Kantoortuin

Waar is de ingang? Die is er niet, het ene moment ben je nog op de gang, het andere moment niet meer. De enige markering is de vloerbedekking – op de gang gemêleerd bruingrijs, in de kantoortuin gemêleerd grijsbruin. ‘Sowieso iets gemêleerds,’ zal de Facilitaire Dienst hebben besloten. Een logische keuze; op gemêleerde ondergronden zie je niet wat er allemaal op is gevallen. Broodkruimels. Koffie. Bloed, zweet, tranen. Niets vind je er later van terug, elke dag is een nieuw begin.
Bij gebrek aan een deurpost leun ik tegen Jo aan. Er zijn bureautafels zo ver als het oog reikt. We zijn aarzelend blijven staan, als kinderen aan de rand van het diepe deel van het zwembad. Ik heb sterk het idee dat alles wat wij tot dusverre hebben gedaan kinderspel is. Een pierenbadje, waarin je nog wegkwam met je geproest en gehijg en met het wilde maaien van je armen. Maar dit is het diepe en hier is het water onpeilbaar. Je kunt niets anders dan eerbied hebben. Of laat ik zeggen: angst. En dan nog ál dat geluid dat wordt weerkaatst.
‘Hoe heet de koning van Wezel?’ fluistert Jo.
‘Ezel, ezel,’ fluister ik.
Het woord ‘tuin’ is niet logisch. Niets lijkt op een tuin. Misschien nog het meest op een stadstuin – en dat de mensen van het huis hebben besloten hem geheel te betegelen. Her en der een pot met wat levende natuur erin, als een soort bronverwijzing. De enige plant die ik hier vooralsnog zie, staat ontworteld tegen een muur gedrukt. Ik bedoel dit niet poëtisch, hij is van een andere plek getrokken om hier zijn werk te doen. Je kunt dat zien aan de pot die gemêleerd groengrijs van kleur is. Dat zijn de kleuren van Gebouw Vier. Daar wil duidelijk niks groeien. Misschien is de plant wel zelf vertrokken, lord knows dat ik het zou doen.
We doen een stap naar voren. Als een muur komt het gekwetter op ons af, het vliegt over ons heen, het pikt in onze oren, het gaat achter ons zitten en stijgt weer op. Dus dat het hier in niets op een tuin lijkt, dat moet ik even terugnemen.

Dit stukje staat, met nog zo’n tachtig andere stukjes, in mijn boek Kantoorleven (scènes tussen 9 en 5). Het ligt in de winkel en je kunt het bestellen bij bol.com.

Dood.

Haar moeder is dit weekend doodgegaan, de bureaustoel van de dochter is leeg. Op haar bureau ligt van alles waarmee ze voor het weekend bezig was, in de veronderstelling dat ze hier maandag gewoon weer zou zijn. Zo lijkt ook zij plots uit het leven weggerukt. Zullen we namens ons allen een kaart? Ja, natuurlijk zullen we dat.
Als de kaart is geschreven, geadresseerd en naar de postkamer is gebracht, hangt de dood nog tussen ons in. Wij kennen de moeder niet, maar we kennen wel moeders. Of vaders. Andere dode mensen. Zelf zijn we ook dochters. Het duurt niet heel lang voordat het weer gewoon over ons gaat.
Na anderhalve week keert ze terug. Haar ogen zijn dof, haar haar is dof, haar stem is dof. Ze vertelt, ze snapt dat het moet, ze houdt het even kort, oké?
Nu ze haar eigen zakelijke stem de woorden hoort zeggen en onze meelevende gezichten ziet, dringt tot haar door wie ze is: de collega met de dode moeder. Nog een nieuwe dimensie aan dit leed dat op zich al groot genoeg was. Haar stem trilt. Haar ogen zijn groot als die van een vis, ze durft niet te knipperen.
De rest van de dag letten we erop dat we niet steeds een bekommerde lage stem opzetten. Niemand begint ook meer over zijn eigen dood. Veel van het zwijgen over de dood is niet uit botheid of ongemak maar uit voorkomendheid. De angst om iemand uit een net verworven, broos evenwicht te halen.
‘Hier, een bakkie,’ zeg ik, en ik slik het woord ‘troost’ net in. Al haar spullen liggen nog net zo op haar bureau als die ochtend. Ze veegt ze naar links om ruimte te maken voor de koffie, een paar A4’tjes dwarrelen veel te vrolijk naar de vloer.

Deze column staat, met nog zo’n tachtig andere stukjes, in mijn boek Kantoorleven (scènes tussen 9 en 5). Het ligt in de winkel en je kunt het bestellen bij bol.com. 

#kantoorleven, the slideshow

Deze diashow vereist JavaScript.

Hij ligt in de winkel!

Van de achterflap: “In Kantoorleven beschrijft Jacq. Veldman op tragikomische en zeer herkenbare wijze hoe mensen zich tot elkaar verhouden in de sociale arena die kantoor heet. De stilzwijgende gevechten over het raam dat open of dicht moet, collega’s die geen maat weten te houden in de groepsapp, de jaarlijks terugkerende teleurstelling bij het openen van het kerstpakket en hoe je per ongeluk gemotiveerd kunt raken door een motivational speech van je manager.
In korte scenes belicht Jacq. Veldman het dagelijkse kantoorbestaan op een willekeurig kantoor, waar iedereen er voortdurend het beste van probeert te maken – vaak met rampzalige gevolgen.
Een boek voor iedereen met collega’s.”

WELL, buy this bookie, geef het aan je collega, aan je baas, of hou het gewoon lekker zelf. Veel plezier