reactie: “Heftig.” Dat brengt een zweverd een klein beetje van zijn à propos: hij is niet bekend met het concept ironie maar weet niet helemáál zeker hoe het bedoeld is. Laat ‘m er maar lekker even z’n chakra’s over breken, is het in elk geval een kwartiertje rustig. Namasté.

De Flapdrol
Ook wel: de manager. De flapdrol wordt soms sjiek afgekort tot FD. “Is de FD al gearriveerd, dat jij weet?” “Nee, de FD werkt vandaag thuis.” Dus dit zou dan bij uitstek een dag zijn waarop je de manager gewoon kéihard en voluit een flapdrol kunt noemen, zou je denken – maar een gewoonte is nu eenmaal snel ingesleten hè. En een gezonde dosis paranoia kan geen kwaad. De muren hebben oren en die schroefjes zitten er heus niet “omdat er ooit een schilderij heeft gehangen”. Haha, een schilderij, tuurlijk! Ik lig plat! Maar even serieus, we zijn toch niet gek.
Een béétje competente manager is zelf totaal niet op de hoogte van zijn eigen flapdrolschap en ’s morgens al tijdens het inzepen onder de douche op inspirerende wijze processen aan het stroomlijnen. Eenmaal op Kantoor geeft hij daar dan verder “handjes en voetjes aan”. De meeste mensen op Kantoor ondergaan hun bezielende flapdrol als een kruis dat zij nu eenmaal te dragen hebben. Maar soms is het wel heel moeilijk, zeker als de flapdrol een doorgeschoten cool guy is. Dan is een afkorting als FD een véél te keurige benaming. Even op doorbrainstormen in een volgende sessie, stel ik voor.
Overigens heb ik zelf een geweldig lieve manager, maar dat heeft er in zijn geval ook mee te maken dat ik nog dingen van hem nodig heb. Een paraaf voor m’n nieuwe laptop, om mee te beginnen.

Dit artikel stond op 21 mei 2016 in Volkskrant Magazine

kantoordrama

Het was de derde dag na de vakantie en wij zaten zo’n beetje lief voor ons uit te tijpen toen onze collega van de overkant onze werkkamer binnenvloog. “Die en die doet het met die en die”, zei de collega ademloos. “Joe”, zeiden wij en wij tijpten verder en uit het ritme van ons getijp was klip en klaar af te leiden dat wij dit reeds vóór de zomervakantie hadden geweten, dat het nog nét niet in het kantoorbrede Info Bulletin had gestaan en dat de eerste glans van de geheime affaire er zelfs al weer zo’n beetje af was. Mijn naaste collega tenminste had het overspelige koppel gisteren bekvechtend een lift uit zien komen. En de dag daarvoor had ik met eigen ogen gezien dat zij elkaar passeerden in de wandelgangen en dat zíj, in plaats van blozend de ogen neer te slaan zoals dat hoort, licht onverschillig de wijsvinger had opgestoken. Híj op zijn beurt had haar beteuterd nagekeken want een opgestoken wijsvinger, dat is vaak het begin van het einde hè.

Aarzelend bleef de collega van de overkant in onze deuropening staan. Ze hijgde licht. Ik sloeg een knalharde enter op mijn toetsenbord. Het mens droop af. Een tijdlang tijpten wij onze woorden in vrede en sommige woorden gingen ergens over, andere waren onbegrijpelijk genoeg om mee weg te kunnen komen, en nog weer andere woorden waren slechts bedoeld om iets op te vullen – onder andere het stuk tijd dat nog restte tot aan zeventien uur, nul minuten en nul seconden. Of, als je écht in zijn volle deprimerende omvang zou willen zien: tot aan volgend jaar zomer, als wij eindelijk weer met vakantie zouden mogen.

Kortom: nu al #zinin. Maar ho, zo ver is het dus nog láng niet. Negen typisch kantoreske drama’s die we het komende werkjaar hoe dan ook gaan tegenkomen – en hoe je ze je overleeft.

  1. “En op dag vijf hadden we een soortement van safari”

Uit wetenschappelijk onderzoek door mijzelf blijkt dat echt helemaal niemand zit te wachten op de vakantieverhalen van een ander, maar dat iedereen met belangstellend opgetrokken wenkbrauwen naar elkaars vakantiebelevenissen informeert. Dus ja, dan vráág je er ook om, om de finesses van de fietsvakantie van Jolanda in de Vogezen, het backpackersavontuur van gekke Gerard en de maagdarmproblematiek van de echtgenoot van je leidinggevende. De positieve kant hiervan is dat je nu wel álle gehuchten in en rond de Vogezen kent. Dit kan immers nog best eens van pas komen, bijvoorbeeld in een situatie die zich nooit zal voordoen.

  1. “Er is een onverwachte fout opgetreden”

Je staart naar je beeldscherm, je beeldscherm staart terug en jij bent de eerste die de blik afwendt. Eén-nul voor je computer. Feitelijk zou het wel handig zijn als iemand van ict je computer even thuis komt langsbrengen zodat jij de eerste week na de grote vakantie gewoon in bed kunt gaan liggen wachten tot alle 980106 updates geïnstalleerd zijn. En je je wachtwoord (meestal je dode poes) weer herinnert. Ik heb dit trouwens wel eens geopperd maar nooit iets op teruggehoord.

  1. “Hoi… eh …. “

Het liefst stellen je nieuwe collega’s zich allemaal op dezelfde dag aan je voor, hebben ze allemaal een lange bob en bezitten ze zo op het oog inwisselbare karakters. Dit zorgt ervoor dat je vaak na drie, vier of vijftien maanden nóg niet weet of het nou Janita, Jolanda of Jeanette is, maar dan is het momentum wel zo’n beetje voorbij dat je kunt vragen: “Hé blonde, hoe heet je eigenlijk?” Aan nieuwelingen op Kantoor  zit ook een mooie kant: ze hebben geen idéé wie je bent. Dit gebrek aan een gedeelde geschiedenis biedt je de uitgelezen mogelijkheid jezelf eens van een andere kant te laten zien – of eventueel zelfs een geheel andere persoonlijkheid uit te proberen. Mocht deze bevallen, dan is het zaak hem langzaamaan uit te faseren naar andere gebieden van Kantoor. Mocht het onverhoopt toch te veel energie kosten om zo aardig te doen, keer dan linea recta terug naar je oorspronkelijke persoontje.

  1. “En toen bleek dat ik dus volkómen naakt was!!!”

Hun contemplatief vakantie-gestaar naar de golven/een berg/vijf inhaalseizoenen Game of Thrones heeft maar weinig van je oude collega’s blijvend gelouterd of tot nieuwe inzichten over zichzelf gebracht. Om kort te gaan: je zit gewoon opgescheept met dezelfde idioten als voor de vakantie en zij natuurlijk ook met jou, maar daar hebben we het nu niet over. Het begin gaat nog wel. Je luistert gelaten naar collega S. die zijn droom van de afgelopen nacht vertelt. Je steekt een duim op naar collega H. die als vanouds elk telefoongesprek via de intercomfuntie voert. En dat collega T. de hele tijd mompelt: “Hoe kán zoiets?!? ” en “Dit is gewoonweg niet te gelóven!”, zelfs dát kun je ook nog prima oh fuck off who are you kidding collega T.!!?! Nooit doen: aan collega T. vragen wat er is. Altijd doen: er doorheen zingen.

  1. “Niet omdat je een vrouw bent maar zit de stekker er wel in?”

Elke keer opnieuw die niet geheel ijdele hoop dat de beamer het niet doet. Want gewone vergaderingen zijn een stukje paradijs op aarde vergeleken bij die waarin mensen powerpointpresentaties houden. Mogelijkheid één: de volgetypte sheets worden letter voor letter voorgelezen. Mogelijkheid twee: er staan alleen maar cartoons op en deze zijn om te lachen. Het is zaak te proberen weerstand te bieden aan het verlangen je hoofdhuid van je schedel te trekken en deze in een hoek te gooien. Zo duurt de vergadering immers alleen nóg maar langer. Aanbeveling: zelf nooit presentaties houden, dat scheelt alweer.

  1. “Nou, de pepernoten liggen ook alweer in de winkel”

Waarom is socializen op Kantoor toch zo moeilijk? Waarschijnlijk omdat het met andere mensen is. Ik ken Kantoren waar mensen dag in dag uit de gekste smoezen verzinnen om het lunchmoment te mijden. De lunchtafel kan dan ook een mijnenveld zijn, bijvoorbeeld door gespreksonderwerpen in het genre “Maar ik vind kijk Zwarte Piet is gewoon ook een tradítie” die en passant tot complete afdelingsschisma’s leiden. In mijn vorige kantoorbaan was het mode om thuis samengestelde complexe salades mee te brengen, dit is ook heel moeilijk om mee te moeten maken. Natuurlijk, je kunt in je eentje een wandeling gaan maken. Maar voor je het weet wil iedereen mee (“Ja, zitten is het nieuwe roken hè!”) en dan krijg je zo’n kantoorsliert door de stad. Zo iemand heb je nooit willen worden. Het enige échte alternatief voor sociaal doen is op de cruciale momenten op het toilet te gaan zitten. Neem iets te lezen mee, bijv. van die Knausgard-knakker (lekker dik).

  1. “Jij ook de beste wensen!!!!!!!”

Het nieuwjaarwensen an sich is reden genoeg om te hopen dat de wereld vergaat voordat het 2016 is. Wat zou het toch mooi zijn als je op 4 januari gewoon Kantoor kon binnenstappen met een welgemeend “Joe!”, de computer aan kon zetten en direct een ferme start kon maken met je rondje haatsurfen op beautyblogs. En hoe vaak heb je al niet gefantaseerd over een sticker op je voorhoofd plakken met ‘Liever geen gelukswensen’ erop (en voor je verjaring: ‘Gelieve niet te feliciteren’)! Onder de eeuwige nieuwjaarsdilemma’s als ‘moet ik hem dan ook kússen?’ en ‘moet het dan een hand én een kus zijn?’ ligt een groter probleem: met verreweg de meeste van je collega’s wil je eigenlijk alleen fysiek contact overwegen als  je in een moeras bent gestruikeld en zij bieden aan je eruit te trekken. Eén tip: neem het heft in eigen hand door van ver met uitgestoken hand aan te komen. Werkt bij mij trouwens nooit: voor je het weet zit die hand ergens waar je hem al helemáál niet had willen hebben en dit herinner je je allebei nog jaren.

  1. “Hoe vind je zélf dat het gaat?”

Ik zeg het niet gauw maar je kunt nog beter een menstruatiecyclus hebben dan een personeelsevaluatiecyclus. Je zou zeggen dat het al heel wat is dat je elke dag maar weer komt opdagen. Nope. Het is de bedoeling dat je elk half jaar aantoonbaar nóg beter bent geworden. Terwijl: kun je het dan nóg beter doen dan je het nu al doet?? Waarschijnlijk wel, maar dit was een retorische vraag hè. Ook leuk: op veel Kantoren is het usance om feedback van je collega’s te vragen voor je functioneringsgesprek. Dat leidt tot dubieuze complimenten als “Kortom, ik vind je een geanimeerde collega!!!”, waarmee dan wordt bedoeld: “hou gewoon je kóp eens een keer als je geen idee hebt waar je over bazelt”. Gelukkig heeft je leidinggevende geen idee van passief-agressieve omgangsvormen. Tip: vraag sowieso nooit je vijanden om feedback want die zijn vaak net wat rechtstreekser.

  1. “Ik wil niet zeiken maar MAG IN GODSNAAM HET RAAM DICHT?!!”

Rest ons nog de werkkamer, die vaak catastrofale combinatie van warmbloedige mannen, koudbloedige vrouwen en een plant die elke dag koffie krijgt. Elke dag heeft zijn eigen en toch weer dezelfde problemen als gisteren – zoals dus de gendergeladen verwarmingsdiscussie, de stille strijd om het legen van de papierbak en de voortdurende dreiging van collega’s die zonder blikken of blozen op twee meter afstand deodorant onder de oksels spuiten. Oh én dus het gestage sterven van de Kantoorplant (RIP). Hoe voorkom je dat je zélf niet doodgaat van ellende? Wel, zelf dien ik om de zoveel tijd een verzoek tot overplaatsing in, maar dat gaat “na intensief overleg met de betrokkenen” nooit door. Wel, dán rest er niets anders dan de werkkamer te zien als de prachtige biotoop die hij in feite is – en elke dag blijmoedig uit te zitten tot aan zeventien uur, nul minuten en nul seconden.

Dit artikel stond op 29 augustus 2015 in Volkskrant Magazine. Foto: Ivo van der Bent

genieten geblazen

Mensen die op vakantie zijn, zijn vaak schattig en bloedirritant tegelijk. De vier verwerpelijkste vakantie-uitspraken van de vakantieganger (en wat je er als thuisblijver aan kunt doen).

1 “Het weer is schítterend!” Vroeger loog men er vanuit het vakantieland rustig vijf graden bovenop. Is tegenwoordig lastig te combineren met verwerpelijke nieuwigheden als het internet, waarmee de thuisblijver elke WhatsApp-leugen handig kan pareren. “Hé ik zie anders alleen maar regenwolken als ik weerbericht Ventimiglia intik?” “Ja maar wij zitten in de luwte van de berg hè xxx.” De vakantieganger gaat er vanuit dat de thuisblijver geen zin zal hebben om te checken of er een berg is (nee). Maar hij wéét dat de thuisblijver twijfelt. En dat hij er niks aan kan doen. De situatie wordt… complex. Prima en net goed.

2 “Wat voor weer is het in Nederland??” De vakantieganger veinst interesse. De eigenlijke intentie is verwerpelijk; het draagt enórm bij aan het genot van de vakantieganger om te weten dat het thuis serieus rukweer is. Dus mocht het in Nederland onverhoopt béter weer zijn dan op de duurbetaalde tropische bestemming, dan is de ellende niet te overzien. Gezinsruzies, ijzige huwelijksstiltes, doordrenkt met enfin regen dus. Voor de thuisblijver is het wel zo kies om niet aan de hittegolf in NL te refereren. Toch is het vaak wel grappig om tussen de regels door te laten weten dat je in je bikini naar de Albert Heijn ging. (Niet vergezeld laten gaan van schaterende emoji’s of omhoog gestoken duimen, hoe moeilijk het ook is. Subtiliteit is everything.)

3 “Ik was er echt aan toe!” Ja, wie vanaf half april al zijn kappersconversaties doorspekt ziet met vragen als “Ga je nog op vakantie”, “Heb je al geboekt”, “Wanneer heb jij vakantie” en “Heb je ook zo’n zin om er eens lekker tussenuit te gaan”, die vliegt zo tegen eind juni van ellende tegen het glazen kantoorplafond. Kortom: als je maar vaak genoeg je haar laat knippen, krijg je vanzelf de stellige indruk dat je doodgaat als je niet op vakantie kunt. Of deze indruk waar is, valt te betwijfelen. De vakantie an sich evenals het opstarten ná een vakantie zijn vaak dermate stressvol dat de meeste mensen begin september met volle overtuiging zouden kunnen zeggen: “Ik ben echt aan vakantie toe.” Maar goed, dat zeg je dus niet.

4 “Ik kom hier helemaal tot rust!” Zie hierboven: dat valt dus meestal wel mee. Of tegen. Dit soort opmerkingen moet dan ook met een korrel zout worden genomen en dat geldt al evenzeer voor wanhoops-shout-outs als “Het is echt genieten geblazen!!!” en “Heerlijk, heerlijk.” Vakantie is nu eenmaal een vrij dramatische onderbreking van het dagelijks leven en dat valt niet altijd mee. Serieuze stressoren zijn de keuze van het chalet, het inpakken an sich, de angst om neer te storten en de partnerrelatie die het afgelopen jaar overeind bleef dankzij een bescheiden mate van interactie en ontmoeting. Het kán allemaal fantastisch uitpakken – maar het kan dus ook zijn dat dat alleen voor de koffer geldt.

 

Deze tekst stond op 4 juli 2015 in Volkskrant Magazine

 

reisfolderclichés

Ik weet niet hoe het jullie vergaat, maar ik moet er echt eens even hélemaal uit. Of eigenlijk weet ik wel hoe het jullie vergaat: precies hetzelfde. Waar de gestresseerde mens in andere jaargetijden de tip krijgt nog maar eens op de lip te bijten, is het standaard zomer-advies: op vakantie. En dat was je natuurlijk allang van plan, want de zomervakantie, dat is een afspraak. Het is de jaarlijkse great escape van de sleur van alledag en het leven in de kooi die Kantoor heet. Een ontsnapping waar, ironisch genoeg, vrijwel niemand aan ontkomt. Reisbureaus en websites met ‘travel’ in de naam doen er alles aan om de overtuiging aan te wakkeren dat we niet kunnen wáchten op verlossing van ons doorsnee leven. En ze snijden in hun verleidingstactiek precies onze zwakke punten aan. De 7 clichés van de reisfolder.

Je bent er gewoon ongelófelijk aan toe.
“Jij wilt toch óók ontsnappen aan de dagelijkse stress?” “Ga je eindelijk die verre reis maken die al heel lang op je bucket list staat?” “Wie wil er nu niet uit de dagelijkse ratrace ontsnappen voor een heerlijke vakantie?” “Waar wácht je nog op?” De boodschap is duidelijk: je bent eigenlijk niet helemaal normaal als je niet gek geworden bent van het jaar dat achter je ligt. Een beetje handig reisbureau maakt bij het opporren van de reislust gebruik van de time-hop, het schrijven in de tegenwoordige tijd, die je droomvakantie direct heel dichtbij brengt.“In de avond geniet je van een koel drankje op een van de vele terrassen.” “Je wandelt door slaperige dorpjes.” “Je hoort het ruisen van de zee.” Kortom: je hebt nog niet eens geboekt maar je zit er eigenlijk al.

Ineens heb je het: je wordt ontdekkingsreiziger.
Of nou ja, zítten? Sorry, dát is eigenlijk niet helemaal de bedoeling. Hoewel vakantie vooral bedacht is om te genieten van je “welverdiende rust”, blijkt die rust nogal betrekkelijk. Vrijwel alle reisgidsen juichen dat het tijd is voor “je vólgende enerverende reisavontuur”, waarmee dus direct even is vastgesteld dat het concept ‘avonturen beleven’ in principe een goede gewoonte is. Je krijgt een oproep: “Laten we overal naartoe reizen waar de wind ons brengt.” En direct daarna een belofte: “Je beleeft het avontuur van je leven!”
Elke zichzelf respecterende reisgids brengt dus een zo groot mogelijk contrast aan met het gewone leven. Niet voor niks. Van negen tot vijf op je linkerbil hangen en dingen aan elkaar nieten, dat doe je immers het hele jaar op Kantoor al. Daar komt bij: de moderne mens ziet zichzelf graag als avontuurlijk wezen en vindt het dus fijn om als zodanig te worden aangesproken. Ontluisterend genoeg blijkt dat avontuur bij nadere lezing van de reisgidsen ferm dichtgetimmerd. Wie op “ontdekkingstocht” naar ergens in Italië wil, krijgt bijvoorbeeld “7 of 9 nachten met ontbijt, olijfolie- en wijnproeverij, twee diners, huurauto en vlucht vanaf Eindhoven – ook mogelijk om in termijnen te betalen”.

Je zult steil achterover slaan.
Toch is er de reisaanbieders álles aan gelegen om je in de waan te laten dat je een ontdekkingsreiziger pur sang bent of kunt worden, die vooral “wég van de gebaande paden” wil. Bijvoorbeeld naar een “vrijwel onontdekt gebied in Zuid-Afrika” (dus waarschijnlijk weet alleen de reisorganisatie ervan). Of naar één van India’s “best bewaarde geheimen” (dus waarschijnlijk weet alleen de reisorganisatie ervan). Maar als je leest dat je je “schrap moet zetten voor een cultuurshock”, dan is het onverwachte er natuurlijk al wel een beetje af bij de arrival ter plaatse. En als de “pure, ongerepte stranden van het land nog onontdekte parels z…” – wacht eens even, hoe weet het reisbureau er dan van?! Haha, gotcha!
Als om deze malversaties te verhullen, wordt het twijfelachtige avontuur dat de reisgids ons biedt, ons gepresenteerd als een bijna mythische slash religieuze slash druggerelateerde ervaring. Het is hoe dan ook een onderneming die je met open mond ondergaat. “Je waant je in het paradijs.” “Je zult je verbazen over de graffiti muurschilderingen.” “Je vergaapt je dag in dag uit aan de bezienswaardigheden.” “Je valt van de ene verbazing in de andere.” Bij avonturentaal horen overdrijvingen. Dus zijn er “schier oneindige stranden” en is er sprake van een “ongelofelijk grote schoonheid”. En trouwens: “De zon schijnt er altijd en de mensen zijn ontzettend gastvrij.” Case closed.

Er is gelukkig een to do list.
Nu is het hele leven natuurlijk één grote to-do-list, laten we daar niet kinderachtig over doen. Maar de lijst met dingen die je op vakantie per se gezien, gedaan en beleefd moet hebben, is niet mals. “Een bezoek aan Alcázar mag eigenlijk niet aan je lijstje ontbreken.” “Sla ook zeker de Duomo di San Martino niet over.” “Vergeet niet je wandelschoenen mee te nemen, want dit gebied leent zich uitstekend voor een lange wandeling.” “Nu je je op slechts vijfentwintig kilometer van Luca bevindt, mag je een bezoek aan deze romantische stad niet overslaan.” De termen ‘niet overslaan en ‘vergeet niet’ zijn misschien wel de meest gebezigde frases in de reisbranche. Hallo, het lijkt Kantoor wel! Met allemaal dingen die op tijd af moeten! En duizend regels waar je je aan moet houden! Je zou haast terugverlangen naar die ellendige ratrace waar je net even tweeénhalve week aan was ontsnapt, als we de reistijd eraf trekken dan.
Natuurlijk, deels is de vakantie-to do list een adequate manier om bij thuiskomst sociale afgang te voorkomen. Je moet niet hebben dat je collega’s straks smalend roepen: “WTF JE HEBT DE BIJNA UITGESTORVEN MINIREUZENMARMOT VAN DIT OF DAT EXOTISCHE EILAND NIET GEZIEN?!” (En jij dacht nog: god wat stikt het hier toch van de zwerfkatten zeg.) Op een ander niveau is het interessant dat het avontuur dat vakantie heet blijkbaar van alle kanten moet worden gestut door wegwijzers en reminders. De reisbureaus wekken voortdurend de suggestie dat je zónder het lijstje de essentie van je vakantie mist en het avontuur niet ten volle zult ervaren. Dat is natuurlijk de zaken helemaal omdraaien. Maar eerlijk is eerlijk, het voelt de rest van het jaar ook eigenlijk best veilig om te doen wat een of andere geflipte manager je voorschrijft. En als je wordt gesommeerd “heerlijk te verdwalen” in een of ander oerwoud, dan is één ding in elk geval duidelijk: wát er ook gebeurt, echt verdwalen zul je niet.

Je bent héél ver weg – maar ook weer heel dichtbij.
Om ons er warm voor te maken, presenteren de reisgidsen je “unieke vakantie-avontuur” dus als absoluut tegengestelde van je gewone slaapverwekkende rotleven. Dat kan alleen maar door er een zo groot mogelijke afstand tussen te fabriceren. Maar terwijl de reisfolder dat doet, wordt tegelijkertijd benadrukt hoe dichtbij al dat vreemde is. Over “verre zonvakanties”: “De populairste bestemmingen in het Caribisch gebied zijn onze eigen Nederlandse Antillen.” “Afrikaanse cultuur op slechts 6 uur vliegen.” En mocht het toch allemaal een beetje exotisch overkomen: “Weg van de tempels relax je in één van de nieuwe ‘upmarket’ resorts nadat je bent aangekomen op het strakke, geheel vernieuwde vliegveld.” Pfjew, adem uit: hoe groot de afstand ook is, zó’n enorme stap is het dus ook weer niet. Op een iets andere manier bewerkstelligt de continue benadrukking van de “onvergetelijkheid” en het feit dat je “nog lang zult nagenieten” hetzelfde – het is een subtiele vooruitverwijzing naar als je straks weer veilig thuis bent. Hoe ver je ook weg bent, je eigen huis is altijd dichtbij.

Je komt in een warm bad.
De reisbureaus doen daar zelfs nog een schepje bovenop. Zo wordt al het avontuur dat je te wachten staat steevast gecompenseerd door een ware tsunami aan vriendelijkheid en warmte die heel erg aan thuis doen denken. Soms letterlijk: “Bij het eerste kopje koffie weet u: dit is thuiskomen.” Vaker wordt er verwezen naar de immer “gastvrije bevolking” die elke vakantie tot een “intens genoegen” maakt. Zo moet het raar lopen “als je niet een avond lang met Turken over van alles en nog wat gesproken hebt.” “Het kan een avontuur zijn vol ontmoetingen met vriendelijke mensen die graag een gesprek met je aanknopen.” Of hier, in één zin avontuur en veiligheid op schiterende wijze verenigd: “De vaak woest ogende natuur staat in opvallend contrast met de open en gastvrije bevolking.” Echt gezellig.

Adembenemende vergezichten: check.
Een reisgids is vaak net een ansichtkaarttekst uit de jaren vijftig. Zo heeft elke bestemming “voor elk wat wils”, is het er “heerlijk toeven”, kunnen watersportliefhebbers “hun hart zeker ophalen”, liggen bezienswaardigheden bij voorkeur op “een steenworp afstand” (maar desondanks word je geacht urenlang te “struinen” of “slenteren”. De versteende taal van het reisbureau doet wel wat denken aan… verrek, je opa en oma! Maar het absolute toppunt van verstening zien we in de combinatie-clichés die al sinds jaar en dag dezelfde zijn. Telt u even mee: adembenemende vergezichten, oogstrelende landschappen, witte stranden, weemoedige fadomuziek en zoete druiven. Ravijnen? Duizelingwekkend. Straatjes? Schilderachtig. Vestingmuren: eeuwenoud. Ergens bekruipt ons een gedachte: waarheen we ook gaan, we weten al precies hoe het eruit gaat zien.

Dit artikel stond op 4 juli 2015 in Volkskrant Magazine

musthaaaave

Ik zal maar direct uit mijn walk-in closet komen: mijn vage verlangen om met de mode mee te doen wordt wreed doorkruist door een nog veel groter verlangen: mijn hele leven uitzitten in mijn oversized knalrode joggingbroek. Maar goed, dit dóe je gewoon niet. Hoewel, soms twijfel ik. Hij zit zo fokking lekker. En ik hoor modemeisjes óm de anderhalve zin een term als ‘nonchalant’ en ‘casual’ gebruiken. En gisteren sloeg ik een modeblad open en de term joggingbroek sprong zo van de pagina! Komen dromen dan soms tóch uit? Maar toen ik ademloos verder las, begreep ik dat je er voor een vrouwelijke touch natuurlijk wel killer heels onder zou moeten dragen. En bij het verder bladeren werd de teleurstelling alleen maar groter: ‘casual’ wordt net iets te vaak in één adem met ‘chic’ genoemd. En ‘nonchalant’ – dat blijkt bij nader zien vooral bestudéérd nonchalant. Of, zoals de modebladen zouden zeggen: “quasi lukraak”. Ik weet genoeg. Of eerlijk gezegd: ik volg het niet helemaal maar ik begrijp één ding wel: toedeledokie, joggingbroekdroom.

De fashionmagazines zijn een wereld vól met codewoorden die vaak net iets anders betekenen dan ze lijken te betekenen. Het is een wereld van grafische prints en killer heels. Van klassieke silhouetten en gekke twists. Chunky sieraden, preppy denimbloesjes en “boho zonder poespas”. Nou, over die poespas valt te twisten. Een beknopt lexicon van de modebladen.

MUSTHAVE
Spreek uit : “OMG MUSTHAAAAAVE!!” Je ziet voor je geestesoog direct een heleboel verwend stampvoetende modemeisjes, die zich door niets en niemand laten weerhouden in hun queeste naar dat ene fashion-item dat hun bomvolle kledingkast en leven gaat completeren. De musthave past prima in het verslavingsjargon dat modebladen eigen is. Mocht je nog niet weten of je het wilt: “Je wilt het allemáál.” Mocht je nog last hebben van gezond verstand: “Oké, oké, we geven het toe, eigenlijk zoeken we gewoon allerlei excuses om er eentje te kopen. Ben jij al om?” En mocht je je eigen justificaties nog niet helemaal geloven: “Als je ze volgend seizoen zat ben kun je ze zonder gêne aan je minder modebewuste zus of vriendin geven.” Supersympathiek!
De musthave is, behalve de meest afschuwelijke fashionterm ever, ook een bijzonder afgesleten term: je komt hem inmiddels namelijk in zo ongeveer alle andere settings van het leven ook tegen. Musthave slowjuicer. Musthave oerbroodbakmachine. En kijk nou, de web-etalage van het plaatselijke dierenasiel: “Poes Simba is een lieve schat, echt weer eens een must have cat.” Maar nee hoor, de modebladen zien vooralsnog geen énkele aanleiding de musthave te dumpen.

CONTRAST
De eerste modegod slash stylist die het woord ‘contrast’ niet op het voorhoofd gekerfd heeft staan, moet nog geboren worden. Haal even diep adem, hier komen ze. Een sjieke rok met een stoere trui. Stiekem bloedsexy, die nieuwe degelijkheid. Zacht zijde, maar wel met een ruige rand. Een old time favorite met een gloednieuwe lieveling. Zoete tinten met een rebelse bijsmaak. Stoere boots die contrasteren met een lief jurkje. Oversized strepen die vragen om een bescheiden tegenhanger. Met een kanten jurkje met kittige hakken op een brommer scheuren. Luxe combineren met “een straatgevoel”. En daar is het woord: “Een kermisattractie ben ik nog net niet maar je zou mijn stijl wel kunnen omschrijven als eclectisch.” Soms zit het contrast hem (ook) in de pecunia: koop deze katoenen maxi-jurk (338 euro) en combineer hem met leren kistjes van het Waterlooplein. Inderdaad: “een vervreemdende mix van high en low culture.”
Eenduidigheid is morsdood, dat is duidelijk. Superleuk, toch? Want dankzij het arty contrastenfeestje hebben we veel meer bewegingsvrijheid gekregen. Je kunt lief én stoer zijn. En sexy en superdegelijk tegelijk (hmm?). Aan de andere kant: worden we nú van de weeromstuit geacht om volcontinu een mix van totaal tegenstrijdige signalen uit te zenden? Waar gaat dat naartoe? Neemt íemand de vrouw nog serieus?! Damn, er is ook altijd wat. Even in de gaten houden.
Synoniem van contrast: balans (“je krijgt het door lakleer af te wisselen met zachte breisels”). Ook veelgebruikt: “spanning creëren”. Tot je erbij neervalt dus. Dat brengt ons direct bij het nadeel van de zucht naar contrast: je wordt er wel een beetje moe van.

FAUX PAS
Soms lijkt het alsof de sky the limit is in die malle fratsen-fashionwereld. Niets is minder waar, natuurlijk. Hoewel de modebladen continu suggereren dat je het mix- en matchgewijs hélemaal zelf moet weten, moet je dat wel op deze, deze en deze manier doen. Een faux-pas (de sjieke term voor een blunder) is snel gemaakt. Daarom krijg je op elke bladzijde de helpende hand aangereikt en het verkapte advies om eens goed naar jezelf te kijken. Let wel: dat gebeurt voornamelijk en passant – nergens vind je zulke subtiele voorschriften als in de modebladen, die mikken op de goed verstaander. Zo is print goed, maar wel een uitdaging. Het is zaak dat je zo’n stuk combineert met iets fijns en kleins. En ja, een parka is praktisch maar doorgaans niet per se stijlvol. Dat een hoge hak je benen verlengt, dat wist je al. Hier rockt X de polkadottrend zonder op een circusact te lijken. Kun je het hebben, vooral doen. Deze jurk is sexy, maar niet té. Strapless jurk en zware borsten? Dat doet niets voor je. Dat is allemaal wel héél lief gezegd, lieve modebladen, maar ondertussen pikken we de hint wel op hoor.
Al deze mitsen en maren gelden trouwens niet voor de happy few die de regels aan hun boots mogen lappen. “Het is een beetje een geval van: je oma’s kanten kleedje aangetrokken? Maar als íemand het kan doen, is het Poppy.” Voor natural beauties en stijliconen ligt het allemaal net weer anders namelijk. Die komen overal mee weg. Hoe dat nou weer kan? “Haar geheim is volgens mij dat Carice alles weet te mixen. Bij een lange jurk draag ze gewoon een baseballpetje.” Ja en al ons eigen gemix en gematch dan?! Sorry, nét niet dus. Want wij hebben dus duidelijk niet dat… dat… ja dat je ne sais quoi waarvan dus niemand weet wat het precies is, maar dat elke modejury nederig in zwijm doet vallen.

SIGNATURE STYLE
Zeker, Gerda van de boekhouding heeft in principe óók een signature style, want die komt elke dag naar kantoor in een C&A-spiekerboks met een geruite blouse. Maar nee, dat is dus níet de signature style die de fashionindustrie bedoelt, Gerda! Het idee is dat je je via het eindeloos mixen en matchen een hyperindividuele kledingstijl verwerft die dus “helemaal jij” is. En dan wordt het wazig in de modebladen. Want enerzijds ben je met je je eigen sublieme stijl “de beste versie van jezelf”. Mode is “een expressie van hoe je je voelt”. Je kleding moet je personality onderstrepen, “en zeker niet overstemmen”. Aan de andere kant lijkt mode ook een project te zijn waarmee je jezelf uitvogelt. En zelfs de toegangspoort tot iets béters dan je huidige zelf. “Kleding geeft je zelfvertrouwen. Door stoer gekleed te gaan zeg ik eigenlijk: ik doe waar ik zin in heb.” “Een vrouw met laarzen straalt uit dat er met haar niet te spotten valt.” “Je gaat door de goede kleren aan te trekken zelfs anders lopen en kijken: je wórdt iemand.” En dan ineens is een uitbundige exotische mix van prints áltijd een goed idee, “want het getuigt van lef en creativiteit.” Ja hallo, moeten we onszelf nu wel of juist NIET OVERSCHREEUWEN!? Kortom, wie je precies wordt met kleren aan is niet helemaal duidelijk, en ook niet of je het zélf dan nog wel bent.
Wie trouwens geen idéé heeft wie ze zelf eigenlijk is en hoe dit zich zou moeten vertalen in een particuliere signature style: gelukkig hebben kleren zélf ook karaktereigenschappen – die mens en dier niet zouden misstaan. Zo heb je eigenzinnige materialen, stoer velours, aaibare jassen, lieve breisels en edgy boots. Een beetje mixen en matchen en je verwerft jezelf een scala aan gewenste kernkwaliteiten.
Verwar de signature style trouwens niet met de statementketting. En ook niet met statementteksten op borsthoogte. Die zijn weer helemaal hip maar gelukkig vaak onleesbaar of abstract – en dus kan niemand er aanstoot aan nemen.

VINTAGE
Heel nobel, álle fashion magazines vinden het megabelangrijk dat je vaker je oma bezoekt. Eh ja, om er een oud gehaakt truitje tussen de mottenballen weg te rippen dan, natuurlijk. “Dikke kans op geweldige vintagevondsten.” Geweldige vintage schoenen bijvoorbeeld. Of een geweldig vintage bontvest. Iets van kurk! “Leuk, dat oldschool lapjeskatgevoel!” Mocht je oma al dood zijn, kies dan noodgedwongen voor neppe vintage. Bijvoorbeeld iets dat door de onafgewerkte naden líjkt op vintage. Of denk aan het nostalgische van tweed, dat het “de perfecte kandidaat” maakt voor een authentieke doch compleet gereconstrueerde jarenzestiglook.
Nostalgie is helemaal “van dit seizoen”, aldus de modebladen. Maar er zit wel degelijk een gevaar in al dat geromantiseer van lang vervlogen tijden, namelijk dat je op een kattenvrouwtje gaat lijken. “Wel uitkijken, want anders wordt het te obvious jaren zeventig.” Let dus op dat je er altijd een eigentijdse feel aan geeft. Want alleen dan, en dáár zullen we hem dan eindelijk hebben, is het duidelijk dat je het allemaal slechts met een knipoog naar het verleden bedoelde, hahaha! En zoals de modebladen zelf continu benadrukken: “een beetje humor mag best!” Helemaal mee eens. Want laten we het toch in vredesnaam allemaal niet te serieus nemen.

Dit artikel stond op 14 maart 2015 in Volkskrant Magazine

comfortzone

Soms is er maar één woord voor nodig. “Het idee is dat jullie vandaag lekker hélemaal uit je comfortzone komen”, zei de vrouw die bij ons op Kantoor de workshop ‘Bereik je doelen’ leidde. Ik schoof mijn stoel naar achteren, liep naar voren en gaf de vrouw een enorme knal voor haar hoofd. “Oh jee”, zei mijn collega M. die me had overgehaald om mee te gaan. Een vrouw achter hem sloeg een hand voor haar mond. Maar naast haar begon een man met zwarte krullen te giechelen. Wie er begon met klappen was niet duidelijk. Aarzelend vielen anderen in. Het zwol nogal aan allemaal. Het applaus kreeg een ritme; her en der klapte een aansteller nadrukkelijk langzaam. Ik stak één hand op en liet de menigte bedaren. Daarna nam ik weer plaats in de zaal, wreef mijn knokkels en vroeg me af wat er precies met je zou gebeuren als je daadwerkelijk een workshopleider tegen de grond sloeg. Zou er politie bij worden gehaald eigenlijk? Iemand zou het een keer moeten uitproberen.

Want de comfortzone klinkt súpergezellig – maar hij is dat allerminst. Het akelige van de comfortzone is namelijk dat we net lekker lagen maar dat we er als de sodemieter uit moeten. Jij gaat dood als je voor grote groepen mensen moet spreken? Hatsee, komende dinsdag gewoon doen! Je bent bizar slecht met getallen? Hier heb je een trap onder je kont en een rekenmachine! Het is onduidelijk wanneer de comfortzone precies de oversteek vanuit Amerika maakte maar het mag duidelijk zijn dat we sindsdien geen relaxte dag meer gehad hebben. Als één ding bewijst dat calvinisme van alle tijden is, dan is het wel de comfortzone. Het probleem zit hem in de verwerpelijke overtuiging dat we het áltijd beter moet kunnen dan we eigenlijk kunnen. En, misschien nog wel verwerpelijker: dat het nastrevenswaardig is om dingen te doen waar je je niet echt chill bij voelt. Je gaat met plezier naar je werk? Wacht, daar verzinnen we iets op. Leidinggeven, heb je dat al eens gedaan? Maar hoezó zou je dat niet durven!? Ik kan u Kantoortuinen aanwijzen die zijn vergéven van werknemers die zo hop vanuit hun comfortzone in de shit zijn geraakt – en hele afdelingen hebben meegesleurd in hun ongeluk. Dus laat ik het eens scherp stellen: voor de meeste mensen op aarde is het het beste om helemaal nooit uit hun comfortzone te stappen. Speel liever ’s avonds een potje Risk en ga dan gewoon lekker slapen.
De ‘stap uit je comfortzone’-mythe is maar één van de vele uit het therapeutendiscours overgewaaide voorschriften en inzichten over hoe je het beste kunt leven en een gelukkige staat van zijn bereikt. Die selfhelp-mantra’s zijn op geniepige wijze common sense-gedachtegoed geworden, waarmee de mensen zichzelf en elkaar bij voortduring om de oren slaan. Het punt: veel van die how to’s zijn gewoon… enfin, totale onzin dus. Hieronder nóg vijf geluksmythes, debunked.

Mythe 1 Wees jezelf
Voorstel: Wees minder jezelf
Het is wel verwarrend soms. Werden we zojuist nog gepusht uit onze comfortzone te stappen, aan de andere kant moeten we juist vólcontinu in contact met met onszelf blijven. Een veelgehoorde opdracht die medemensen elkaar geven: “Wees gewoon lekker jezelf”. Een veelgehoorde evaluatie van een date, sollicitatie of cursus origami: “Ik had wel het idee dat ik mezelf kon zijn.” Een veelgehoorde reactie op kritiek: “Euh sorry hoor, ik was gewoon mezelf.”
Omdat je, puur feitelijk, al de hele tijd degene bent die je bent, lijken het overbodige opmerkingen. Zo kun je immers moeilijk iemand aanraden een ander te zijn hoewel het soms best wenselijk zou zijn – maar dit dóe je gewoon niet. Het punt is: als het zó vaak gaat over jezelf zijn, dan is dat niet voor niks. Blijkbaar is het voor de meeste mensen ontzettend belangrijk aan de lopende band hun uniciteit te benadrukken. En van daaruit: hun tevredenheid of onvrede over de rest van de wereld. Ik weet niet of jullie dat wel eens hebben gedaan maar ik heb wel eens ingezoomd op mijn woonadres in Google Maps en daarna dan langzaam uitzoomen. Net zo lang tot je alleen nog maar continenten ziet. Schitterend! En ook schokkend om de dingen in perspectief te zien: OMG, wie bén ik nu helemaal.
Nou ja, mezélf dus. Inhoudelijk gezien stelt dat ‘jezelf zijn’ trouwens teleurstellend weinig voor: de meeste mensen bedoelen ermee dat ze gewoon lekker hun ding willen kunnen doen, zonder te veel gesodemieter en misschien met een blokje kaas erbij, gezellig.

Mythe 2 Ga in je kracht staan
Voorstel: Doe voorlopig even niks.
De mogelijkheden van dit voorschrift zijn schier eindeloos. Telt u even mee. Zo kun je zelf in je kracht gaan staan. Je kunt in je kracht worden gezet. Je kunt anderen in hun kracht zetten. Ook wel eens gehoord: “Nu moet je ervoor zorgen in je kracht te blíjven!” Maar vaak moet je wel eerst even “over je schaduw heenspringen”, voordat je écht in je kracht et cetera.
Wat helder is aan deze zelfhulpmythe: je moet in elk geval niet slecht ter been zijn. Wat niet helder is aan deze mythe: de hele flikkerse rest. Want wat the hell ís het eigenlijk, in je kracht staan?! Waar de mensen die dit soort vaagtaal spreken allemaal prima lijken te weten waar dit over gaat, doemt bij mij altijd het beeld op van iemand die wijdbeens in een bushokje staat. Of in een rij bij de bakker. In je kracht staan, je moet het denk ik eerst snappen en daarna een keertje uitproberen.
Er zijn trouwens wel meer adviezen met een sterk fysieke component en daarvan weet ook niemand hoe het precies zit. “Laat het los”, bijvoorbeeld. Of juist het omgekeerde; zo hoorde ik pas: “Omarm je verkoudheid, dan ben je er sneller vanaf.” Iemand in zijn kracht sláán, is dat ook een optie?

Mythe 3 Volg je intuïtie
Voorstel: Gebruik je verstand.
Wat zo leuk is aan het menselijk ras is dat er hersens bij betrokken zijn, die op zich best complex in elkaar zitten. Toch hoeft er in het gezelschap maar één persoon te zeggen: “Maar dat voel ik nu eenmaal heel sterk” en alle valide argumenten vallen plat voorover neer op tafel, morsdood. Gevoel wint altijd, wie zijn beleving in de strijd werpt, kan rekenen op een respectvolle stilte. Stamt nog een beetje uit de jaren zeventig, toen men begon met propageren dat je niet alleen dicht bij je emoties moest zien te komen, maar dat je ze er vooral ook állemaal uit moest gooien. Maak van je hart geen moordkuil, want straks ga je dood aan opgekropte emoties en dat zou ook weer zonde zijn. Wat blijkt: die mensen houden geen sociale contacten meer over! Want niemand zit te wachten op mensen die nu eenmaal heel sterk de behoefte hadden dit even met je te delen.
Natuurlijk, gevoelens mogen er gewoon zijn, ik bedoel: we hebben ze nu toch. Maar zie ze een beetje in perspectief. Geldt ook voor als je intuïtie, de rekenmachine van gevoelsmensen, zegt dat “er iets niet pluis is”. In realiteit is dat gewoon een klinische optelsom van eerdere ervaringen. Door je hersens dus. En schrééuwt uw intuïtie dat deze man echt helemaal oké is, dan spreek ik u over enige maanden nogmaals. Emotie is in allerhande zaken vervelend genoeg vaak eerder de slechtste raadgever dan de beste. Vandaag voel je dit, morgen voel je ineens dat, enfin, ik hoef u daar niets over te vertellen. Zeg dus eens wat vaker “Ik ga daar nog eens goed over nadenken.” En dan ook echt dóen.

Mythe 4 Geluk is een keuze
Voorstel: Soms heb je gewoon pech.
Het klinkt zo gezellig. Maar slecht nieuws, want het is zonder twijfel de meest tricky mythe, of moeten we het een religie noemen? Varianten van het geloof dat geluk een keuze is: “The sky is the limit” en “Alles lukt, als je het maar wilt.” Centraal daarin staat een moeizame verhouding met de realiteit, want: wat nu als het je toch onverhoopt niet lukt? Oh wacht, dan heb je het gewoon nog niet hard genoeg gewild. Ja, zo kan ik het ook.
Een gevaarlijke denkwijze, omdat hij nogal aanschuurt tegen de orenmaffia, die zelfs vreselijke ziektes ziet als de dodelijke consequentie van verkeerd denken. (Op zich een heel grappige gedachte, als het niet zo ernstig was dan.) Als geluk een keuze is, is ongeluk dan ook een keuze? Ja natuurlijk, en vandaar dat de eigen-schuld- dikke-bult-mythe veel ploeterende mensen erg ongelukkig maakt. Hebben ze dan niet hard genoeg hun best gedaan? Nee hoor, soms heb je gewoon pech en kom je gewoon de goeie mensen niet tegen. En de verkeerde mensen wel. En je hebt je personality natuurlijk ook niet voor het uitkiezen. Al is dat natuurlijk vloeken in de kerk die Totale en Algehele Zelfbeschikking heet. En waar net iets te veel mensen belijdend lid van zijn tegenwoordig.

Mythe 5 Denk in uitdagingen
Voorstel: Denk in problemen.
Iedereen kent wel iemand die bij de geríngste verwijzing naar een kinkje in de kabel bezwerend de hand opheft en met overslaande stem roept: “Dat is geen probléém, dat is een úitdaging.” Nog los van het feit dat dit vaak donders irritante mensen zijn: misschien maakt u zich er zelf ook wel eens schuldig aan. Oh jawel, zou heel goed kunnen. We zijn nu eenmaal gevangenen van een samenleving die het woord probleem nauwelijks meer durft uit te spreken en als door een wesp gestoken reageert als een ander dat wel doet. Let er maar eens op hoe vaak het zinnetje “Dat is wel even een prob… een ding” wordt uitgesproken. Niemand, maar dan ook niemand wil worden geassocieerd met negatief in het leven staan, klagen om het klagen, en blijven hangen in ellende. Blinde positiviteit is het nieuwe ‘och, even aanzien hoe het verder gaat’ en is net iets te vaak totaal gespeend van enige realiteitszin.
Want, en de mensen die er niet tegen kunnen moeten nu maar even hun ogen dicht doen: het leven ís ook gewoon moeilijk. Laten we elkaar niet voor de gek houden, er is toch best een hoop ellende op de wereld. En soms heb je gewoon geen geld en wel een rotjeugd gehad. Dat biedt niet stante pede kansen, nee, dat is gewoon zwaar verdrietig. Het is precies het stilstaan bij de rottigheid die ons steeds lastiger af gaat. Want ergens de schouders onder zetten ziet er nu eenmaal een stuk aantrekkelijker uit dan de schouders laten hangen. Terwijl dat soms wél een adequate reactie is op tegenspoed en ellende. Eerst eens even huilen. Of je kapot schamen. Of spijt hebben – óók al zo’n taboe these days. Het hoeft allemaal niet op Facebook hè, niemand hoeft het te zien. Eerst wonden likken, en daarná krijg je vast nog wel de kans om er hopelijk alsnog iets van te maken. Of niet, want what doesn’t kill you maakt je meestal wel een beetje beschadigder.
Lijkt stilstaan bij uw problemen u desalniettemin lastig omdat u er nog steeds vanuit gaat dat het leven “een feestje” moet zijn? Zie het als een Uitdaging, wordt het direct een stuk leuker van. Niet makkelijker trouwens. Maar enfin.

Dit artikel stond op 14 februari 2015 in Volkskrant Magazine

ouwe jongens

Het moet rond het begin van de jaren tachtig zijn geweest dat ik de poster waarop Björn, Benny, Anni-Frid en Agnetha knus in een helikopter zaten in één ruk van de muur trok en verving door een poster van Robert Smith van The Cure. De man met de lippenstift. De eyeliner. En met het kapsel waarin een hele muizenfamilie een penthouse zou kunnen inrichten. Later die dag staarden mijn vader en moeder naar Robert Smith. Robert staarde mistroostig terug. “Allemachtig, wie is dat”, zei mijn vader die zich als eerste herpakte. “Is die jongen ziek misschien”, zei mijn moeder. Ik snoof, want tussen mijn dertiende en mijn zestiende snoof ik alleen maar tegen mijn vader en moeder.
In eerste instantie was Robert Smith slechts een middel. Doel: het aan de haak slaan van de Oudere Jongen van wie ik wist dat hij een sucker was voor de zwartgallige muziek van The Cure. Werkwijze: het uit het hoofd leren van alle nummers van hun meest misantropische elpee, om zodoende langs de neus weg een paar regels mee te kunnen zingen als ik ooit eens tegelijk met de Oudere Jongen op een feestje zou zijn en ze net op dat moment een nummer van The Cure zouden draaien. De Oudere Jongen zou zijn ogen belangstellend dichtknijpen. Hij zou op me af komen lopen en vragen of ik misschien een vuurtje had. Ik zou hem een vuurtje geven, ik had een aansteker. Direct daarna zouden we nog lang en gelukkig leven.

Maar vooralsnog was het niet zover. Ik was bebrild, om maar één probleem te noemen. En er waren dagen dat Robert Smith me nog meer bereikbaar leek dan mijn Oudere Jongen die volgens de geruchten helemaal nooit naar feestjes ging maar de hele dag in bed lag. Hoewel ik me bij Robert Smith dan weer moeilijk kon voorstellen dat hij op een keer bij mijn vader en moeder zou moeten komen koffiedrinken. Ik wist niet precies wat er dan mis zou gaan, maar dát er dingen mis zouden gaan, daarover bestond geen twijfel. Het was meer de vraag of er wel dingen goed zouden gaan. Waarschijnlijk zou het erop uitdraaien dat ik het huis werd uitgegooid. Maar gelukkig hadden we daarna altijd elkaar nog. Hoewel het niet altijd even makkelijk zou zijn. “Heb je zin om naar de kermis te gaan, Robert?” “Nee ik wil dood.” Activiteiten blíjven aanbieden zou dan het devies zijn.

En dan nu: negen andere mannen uit mijn jeugd, die op de een of andere manier hun sporen hebben nagelaten – of ik dat nou wilde of niet.

WEIRDO: Swiebertje
Landloper. Lowlife. Zou nu een DSM-5-diagnose hebben, iets met problemen op het gebied van de impulsbeheersing. Swiebertje werd omringd door een aantal personen waarvan je pas als volwassene ziet dat het allegorieën zijn. De goudeerlijke keukenmeid, de deftige burgemeester, de boze veldwachter – geen cliché was te gek voor de jaren zeventig. Als kind had je geen idee. Je was dol op Swiebertje, gewoon omdat het de Swiebert was. Nu moet ik erbij zeggen dat ik altijd wel hoopte dat Swiebertje gewoon eens een keer normaal zou gaan doen. En bijvoorbeeld een sociale huurwoning zou accepteren. Nope.

 

CREEP NEXT DOOR: Rick Astley
Zeg nooit: Ashley. De knappe boy-next-door slash ideale schoonzoon met het welluidende stemgeluid. Bij uitstek een nétte jongen ook – en een beetje een melkmuil maar dit zeg ik met liefde. Had een paar hitjes maar is vooral beroemd geworden met ‘Never gonna give you up’. Dat zal ook aan de lyrics van het nummer hebben gelegen, waarin minimaal zeven oprechte intenties omtrent eeuwige liefde zaten. Ik geef het nooit op met je. Ik stel je nooit teleur. Ik zal je nooit verlaten. Nooit aan het huilen maken. Et cetera. Stukje context: we schreven de jaren tachtig, inclusief die vermaledijde Tweede Feministische Golf. Rick Astley was er het levende bewijs van dat ook mannen wel degelijk een stukje gevoelsgebeuren openlijk durfden te uiten. Wat zeg je, Rick? I just wanna tell you how I’m feeling? Snap ik, snap ik, jouw kant is óók belangrijk.
Als jong meisje kon ik deze onvoorwaardelijke overgave wel waarderen. Maar nu, als oude vrouw, denk ik: potverdomme jongeman, dat ís nogal wat, wat je daar allemaal zegt. Laten we wel wezen: wie wil er nou een man die, al voordat je überhaupt getongd hebt, roept dat hij je nooit zal verlaten, nooit zal opgeven et cetera? Hoe weet je zoiets van tevoren man?! Ik krijg geen adem Rick! Creep-alert.

 

HORROR-MAN: Erik Engerd
Een oom van mij zat in een inrichting en zo kwam het dat ik zo’n beetje opgroeide met ijzingwekkende kreten vanachter dikke dichte deuren, verwilderde blikken van verwilderde mannen en blote piemels die me tegemoet renden. Toch lag ik hier als zesjarige geen seconde van wakker. Nee, er waren in mijn vroegste jeugd maar drie dingen waar ik écht bang voor was: God, de valse herder van de overburen en natuurlijk Erik Engerd uit de Stratemaker op Zee Show. Ik keek elke uitzending met een van ontzetting voor de mond geslagen hand. Ik zweer het: alle malloten die ik kende uit de inrichting verbleekten bij Erik Engerd. Dus dan moet hij wel serieus eng zijn geweest. Nog steeds schrik ik soms ’s nachts wakker. Superbedankt, Joost Prinsen.

 

KAUWGOMPUBER: John Travolta
Also known as Danny Zuko uit Grease. Stoere bink die tijdens de schoolvakantie de maagdelijke Sandy opduikelt maar net doet of hij gek is als blijkt dat ze op dezelfde high school als hij zit. Wát een eikel. Of nou ja, een beetje een druiloor. Of eigenlijk een best wel guitig jong. Oké let’s face it, echt een lekker stuk, zoals wij dat in die tijd noemden. En onder ons gezegd en gezwegen: zelf vond ik de havo óók nogal lastig, qua peer pressure.
Het punt was: Danny was in de aard der zaak wel een gevoelige jongen, maar veel te cool om daar iets mee te kunnen. Ja, láter misschien, zo verraadt zijn met gebroken stem gezongen nummer Sandy (“when hi-igh school is done”) maar nu dus even niet. Op het gebied van karakterontwikkeling gebeurde er met Danny Zuko dus niet veel in Grease. Danny was wie hij was en dat was nou eenmaal Danny. Gelukkig zijn vrouwenidentiteiten van oudsher een stuk meer fluïde. Na enig gelamenteer en een hele hoop tranen stak zijn tegenspeelster (Olivia Newton-John) zich in het leer en een sigaret op. Ja, je bent hopelessly devoted of niet, natuurlijk. En zo kwam alles toch nog goed.
Ik heb me wel eens afgevraagd hoe het met Danny en Sandy zou aflopen, na de aftiteling bedoel ik. Het antwoord is: niet goed. Komt door het einde van Grease. Een volwassen Danny had die kauwgom kauwende hoer even goedkeurend van top tot teen bekeken maar direct daarna gezegd: “Hé moppie, dit hoef je allemaal niet te doen, trek gerust je gele plooirok aan, je bent namelijk goed zoals je bent.” Maar Danny grijnsde alleen maar verlekkerd. Wat een eikel. Ik ga ervanuit dat Sandy, na een jaar zichzelf verloochenen, Danny uit het raam heeft gegooid. Morsdood.
Oh wacht, we hadden het over John Travolta. Nou, die leeft zélf nog wel.

 

WIJZE MAN: Meneer de Uil
Dag lieve kijkbuiskinderen, ik weet niet hoe het jullie verging maar er was in de Fabeltjeskrant maar één personage dat ik echt serieus nam en dat was Meneer de Uil. Hij mengde zich niet in de waan van de dag maar bezag als een wijze commentator de gebeurtenissen in het dierenbos. Spannendste moment van de dag: als meneer De Uil het gekrakeel samenvatte en het slotwoord sprak: “Oogjes dicht en snaveltjes toe. Slaap lekker.” Dan was het wachten op de knipoog. En daarna moest je naar bed. “Maar hij heeft niet geknipoogd!” “Jawel.” “Niet.” “Jawel, en slapen nu.” Dus dat deed je dan, want onderhandelen met je ouders zou pas jaren later in de mode komen.
Je wist het nog niet, maar vanaf de Fabeltjeskrant zou je leven alleen maar complexer worden. Had je als kleuter geweten hóe oneindig veel complexer, dan had je misschien wel geprobeerd jezelf te elektrocuteren met de droogkap van je moeder. Maar ja, je was vier en je had geen idee of zoiets technisch mogelijk was.

 

OERVADER: Charles Ingalls
Plaats van handeling: een klein huis, op een prairie. Charles Ingalls werd gespeeld door de sympathieke Michael Landon, die ons veel te vroeg is ontvallen. De oervader der oervaders. Met halflang golvend haar en opvoedende skills waar professionals nog een puntje aan kunnen zuigen: liefdevol, communicatief en een moreel besef waar je jezus christus tegen zegt. Maar het állerbelangrijkst: hij was niet bang om te huilen. Wat zeg ik: van de tranen van Charles Ingalls had men die hele prairie tot een golfslagbad kunnen ombouwen. Dat sommige mannen niet minder man worden van een beetje water uit de ogen, daarvan is Pa Ingalls het levende bewijs. Of nou ja, het dode dus. Jammer, want na Charles Ingalls is er nooit een betere oervader gekomen.

 

ANITHELD: Calimero
Tekenfilm-antiheldkuiken. Niet echt een oerman, want Calimero is vooral bekend van het zielige “Want zij zijn groot en ik is klein en da’s niet eerlijk, oh nee.” En hoewel je soms dacht: OMG grow úp Calimero – ergens was er wel vaak een stuk herkenning. Ik had zelf ook wel eens het gevoel dat de hele wereld tegen me was en dit bleek inderdaad vaak zo te zijn. Maar zielig doen was er niet bij, ik was de oudste thuis en moest altijd overal boven staan, dus ik heb eigenlijk geleerd om de Calimero in mezelf weg te st… oké terug naar Calimero zelf. Die is in zijn eentje verantwoordelijk voor een heuse aandoening: het Calimero Complex, de angst om niet serieus te worden genomen. Schitterend! En als je zoiets voor elkaar krijgt, dan ben je dus eigenlijk een hele grote Calimero.

 

KNAPPE GOEDZAK: Bobby Ewing
De hunk in Dallas. Man van de rondborstige Pamela Ewing met wie hij een respectvolle, communicatieve snurkrelatie had. Bobby Ewing werd aan álle kanten belazerd en de meeste shots waarin hij te zien is, bevatten dan ook een gepijnigde Bobby-blik. Zat zo: Bobby had een goed hart en kon zich maar moeilijk voorstellen dat andere mensen bijvoorbeeld niet eens in het bezit waren van een hart. Terwijl hij toch was opgegroeid met zijn evil brother JR en beter had kunnen weten. Enfin, ik was sowieso Team Bobby, vooral wegens zijn schattige goedzakkerigheid. Precies het type man met wie ik later zou gaan trouwen. De liefde werd iets minder toen Bobby in de serie doodging, maar wegens de daarna instortende kijkcijfers weer tot leven moest worden gewekt. Het was al die tijd… een droom geweest! Ja doei. Nooit meer goed gekomen.

 

TOI TOI TOI-oom: Ted de Braak
Type: de iets te luidruchtige oom die wel altijd vraagt hoe het op school gaat maar nooit luistert naar het antwoord. Toch is het altijd wel gezellig om in elk geval één zo’n oom in de familie te hebben. Ted de Braak presenteerde vooral ‘familiespelshows’ (óók NCRV!) en die waren exact zo truttig als het woord suggereert. Dit gezegd hebbende: het stokvangen! Ze-nuw-slopend! Verder waren de shows vooral pijnlijk-vertederend, zeker bezien vanuit het jaar onzes heren 2014. “Wat is de eindstand Mariëtte?” “Negenenzeuventig gulden en vierenveertig cent.” “ En wat hebben zij NIET gewonnen, Mariëtte? “Deze werkelijk unieke muntenverzameling.” Een múntenverzameling. Als je zoiets anno 2014 in je prijzenpakket stopt, krijg je als presentator een knal voor je harses. Wat zijn we toch verrot geworden.

Dit artikel stond op 8 november 2014 in Volkskrant Magazine