Dood.

Haar moeder is dit weekend doodgegaan, de bureaustoel van de dochter is leeg. Op haar bureau ligt van alles waarmee ze voor het weekend bezig was, in de veronderstelling dat ze hier maandag gewoon weer zou zijn. Zo lijkt ook zij plots uit het leven weggerukt. Zullen we namens ons allen een kaart? Ja, natuurlijk zullen we dat.
Als de kaart is geschreven, geadresseerd en naar de postkamer is gebracht, hangt de dood nog tussen ons in. Wij kennen de moeder niet, maar we kennen wel moeders. Of vaders. Andere dode mensen. Zelf zijn we ook dochters. Het duurt niet heel lang voordat het weer gewoon over ons gaat.
Na anderhalve week keert ze terug. Haar ogen zijn dof, haar haar is dof, haar stem is dof. Ze vertelt, ze snapt dat het moet, ze houdt het even kort, oké?
Nu ze haar eigen zakelijke stem de woorden hoort zeggen en onze meelevende gezichten ziet, dringt tot haar door wie ze is: de collega met de dode moeder. Nog een nieuwe dimensie aan dit leed dat op zich al groot genoeg was. Haar stem trilt. Haar ogen zijn groot als die van een vis, ze durft niet te knipperen.
De rest van de dag letten we erop dat we niet steeds een bekommerde lage stem opzetten. Niemand begint ook meer over zijn eigen dood. Veel van het zwijgen over de dood is niet uit botheid of ongemak maar uit voorkomendheid. De angst om iemand uit een net verworven, broos evenwicht te halen.
‘Hier, een bakkie,’ zeg ik, en ik slik het woord ‘troost’ net in. Al haar spullen liggen nog net zo op haar bureau als die ochtend. Ze veegt ze naar links om ruimte te maken voor de koffie, een paar A4’tjes dwarrelen veel te vrolijk naar de vloer.

Deze column staat, met nog zo’n tachtig andere stukjes, in mijn boek Kantoorleven (scènes tussen 9 en 5). Het ligt in de winkel en je kunt het bestellen bij bol.com. 

#kantoorleven, the slideshow

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Hij ligt in de winkel!

Van de achterflap: “In Kantoorleven beschrijft Jacq. Veldman op tragikomische en zeer herkenbare wijze hoe mensen zich tot elkaar verhouden in de sociale arena die kantoor heet. De stilzwijgende gevechten over het raam dat open of dicht moet, collega’s die geen maat weten te houden in de groepsapp, de jaarlijks terugkerende teleurstelling bij het openen van het kerstpakket en hoe je per ongeluk gemotiveerd kunt raken door een motivational speech van je manager.
In korte scenes belicht Jacq. Veldman het dagelijkse kantoorbestaan op een willekeurig kantoor, waar iedereen er voortdurend het beste van probeert te maken – vaak met rampzalige gevolgen.
Een boek voor iedereen met collega’s.”

WELL, buy this bookie, geef het aan je collega, aan je baas, of hou het gewoon lekker zelf. Veel plezier

stagiaire

Ik kom zo op de stagiaire. Ooit werkte ik op een kantoor zoals het kantoor oorspronkelijk in de bijbel bedoeld was: de mannen zaten in een aparte kamer en kregen mappen aangereikt door de vrouwen, waarna de mannen daarop hun stempel zetten, waarna de vrouwen de map weer meenamen. Het was een overzichtelijke wereld, waarin maar weinig fout kon gaan – hoewel, soms gaf je de verkeerde map aan de verkeerde man en kreeg je een hartstilstand.
Door de vrouwen werd veel gegiecheld, voornamelijk vanwege de meest toeschietelijke der mannen die ongeveer om het uur seksueel getinte opmerkingen kwam maken. Ik vond het walgelijk maar was op een duistere manier ook gevleid, hetgeen me dan weer met walging vervulde. Zo was elke dag een aaneenschakeling van diverse emoties die elkaar op de hielen zaten, soms inhaalden en dan rollend over de vloer gingen.
Nu kom ik bij de stagiaire. Het betrof een wat onbeduidende adolescente die je vrijwel uitsluitend kon herkennen aan haar bril met de zware glazen. Min twaalf. De stagiaire woonde bij haar vader en moeder, in het huis mocht nooit ook maar een stoel worden verschoven, want anders zou ze er ‘s nachts als ze eruit moest om te plassen wellicht over struikelen.
Dit is nu zeker twintig jaar geleden. Nu komt het. Ik denk élke nacht aan de stagiaire. Als ik er uitga om te plassen en op de tast mijn weg vind, zweeft ze voor me. Zodra ik het licht aan knip en op de plee zak, duwt ze haar bril omhoog op haar neusbrug. Elke nacht. Het maakt me woest, ik begrijp niet wat de stagiaire in mijn geheugen doet. Ik heb haar niet eens echt gekend, ze was er maar drie maanden, ze borg de mappen op en dat was dat. En lord knows dat er in mijn leven wel ándere zaken de moeite van het onthouden waard zijn – hoewel ik daar nu zo gauw niet op kan komen.

Deze column stond op 3 juni 2018 in Volkskrant Magazine

lachen

Eén keer moesten we zó hard lachen dat onze kamerdeur vanuit de gang werd dicht gesmeten. Een paar seconden keken we elkaar aan, onze ogen groot van de schrik, daarna klapten we voorover op onze bureaus met een nerveuze proestlach uit de tijd van Joop ter Heul.
Ja, het was een mooi en schaterrijk leven, ik voel nóg hoe we onze borstkassen volzogen om de lucht daarna hortend en stotend naar buiten te persen, de opengesperde monden gericht naar de hemel. Het was als drugs. Het lachen heelde alle aanwezige pijntjes en pijnen, legde een zacht dekentje over alles wat koud en kantorig was. Wenkbrauwen: ontfronst. Het onverklaarbare brok in de keel: weg. Voortdurend waren we achter adem, de hand opgeheven naar de ander, als om te zeggen: stop, alsjeblieft stop. Wat we bedoelden was: stop niet en maak me nog eens aan het lachen en dat deden we en er was geen wolkje aan de lucht of wat klets ik, natúúrlijk waren er wolken aan de lucht. Nimmer kregen wij nog een taak af. Ik hoorde de mails wel binnen plingen maar ik had meer zin om te lachen dan om te mailen. Zij zou een notitie schrijven maar kwam nooit verder dan ‘Inleiding’.
Een stoelendans redde ons van een gewis ontslag. “Goeiemorgen”, zeg ik nu als ik binnenkom. “Ja”, zegt mijn nieuwe collega en dat is het eerste en het laatste dat hij die dag tegen mij zal zeggen. Wel praat hij tegen zijn computer – zoals je tegen je partner praat in de nadagen van de relatie, waarin je bij alles teemt: “Oh ja, en waaróm precies zou ik dat doen??”
Háár zie nog wel eens lopen. Flauw steken we een arm op. Ze oogt al net zo pafferig als ik, de blik naar binnen gekeerd. Het is alsof we zijn ontmanteld, gesloopt, van onze batterij ontdaan.
We verzetten trouwens wél veel meer werk voor de firma.

Deze column stond op zaterdag 5 mei in Volkskrant Magazine

pijnpunt

 

Mijn collega S. was somber. Ze was naar personeelszaken gegaan om een simpele salarisvraag te stellen. Men had haar raar aangekeken. Ze had de vraag opnieuw gesteld, nu in iets andere bewoordingen omdat bij sommige zaken de formulering gevoelig ligt – of, anders gezegd, nauw luistert. Men had haar opnieuw raar aangekeken. Toen ze de vraag voor de derde keer stelde, had de medewerker een korte stilte laten vallen en daarna gezegd: “Zeg S., waar zit precies je pijnpunt?” Collega S. had niets gezegd, zich omgedraaid, in de kantine vier gevulde koeken gekocht en deze achter elkaar opgegeten.

Ik moest bijna lachen maar dit was onmogelijk, want zelf was ik ook somber. Bij het opstaan die ochtend had ik gemeend dat ik mijn kat een top 40-nummer hoorde neuriën, maar bij nadere bestudering bleek het de buurvrouw te zijn. Je wereld stort toch even in – zelfs eenmaal op de fiets gezeten had ik maar moeilijk afscheid kunnen nemen van de zee aan mogelijkheden die zich in die ene geweldige minuut voor mij had uitgestrekt.

Op Kantoor hadden vergadertijgers mijn wankelheid van geest direct opgemerkt en me meegesleept naar hun favoriete hobby: een vergadering dus. De enige andere aanwezige vrouw, een vlinderig type, deelde roomboterspritsen uit. Ze trok een hoofd van: ja, ík heb tenminste spritsen bij me. Gretig hapten de mannen. Een uitdaging werd gepresenteerd, één vergadertijger opperde een oplossing, de andere vergadertijgers knikten enthousiast. Vermoedelijk zou de oplossing mislukken, dacht ik, en zou deze mislukking later als uitdaging in een nieuwe vergadering worden gepresenteerd. Toen ik erop doordacht vond ik het de opvatting van een oude, gedesillusioneerde, spritsloze vrouw. Daarna had ik aan mijn kat gedacht en waarom ze verdomme niet gewoon bijzonder kon zijn.

Collega S. staarde somber uit het raam. “Ik heb eigenlijk wel zin in koffie met een pijnpunt”, zei ik, om de sjeu er weer wat in te krijgen. Maar collega S. krómp ineen. Dus ik was net iets te vroeg waarschijnlijk.

Deze column stond op 20 januari 2018 in Volkskrant Magazine

dictatuur

Nu dát weer, in mijn digitale agenda waren ineens hele dagen geblokkeerd met seminars en congressen. “Ik… kan me niet herinneren dat ik me daarvoor ingeschreven heb”, zei ik voorzichtig. In zaken van het geheugen doe ik tegenwoordig geen enkele stellige uitspraak meer. Het zou niet de eerste keer zijn dat ik in een later stadium met bewijsstukken werd gestenigd en mijn excuses moest aanbieden, hierin heb ik eigenlijk nooit zin.

“Ik heb hier een congres over projectmanagement”, zei mijn collega, die het woord uitspuwde zoals mensen een insect uitspuwen dat tijdens een fietstocht hun mond in is gevlogen. Tijdens het fietsen kun je dan ook beter je mond dichthouden. “Ik ook”, zei mijn andere collega. “Ik óók!”, riep ik ontzet. “Van hogerhand in onze agenda gezet dus”, zei de collega die meestal gelijk heeft.

Ik vroeg me af of wij soms in een dictatuur waren beland waarin onze bazen geheel en al bepaalden wat wij deden. Terwijl, de afspraak is dat wij zélf onze werkdagen regisseren volgens een nou ja wel een zeker stramien natuurlijk want anders wordt het een zooitje. Maar: het stramien is naar eigen keuze in te vullen. Tuurlijk, maak je de verkeerde keuze, dan krijg je een gesprek. Maak je nog een keer de verkeerde keuze, krijg je nog een keer een gesprek. Wat er daarna gebeurt, weet niemand. Ja, de mensen die het is overkomen, zíj weten het. Maar die zien wij dan nooit meer.

Maar dit, dit was van een totaal andere orde! In mij begon het te borrelen en te kolken – dermate zelfs dat ik me afvroeg of het misschien proletarische woede kon zijn, het type dus dat zomaar kon leiden tot revolutie en het omverwerpen van de staat of om mee te beginnen ons Kantoor dan. “Even tussendoor, als ik het goed heb, is er mosterdsoep vandaag”, zei de collega die meestal gelijk heeft. Ik begon te rennen. Ik lééf voor mosterdsoep en ze geven het ons maar weinig. Zo blijft het natuurlijk ook bijzonder. Maar tegen de tijd dat ik in de kantine kwam, was de mosterdsoep op en vervangen door kippensoep. Ik had van teleurstelling zo in één beweging die hele soepstellage omver willen werpen, net als Jezus in de tempel. Maar ik wist me te bedwingen. Ik hád al een keer een gesprek gehad – of waren het er al twee? Dat bedoel ik, met mijn geheugen ben je nergens ooit zeker van.

Deze aflevering van de reeks #kantoorleven stond op 9 december 2017 in Volkskrant Magazine

lucht

“Oh, het maakt míj niet uit hoor”, zei mijn vrouwelijke collega. Het ging erom wie wáár zou komen te zitten in onze nieuwe werkkamer. “Oh míj maakt het ook niet uit”, zei ik op mijn beurt. “Nee mij dus ook totáál niet”, zei mijn collega op haar beurt. “Idem hier dus exact van hetzelfde”, zei ik op mijn beurt. Toen waren de beurten zo’n beetje op. Ik kuchte, mijn collega snoof. Wij staarden elkaar met één oog vriendelijk aan maar met het andere loerden wij de werkruimte rond, op zoek naar de beste plek en naar hoe wij, zonder dat iemand ons ervan zou kunnen beschuldigen dat wij voor onszelf het beste wilden, tóch het beste voor onszelf zouden krijgen.

Na een half uur ploften we allebei doodop ergens neer. Mijn collega prikte haar prikbord vol met aanstootgevende ansichten van jonge poesjes en begon zachtjes zingend haar nietmachines te sorteren. Ikzelf was na het neerploffen min of meer verstard blijven zitten. Want tot mij was iets doorgedrongen: het enige raam dat open kon, bevond zich aan háár zijde. Het raam stond een beetje open. Een milde tochtstroom liet de lamellen bewegen, raakte het puntje van mijn neus en sloeg toen resoluut linksaf. Hoe had ik dit in godsnaam over het hoofd kunnen zien?! ik lééf op zuurstof. Ik gedij op frisse lucht, desnoods in de vorm van gemeen koude tochtvlagen. Verder heb ik graag het idee dat ik me bij nood zo uit het raam zou kunnen laten vallen.

Ik kreeg haast geen lucht. “Ik vind het wel wat frisjes”, zei mijn collega en ze maakte aanstalten het raam te sluiten. “Come on, het is 43 graden of zo”, snauwde ik. “Ik trek anders wel een vestje aan”, zei mijn collega. Ze huiverde licht en keek alsof ze gemakkelijk door een longontsteking geveld zou kunnen worden. Dit vond ik ook weer zielig, straks ging ze eraan dood en dan had ik het weer gedaan.

“Doe het raam maar een beetje dicht dan”, zei ik knarsetandend. “Hoeft niet per se hoor”, zei mijn collega. “Nee doe maar”, zei ik. “Het maakt mij verder niet uit hoor”, zei mijn collega en ze schoof het raam zo goed als dicht. “Mij ook niet hoor”, probeerde ik eruit te persen. Maar daarvoor had ik helaas geen lucht meer.

Deze column stond op 30 september 2017 in Volkskrant Magazine

activiteitenplan

“Ik zie dat je het personeelsevaluatieformulier niet hebt ingevuld”, zei mijn baas, een vriendelijke veertiger met een wat verbaasde gezichtsuitdrukking – alsof hij per ongeluk op zijn functie was beland. Dit gebeurt natuurlijk wel eens. Hij sloeg zijn linkerbeen over zijn rechter. Ik sloeg ook mijn linkerbeen over mijn rechter. Kort voelde ik enige walging, daarna vergaf ik mezelf. Je moet zien dat je jezelf te vriend houdt. “Niet heb ingevuld?”, zei ik. Ik had de dag ervoor mijn ene collega gevraagd of zij wist wat ik moest invullen bij vraag één: in hoeverre hebt u bijgedragen aan het activiteitenplan van ons domein. Ze had gezegd: “Welk activiteitenplan?” Ik had het mijn andere collega gevraagd. Hij had gezegd: “Ons doméin??” Dus toen had ik het direct alweer hélemaal gehad met het formulier – en het er verder maar bij laten zitten.

Mijn baas haalde zijn linkerbeen van zijn rechter. Ik klemde mijn linkerbeen om mijn rechter, het deed nog zeer ook. “Zal ik je even op mijn tablet laten zien waar je het activiteitenplan kunt vinden”, zei mijn baas. “Nee”, fluisterde ik. De baas liet het me zien op zijn tablet. Daarna keek hij op de klok. “Hoe vind je zelf dat het gaat”, zei hij. Ik staarde door de vissenkom heen naar onze personeelsruimte. Lachende collega’s liepen af en aan, staken de hand op of sloegen elkaar op de schouder. Kortgeleden was ik zelf ook nog zo iemand geweest en nu zat ik hier. Hoe vond ik zelf dat het ging? Het punt is: je ziet jezelf als optelsom van goede bedoelingen maar: verrotte jeugd, slecht geslapen, spiertje verrekt en nog geen koffie gehad. En soms slaap je goed, maar heb je wel een spier verrekt. Jeugd blijkt onverhoopt mee te vallen – desalniettemin slecht geslapen. Komt bij: je huisdieren vechten elkaar de tent uit terwijl het allemaal bedoeld was als een idyllisch huishouden waarin vredelievende dieren ook een rol spelen. En dan dat spiertje nog.

De baas kuchte. Ik moest zien dat ik dit samenvatte. “Oh, volgens mij gaat het prima”, zei ik. Ik knikte nadrukkelijk. “Hélemaal lekker.” Mijn baas keek verbaasd. Maar goed, dat is nu eenmaal zijn standaardgezicht.

Deze column stond op 2 september 2017 in Volkskrant Magazine