BZV liefdesalfabet

Natuurlijk, het woord Verliefd moet hónderden keren zijn gevallen in de afgelopen acht seizoenen Boer Zoekt Vrouw. Net als Citytrip. Tractor. Mensenmens. Een Stukkie Warmte. Maar los van deze usual suspects durf ik er mijn hand voor in het vuur te steken dat er één term is die het állermeest is gebruikt: Mezelf Zijn. Of, als het over iemand anders ging: Jezelf Zijn.

Klein puntje: het ‘zelf’ is zo ongeveer het wazigste concept dat er bestaat. Soms is het een soort extra personage waarbij je in de buurt moet zien te blijven (“Ja ik ben heel dicht bij mezelf gebleven”) of zien te komen (“Ik kom steeds dichter bij mezelf.). Soms verwijst het naar een situatie van totaal welbevinden: “Ik kon mezelf zijn bij haar.” Maar de boer die zijn logé verweet: “Ik zou willen dat je wat meer jezélf bent”, bedoelde eigenlijk dat ze juist een ánder persoon had moeten zijn. Want zijn logé, die zich verdedigde met dat ze “hard heeft geprobeerd mezelf te zijn, maar ik ben gewoon altijd verlegen in het begin”, wás feitelijk al zichzelf met al haar gebloos – en heeft dus vooral geprobeerd mínder zichzelf te worden.

Moerassig gebiedje kortom, dat jezelf zijn. Toch evalueren alle Boer zoekt Vrouw-deelnemers zichzelf in deze termen bij voortduring helemaal kapot, hiertoe al dan niet aangezet door gevoelsdictator Yvon Jaspers. En, probleemterm of niet, iedereen weet er raad mee. Nog nooit heeft iemand Yvon besmuikt gevraagd wat ze er precies mee bedoelde, met dat jezelf zijn. Of terug geschreeuwd dat hij geen idéé heeft wíe hij zelf is – want dat is óók al zo’n drijfzanddingetje natuurlijk. Nee, je kunt er als deelnemer aan Boer Zoekt Vrouw maar beter iets over te melden hebben – en het maakt dus eigenlijk niet uit wát precies.

De preoccupatie met het diepste zelf in de zoektocht naar een gelukkig leven met een ander maakt direct weer even duidelijk wat het grootste verschil tussen Boer Zoekt Vrouw en de rest van de westerse wereld is: dat er weilanden bij betrokken zijn, met authentiek groen gras en authentiek zwartwit geblokte koeien. Verder verschilt Boer Zoekt Vrouw niet zo gek veel van het liefdesdiscours van de rest van de westerse wereld. Dus ook in seizoen 9 kijken we gewoon weer naar, enfin, onszelf.

 Nóg vier veelgehoorde termen uit Boer Zoekt Vrouw – en wat ze eigenlijk betekenen.

De Klik

Met stip op twee. Populairder dan de vonk, maar dat is logisch: geen enkele boer is gebaat bij affikkende hooizolders. De klik is een donders prozaïsch woord maar heeft vérstrekkende superpowers: het is immers de mogelijke opmaat tot levenslang liefdesgeluk. Het is wel een ráár ding; hij ís er namelijk (“Ja ik heb gewoon een klik”), of hij is er niet (“Ja nee, er is geen klik”) en daar helpt dus geen lieve vader of moeder aan. In die zin vormt hij ook een ideale afwijzingsstrategie: er valt immers niks tegenin te brengen en je kunt iemand moeilijk net zo lang in de zij prikken totdat er wél een klik is. Hoewel er in Boer Zoekt Vrouw minstens één boer is geweest die halsstarrig volhield: “Ik voel wel een klik. Van mijn kant dan.”

De initiële kliks zijn gebaseerd op de gebruikelijke onzinnigheden. Een knipoog, een zoen die verdwaalt in een oor, een net iets te lang oogcontact – alle dingen die in het gewone leven aanleiding kunnen zijn om even een andere treincoupé op te zoeken, zijn in datingsituaties als Boer Zoekt Vrouw de ingrediënten voor een klik van jewelste. Toch leert de geschiedenis van het programma dat de échte klik een best zakelijke optelsom der dingen is. De andere twee logeetjes blijken niet van gekookte aardappels te houden. Zij is al over een jaar klaar met haar studie. Er blijkt een gedeelde passie qua Rummikub. Evenzogoed zal het liefdespaar in kwestie dan toch altijd doen alsof de klik er op magische wijze vanaf het prilste begin al was – we maken allemaal graag een mooi verhaal van ons stotterende leven. Maar vergis je niet: het geluk in BZV gaat vooral over compatibiliteit en bestendigheid. Kun je jaar in, jaar uit samen in de stal staan zonder elkaar fysically, emotionally en spiritually helemaal kapot te maken? Is het antwoord ja, dan heb je dus: een klik.

Rugzakje

Ergens hoop je dat als een boer het over een rugzakje heeft, dat hij het dan over, enfin, een rugzakje heeft. Paar boterhammen met kaas erin, blikje sinas en hatsee, stukje kuieren maar. Maar nee. De rugzak is overdrachtelijk bedoeld. Als je relatietechnisch al wat langer meeloopt, dan “heb je gewoon een rugzakje”, gevuld met krenkingen en kwetsuren die je hebt opgelopen in het leven dat achter je ligt. Of juist geen énkele krenking, als je die boer bent die nog nooit een meisje heeft gehad. En dat is dan weer een krenking op zich.

Het rugzakje heeft duidelijk zijn oorsprong in de therapiewereld en is via het zelfhulpcircuit geruisloos in het dagelijkse (dating)spraakgebruik verzeild geraakt. Het is een belangrijk woord voor geliefden in spé. Het benoemen van je rugzakje wekt vertrouwen in een prille liefdessituatie. Het laat zien dat je beschikt over introspectie en zelfreflectie – dat je naar jezélf kunt kijken dus. En puur het feit dat de rugzakdrager besef heeft van zijn rugzakje zorgt voor geduld en begrip bij de ander. Opdat partner één er niet direct de brui aan geeft als partner twee eens een op onlogische momenten begint te schelden, in huilen uitbarst of relatief onschuldige geitjes knijpt. Komt ja gewoon door z’n rugzakje! Uiteindelijk is het wel de bedoeling dat je ook iets dóet met je rugzakje, want die bagage uit je verleden moet je natuurlijk wel “een plekje geven”. Meestal blijft dat plekje gewoon het rugzakje zelf, maar dat weet de ander aan het begin van de relatie gelukkig nog niet.

Overigens kán het natuurlijk zijn dat de boer het onverhoopt toch over een échte rugzak had. En kom dan nog maar eens weg van die boerderij in een land ver van hier. Tip: Google Maps.

Spontaan

Seksistisch containerbegrip. Spontaniteit is een eigenschap die speciaal is verzonnen voor het vrouwelijk geslacht; er zijn ook wel spontane mánnen maar die zitten keurig opgeborgen in een inrichting. De vrouw die een man zoekt, doet er goed aan zichzelf niet als het nadenkerige type te presenteren en wél als “spontaan”. Komt door de gehéle mannelijke sekse die altijd zeurt om “een vlotte, spontane vrouw met wie je kan lachen”. In Boer Zoekt Vrouw is dat niet anders. Over het algemeen gaat het dan niet om het type vrouw dat spontaan Shakespeare reciteert. Of spontaan een ingewikkelde som uitrekent. We hebben het hier eerder over het vlotte, babbelige type dat soms verschrikt de hand voor de mond slaat (“Wat heb ik er nú weer uitgeflapt!”). Ben jij die vrouw die niet al te diep nadenkt, een impulsieve inslag heeft en klaterend lacht? Dan ontvang ik jou graag op mijn boerderij. Zie de geïrriteerde boer die zijn bedeesde logeetje vroeg om alsjeblieft wat meer ‘zichzelf’ te zijn. Vertaling: wees in vredesnaam spontáán of ik gooi jou als eerste van de farm.

We moeten de spontane vrouw in Boer Zoekt Vrouw waarschijnlijk niet zoeken in het type ‘hele gekke meid’ die om half vier ’s nachts een kussengevecht initieert. Dit aangezien de boer er zelf al om vier uur weer uit moet en nachtrust is gewoon niet iets om grappen over te maken. Alle koeien voor de gein loslaten in het verkeerde weiland: wel spontaan, niet echt grappig Marieke. Maar wat dán? En waarom is de boer niet gecharmeerd van schitterende kwaliteiten als bescheidenheid, kalmte en een afwachtende houding? Oh wacht, die heeft-ie natuurlijk zélf al! Ja, nee, dan kan het inderdaad geen kwaad een instrumentele klik te zoeken met een ‘mensenmens’ met communicatieve skills. Want dan zou die eerste zoen nog wel eens binnen een half jaar kunnen vallen.

Passie

Waar je vroeger nog wel eens een bepaalde hobby had, bijvoorbeeld breien, kun je daar tegenwoordig niet meer mee aankomen. Wel met het breien, niet met het woord hobby. Ook in Boer Zoekt Vrouw constateren we een grote passie-inflatie. De passie van de boer ligt bij het boerenbedrijf. De varkens. Boerenkool verbouwen. De passie van zijn mogelijke eega zit hem in het gezellig maken van (nu nog) haar knusse huisje in de stad, het volkladden van kleurboeken voor volwassenen of, nou ja, breien dus.

In Boer Zoekt Vrouw wordt de passie te pas en te onpas de groene ruimte in geslingerd – maar verrassend genoeg gaat het dan dus nooit om het hoofdonderwerp van het programma. Nimmer wordt in Boer Zoekt Vrouw de term passie gebruikt in de ouderwetse zin van het woord: hartstocht of grote liefde. Gevoelens, ja voortdurend. Verliefdheid, alla. “Heb je kriebels?” “Ja ik denk het wel.” Maar het romantische liefdesideaal moet het blijkbaar niet hebben van ál te grote en meeslepende verlangens. En van passionele nachten al helemaal niet – het woord seks is denk ik nog nóóit gevallen in Boer Zoekt Vrouw.

Nee, het ultieme liefdesgeluk bestaat eruit dat je “elkaars maatje bent”. En dus dat er sprake is van een “gevoel van thuiskomen”. Geen termen die een zinderende hartstocht veronderstellen. Eerder een “gewoon, gezellig” soort voorspelbaarheid – zo nu en dan onderbroken door bijvoorbeeld een citytrip die niet lang en wel kort duurt. Maar dat is op zich natuurlijk meer dan genoeg. Zeker als je daarmee eindelijk wordt wie je eigenlijk altijd al had willen zijn: gewoon, jezélf dus. Maar dan samen.

Dit artikel stond op 27 augustus 2016 in Volkskrant Magazine

ouwe jongens

Het moet rond het begin van de jaren tachtig zijn geweest dat ik de poster waarop Björn, Benny, Anni-Frid en Agnetha knus in een helikopter zaten in één ruk van de muur trok en verving door een poster van Robert Smith van The Cure. De man met de lippenstift. De eyeliner. En met het kapsel waarin een hele muizenfamilie een penthouse zou kunnen inrichten. Later die dag staarden mijn vader en moeder naar Robert Smith. Robert staarde mistroostig terug. “Allemachtig, wie is dat”, zei mijn vader die zich als eerste herpakte. “Is die jongen ziek misschien”, zei mijn moeder. Ik snoof, want tussen mijn dertiende en mijn zestiende snoof ik alleen maar tegen mijn vader en moeder.
In eerste instantie was Robert Smith slechts een middel. Doel: het aan de haak slaan van de Oudere Jongen van wie ik wist dat hij een sucker was voor de zwartgallige muziek van The Cure. Werkwijze: het uit het hoofd leren van alle nummers van hun meest misantropische elpee, om zodoende langs de neus weg een paar regels mee te kunnen zingen als ik ooit eens tegelijk met de Oudere Jongen op een feestje zou zijn en ze net op dat moment een nummer van The Cure zouden draaien. De Oudere Jongen zou zijn ogen belangstellend dichtknijpen. Hij zou op me af komen lopen en vragen of ik misschien een vuurtje had. Ik zou hem een vuurtje geven, ik had een aansteker. Direct daarna zouden we nog lang en gelukkig leven.

Maar vooralsnog was het niet zover. Ik was bebrild, om maar één probleem te noemen. En er waren dagen dat Robert Smith me nog meer bereikbaar leek dan mijn Oudere Jongen die volgens de geruchten helemaal nooit naar feestjes ging maar de hele dag in bed lag. Hoewel ik me bij Robert Smith dan weer moeilijk kon voorstellen dat hij op een keer bij mijn vader en moeder zou moeten komen koffiedrinken. Ik wist niet precies wat er dan mis zou gaan, maar dát er dingen mis zouden gaan, daarover bestond geen twijfel. Het was meer de vraag of er wel dingen goed zouden gaan. Waarschijnlijk zou het erop uitdraaien dat ik het huis werd uitgegooid. Maar gelukkig hadden we daarna altijd elkaar nog. Hoewel het niet altijd even makkelijk zou zijn. “Heb je zin om naar de kermis te gaan, Robert?” “Nee ik wil dood.” Activiteiten blíjven aanbieden zou dan het devies zijn.

En dan nu: negen andere mannen uit mijn jeugd, die op de een of andere manier hun sporen hebben nagelaten – of ik dat nou wilde of niet.

WEIRDO: Swiebertje
Landloper. Lowlife. Zou nu een DSM-5-diagnose hebben, iets met problemen op het gebied van de impulsbeheersing. Swiebertje werd omringd door een aantal personen waarvan je pas als volwassene ziet dat het allegorieën zijn. De goudeerlijke keukenmeid, de deftige burgemeester, de boze veldwachter – geen cliché was te gek voor de jaren zeventig. Als kind had je geen idee. Je was dol op Swiebertje, gewoon omdat het de Swiebert was. Nu moet ik erbij zeggen dat ik altijd wel hoopte dat Swiebertje gewoon eens een keer normaal zou gaan doen. En bijvoorbeeld een sociale huurwoning zou accepteren. Nope.

 

CREEP NEXT DOOR: Rick Astley
Zeg nooit: Ashley. De knappe boy-next-door slash ideale schoonzoon met het welluidende stemgeluid. Bij uitstek een nétte jongen ook – en een beetje een melkmuil maar dit zeg ik met liefde. Had een paar hitjes maar is vooral beroemd geworden met ‘Never gonna give you up’. Dat zal ook aan de lyrics van het nummer hebben gelegen, waarin minimaal zeven oprechte intenties omtrent eeuwige liefde zaten. Ik geef het nooit op met je. Ik stel je nooit teleur. Ik zal je nooit verlaten. Nooit aan het huilen maken. Et cetera. Stukje context: we schreven de jaren tachtig, inclusief die vermaledijde Tweede Feministische Golf. Rick Astley was er het levende bewijs van dat ook mannen wel degelijk een stukje gevoelsgebeuren openlijk durfden te uiten. Wat zeg je, Rick? I just wanna tell you how I’m feeling? Snap ik, snap ik, jouw kant is óók belangrijk.
Als jong meisje kon ik deze onvoorwaardelijke overgave wel waarderen. Maar nu, als oude vrouw, denk ik: potverdomme jongeman, dat ís nogal wat, wat je daar allemaal zegt. Laten we wel wezen: wie wil er nou een man die, al voordat je überhaupt getongd hebt, roept dat hij je nooit zal verlaten, nooit zal opgeven et cetera? Hoe weet je zoiets van tevoren man?! Ik krijg geen adem Rick! Creep-alert.

 

HORROR-MAN: Erik Engerd
Een oom van mij zat in een inrichting en zo kwam het dat ik zo’n beetje opgroeide met ijzingwekkende kreten vanachter dikke dichte deuren, verwilderde blikken van verwilderde mannen en blote piemels die me tegemoet renden. Toch lag ik hier als zesjarige geen seconde van wakker. Nee, er waren in mijn vroegste jeugd maar drie dingen waar ik écht bang voor was: God, de valse herder van de overburen en natuurlijk Erik Engerd uit de Stratemaker op Zee Show. Ik keek elke uitzending met een van ontzetting voor de mond geslagen hand. Ik zweer het: alle malloten die ik kende uit de inrichting verbleekten bij Erik Engerd. Dus dan moet hij wel serieus eng zijn geweest. Nog steeds schrik ik soms ’s nachts wakker. Superbedankt, Joost Prinsen.

 

KAUWGOMPUBER: John Travolta
Also known as Danny Zuko uit Grease. Stoere bink die tijdens de schoolvakantie de maagdelijke Sandy opduikelt maar net doet of hij gek is als blijkt dat ze op dezelfde high school als hij zit. Wát een eikel. Of nou ja, een beetje een druiloor. Of eigenlijk een best wel guitig jong. Oké let’s face it, echt een lekker stuk, zoals wij dat in die tijd noemden. En onder ons gezegd en gezwegen: zelf vond ik de havo óók nogal lastig, qua peer pressure.
Het punt was: Danny was in de aard der zaak wel een gevoelige jongen, maar veel te cool om daar iets mee te kunnen. Ja, láter misschien, zo verraadt zijn met gebroken stem gezongen nummer Sandy (“when hi-igh school is done”) maar nu dus even niet. Op het gebied van karakterontwikkeling gebeurde er met Danny Zuko dus niet veel in Grease. Danny was wie hij was en dat was nou eenmaal Danny. Gelukkig zijn vrouwenidentiteiten van oudsher een stuk meer fluïde. Na enig gelamenteer en een hele hoop tranen stak zijn tegenspeelster (Olivia Newton-John) zich in het leer en een sigaret op. Ja, je bent hopelessly devoted of niet, natuurlijk. En zo kwam alles toch nog goed.
Ik heb me wel eens afgevraagd hoe het met Danny en Sandy zou aflopen, na de aftiteling bedoel ik. Het antwoord is: niet goed. Komt door het einde van Grease. Een volwassen Danny had die kauwgom kauwende hoer even goedkeurend van top tot teen bekeken maar direct daarna gezegd: “Hé moppie, dit hoef je allemaal niet te doen, trek gerust je gele plooirok aan, je bent namelijk goed zoals je bent.” Maar Danny grijnsde alleen maar verlekkerd. Wat een eikel. Ik ga ervanuit dat Sandy, na een jaar zichzelf verloochenen, Danny uit het raam heeft gegooid. Morsdood.
Oh wacht, we hadden het over John Travolta. Nou, die leeft zélf nog wel.

 

WIJZE MAN: Meneer de Uil
Dag lieve kijkbuiskinderen, ik weet niet hoe het jullie verging maar er was in de Fabeltjeskrant maar één personage dat ik echt serieus nam en dat was Meneer de Uil. Hij mengde zich niet in de waan van de dag maar bezag als een wijze commentator de gebeurtenissen in het dierenbos. Spannendste moment van de dag: als meneer De Uil het gekrakeel samenvatte en het slotwoord sprak: “Oogjes dicht en snaveltjes toe. Slaap lekker.” Dan was het wachten op de knipoog. En daarna moest je naar bed. “Maar hij heeft niet geknipoogd!” “Jawel.” “Niet.” “Jawel, en slapen nu.” Dus dat deed je dan, want onderhandelen met je ouders zou pas jaren later in de mode komen.
Je wist het nog niet, maar vanaf de Fabeltjeskrant zou je leven alleen maar complexer worden. Had je als kleuter geweten hóe oneindig veel complexer, dan had je misschien wel geprobeerd jezelf te elektrocuteren met de droogkap van je moeder. Maar ja, je was vier en je had geen idee of zoiets technisch mogelijk was.

 

OERVADER: Charles Ingalls
Plaats van handeling: een klein huis, op een prairie. Charles Ingalls werd gespeeld door de sympathieke Michael Landon, die ons veel te vroeg is ontvallen. De oervader der oervaders. Met halflang golvend haar en opvoedende skills waar professionals nog een puntje aan kunnen zuigen: liefdevol, communicatief en een moreel besef waar je jezus christus tegen zegt. Maar het állerbelangrijkst: hij was niet bang om te huilen. Wat zeg ik: van de tranen van Charles Ingalls had men die hele prairie tot een golfslagbad kunnen ombouwen. Dat sommige mannen niet minder man worden van een beetje water uit de ogen, daarvan is Pa Ingalls het levende bewijs. Of nou ja, het dode dus. Jammer, want na Charles Ingalls is er nooit een betere oervader gekomen.

 

ANITHELD: Calimero
Tekenfilm-antiheldkuiken. Niet echt een oerman, want Calimero is vooral bekend van het zielige “Want zij zijn groot en ik is klein en da’s niet eerlijk, oh nee.” En hoewel je soms dacht: OMG grow úp Calimero – ergens was er wel vaak een stuk herkenning. Ik had zelf ook wel eens het gevoel dat de hele wereld tegen me was en dit bleek inderdaad vaak zo te zijn. Maar zielig doen was er niet bij, ik was de oudste thuis en moest altijd overal boven staan, dus ik heb eigenlijk geleerd om de Calimero in mezelf weg te st… oké terug naar Calimero zelf. Die is in zijn eentje verantwoordelijk voor een heuse aandoening: het Calimero Complex, de angst om niet serieus te worden genomen. Schitterend! En als je zoiets voor elkaar krijgt, dan ben je dus eigenlijk een hele grote Calimero.

 

KNAPPE GOEDZAK: Bobby Ewing
De hunk in Dallas. Man van de rondborstige Pamela Ewing met wie hij een respectvolle, communicatieve snurkrelatie had. Bobby Ewing werd aan álle kanten belazerd en de meeste shots waarin hij te zien is, bevatten dan ook een gepijnigde Bobby-blik. Zat zo: Bobby had een goed hart en kon zich maar moeilijk voorstellen dat andere mensen bijvoorbeeld niet eens in het bezit waren van een hart. Terwijl hij toch was opgegroeid met zijn evil brother JR en beter had kunnen weten. Enfin, ik was sowieso Team Bobby, vooral wegens zijn schattige goedzakkerigheid. Precies het type man met wie ik later zou gaan trouwen. De liefde werd iets minder toen Bobby in de serie doodging, maar wegens de daarna instortende kijkcijfers weer tot leven moest worden gewekt. Het was al die tijd… een droom geweest! Ja doei. Nooit meer goed gekomen.

 

TOI TOI TOI-oom: Ted de Braak
Type: de iets te luidruchtige oom die wel altijd vraagt hoe het op school gaat maar nooit luistert naar het antwoord. Toch is het altijd wel gezellig om in elk geval één zo’n oom in de familie te hebben. Ted de Braak presenteerde vooral ‘familiespelshows’ (óók NCRV!) en die waren exact zo truttig als het woord suggereert. Dit gezegd hebbende: het stokvangen! Ze-nuw-slopend! Verder waren de shows vooral pijnlijk-vertederend, zeker bezien vanuit het jaar onzes heren 2014. “Wat is de eindstand Mariëtte?” “Negenenzeuventig gulden en vierenveertig cent.” “ En wat hebben zij NIET gewonnen, Mariëtte? “Deze werkelijk unieke muntenverzameling.” Een múntenverzameling. Als je zoiets anno 2014 in je prijzenpakket stopt, krijg je als presentator een knal voor je harses. Wat zijn we toch verrot geworden.

Dit artikel stond op 8 november 2014 in Volkskrant Magazine

reinbert

Ik kende Reinbert de Leeuw totaal niet, maar mijn indruk was dat het wel een lieve man was. Alleen al omdat hij in zijn voorstukje op bijna verontschuldigende toon meldde: “Dit jaar ben ik één van de Zomergasten” (mijn cursivering), als om maar aan te geven dat er ook nog vier andere zouden zijn. Nu ik dit overlees, slaat het niet echt ergens op, maar toen ik het zag sloeg het wel ergens op. Ik moest namelijk direct denken aan de voorvorige Zomergast, Jim Taihuttu, die nogal terloops, en passant & langs de neus weg keihard probeerde te beklemtonen dat hij vagelijk meende de jongste Zomergast ooit te zijn. Jonge mensen zetten graag overal hun geboortedatum achter, om daarmee te zeggen: kijk, ik ben nog maar zó jong en toch heb ik dit bereikt, hoe schattig ben ik! Grow up ettertje, denk ik dan, maar goed ik heb gewoon een hekel aan jonge mensen omdat ik zelf oud ben.

Terzake. Een zekere bescheidenheid leek dirigent Reinbert (mag ik Reinbert zeggen / liever niet ik ben namelijk even oud als je vader / oké ik doe het toch) te tekenen en dat nam mij voor hem in. Ware het niet dat ik zo stom was om vlák voor het begin van Zomergasten gisteravond nog even een groot portret over de man te lezen. Dat was niet overal even positief en ik ging er daardoor niet blanco in. Alsof je een date hebt met iemand over wie het hardnekkige gerucht gaat dat hij een serial killer is. Liever had je die voor-info niet gehad want zo fiets je toch net iets minder onbevangen met hem mee naar zijn huis om zijn stickerverzameling te gaan bekijken. Tuurlijk, je blijft op je qui vive en daardoor misschien in leven. Maar toch vind je het leuker om je ergens met hart en ziel in te storten.

Zo verging het mij met Reinbert ook: dwars door zijn muziekhistorische college en dwars door zijn enthousiast zwaaiende armen dacht ik steeds, met mijn armen over elkaar en een half dichtgeknepen linkeroog: eh ja, alles goed en wel maar je bent dus wel een beetje een POTENTAAT OKE. En een links-radicaal. Kan ik niet tegen, linksradicalen. Ook niet tegen rechtsradicalen trouwens. Of radicaal stoppen met suiker. Mensen, zoek toch alsjeblieft een beetje de middenweg.

Hoe graag ik mij dus ook zonder terughoudendheid in het college van Reinbert gestort had, dit is niet gelukt. Geregeld dwaalden mijn ogen af naar mijn ene kat die eerder deze week van drie hoog uit het raam gedonderd is en niets mankeert maar met dezelfde verbolgenheid als daarvoor het leven beziet. Het kan zijn dat de inhoud van Reinberts college daar ook iets mee te maken had. Niet met de kat, maar wel met het afdwalen. Misschien een mooie gelegenheid om de term gapende afgrond eens een keer te gebruiken, want het college van Reinbert ging mij totaal boven de pet. Ik luisterde naar teksten en ik dacht: oké. Ik hoorde muziek waarvan ik dacht: oké. En ik wist dat ik beide pas op waarde zou kunnen schatten als ik meer context zou kennen. Maar ik ken die wereld niet. Mijn context in de muziek is gevuld met muziek die hippere mensen tegenwoordig guilty pleasures noemen maar waarvan ik in de auto begin te dansen als Sky Radio het draait. Ik heb dan wel een muzikale achtergrond maar die bestaat eruit dat ik vroeger op de bruiloften en partijen covers stond te zingen die ik hier niet met name kan noemen. En ik kan serieus allevier de jaargetijden van Vivaldi feilloos mee-dirigeren, maar die hele Vivaldi is zoiets als een klassieke-wereld-guilty pleasure en dus zéker, ik herhaal zéker niet iets waarmee je voor de dag zou moeten willen komen.

Het is altijd een vreemde en fascinerende gewaarwording als je ergens zó weinig van snapt dat je er niet eens een mening over kunt hebben. Kun je nagaan, ergens geen mening over hebben, het lijkt wel 1984 of zo, hahaha! Ik moest gisteravond een paar keer denken aan projecten waarbij ik ooit en tegen mijn wil betrokken raakte en waar door de aanwezigen een taal werd gebezigd die ik niet sprak. Gewoon niet sprak. En de rest wel. Het was een rare taal, hij zat vol met woorden die eigenlijk niet konden en en ergens vermoedde je dat er misschien wel een hele hoop bullshit werd gezegd – maar je had véél te weinig achtergrond om ook maar iets anders te willen dan zo snel mogelijk naar huis gaan en in bed te gaan liggen met deze of gene serial killer.

Speaking of which: ik moest gisteravond dus met gapende afgrondgevoelens gaan slapen. Als ik zelf Reinbert de Leeuw was geweest, had ik misschien in de voorbereiding van zijn Zomergasten-avond gedacht: nou, misschien dat lang niet iedereen het snapt en dat het te hoog gegrepen is of zo, dus laat ik er ook nog wat fragmenten in gooien die voor dat soort mensen leuk zijn, anders zitten die de hele avond zo’n beetje sip naar de televisie te staren en daar voel ik me dan weer een beetje vervelend over want het zou leuk zijn als iedereen het naar z’n zin heeft!

Maar nee hoor, niks daarvan. Wat een potentaat.

freek

Halverwege Zomergasten stootte Freek de Jonge een glas water om en heel even flakkerde de hoop op dat er iets vreselijk mis zou gaan. Zo is de mens in dit tijdsgewricht, of althans: zo ben ik zelf in dit tijdsgewricht: tuk op een relletje, een sucker voor dingen die van de trap escaleren en waar je dan vervolgens iets ingehoudens maar retweetbaars over op de twitters kunt zetten.

Maar goed. Freek de Jonge stootte halverwege zijn Zomergasten een glas water om, hij veegde het water met zijn hand van de tafel, hij ging met diezelfde hand door zijn haar en een steek ging door me heen wegens jaloezie ten aanzien van mensen die hun haar bezitten in plaats van andersom. Er kwam een vrouw met een doekje. “Dat is wel een héél klein doekje”, zei Wilfriend de Jong en als om dat te onderstrepen, gooide hij zijn koffiekopje om. Het doekje was nu zéker te klein. Het gesprek ging verder, rechts onderin het beeld zagen we een vrouwenhand met het kleine doekje van links naar rechts gaan over de tafel en ik dacht: zou die vrouw nu vannacht de uitzending terugkijken om haar eigen hand te zien debuteren op live tv? Het is toch een momentje. Een wel héél klein momentje, maar toch.

Los van dit incident ging er dus niets mis tijdens Zomergasten met Freek de Jonge, of het zou moeten zijn dat al mijn oordelen over de man op de helling moesten. Dat was even slikken, ik had het al twee dagen stikheet gehad, de hele wereld stond op zijn kop en ik was er echt aan toe om enorm te worden bevestigd in mijn gelijk. Dat is dus niet gebeurd. Freek (mag ik Freek zeggen, ach doe eens gek) toonde zich een aimabele man met een paar mooie gedachten over de kunst en het lijden. En met zelfinzicht en relativeringsvermogen – en ik ben een sucker voor zelfinzicht en relativeringsvermogen. Maar het belangrijkst: Freek had alleen maar steengoeie fragmenten! Die ik hier zéker niet ga zitten oplepelen want daar heb ik totaal geen zin in, het kost tijd en zo. Maar neem het maar van me aan. Schitterende fragmenten.

Eén puntje van aandacht. Toen ik op Twitter de hashtag #zg14 checkte, bleken een aantal Freek-quotes wel érg populair. Ik kan daar niet goed tegen, hoe meer likes dingen krijgen, hoe stompzinniger ze worden – maar het kan zijn dat mijn calvinistische inborst me hier parten speelt. Bovendien krijg ik er een Paolo Coelho-gevoeletje bij en zie ik in mijn hoofd twitteraars die heel zelfgenoegzaam in bed stappen en nee, dit is niet goed. Kom op mensen, laten we nu ook weer niet doen alsof Freek de Jonge een soort van opgestane weet ik veel is. De man viel gewoon honderd procent mee.

Puntje 1b: Freek werd mij net iets te veel getwiteerd door coaches en ander gespuis. En dát is een vuile daad van toeëigening, zou mijn dode vriendin Els hebben gezegd, als ze nog leefde. Enfin, nu zij niet meer leeft, zeg ik het eens in de zoveel jaar.

dikke pret (vkmag)

Ik tilde gisteren mijn buikvet omhoog, ik schudde het zo’n beetje op en ik zei schouderophalend: “Och.” Dat kwam niet omdat ik zo’n geringe hoeveelheid buikvet heb of zo, dat zit hem in programma’s als Obese die mijn perceptie van overgewicht aangenaam hebben verruimd. Het eigen vet verbleekt immers nogal bij de lichaamsomvang van mensen voor wie zelfs de categorie zwaargewicht nog een te luchtige aanduiding is.
Ik kan mijn lol wat dat betreft wel op, deze dagen. Niet eerder in de geschiedenis van de Nederlandse tv was er zoveel lillend vet op te zien als dit jaar. Waarheen je ook zapt, érgens staat altijd wel iemand met vierhonderd vetrollen gespannen op een weegschaal. De SBS-versie heet The biggest loser en verbindt een wedstrijdelement aan het groepsgewijs afvallen. De AVRO zendt momenteel het wat militair en oudhollandsch aandoende Operatie NL Fit uit. Maar het grootste dikkemensenprogramma is de RTL4-kijkcijferhit Obese. Een nieuwe serie is in de maak en dit najaar had het programma zelfs een spin-off: Obese, hoe is het nu met …? Het programma Obese is niet alleen erg populair, het heeft ook veruit de dikste kandidaten: mensen met morbide obesitas die nauwelijks meer uit de voeten kunnen en voor wie het “vijf voor twaalf” is – een uitspraak die presentator Wendy van Dijk aan het begin van elke aflevering herhaaldelijk en op onheilspellende toon doet. De Obese-kandidaat krijgt een jaar om de helft van zijn huidige gewicht te verliezen en wordt begeleid door fitness-, voedings- en mental coaches.

De ongezond dikke medemens moet zijn vet kwijt. En wij vréten dat, al dan niet met een zak chips binnen handbereik. Waarom? Vijf verklaringen.

1. Het is een horrorfilm.
Laten we het hebben over Danny (40 jaar, 270 kilo). Danny ligt in bed. Hij zal later Mister Obese worden genoemd, een dubieuze geuzentitel die hij evenwel dankt aan zijn succes: hij valt met behulp van het programma in een jaar tijd 155 kilo af. Nóg een jaar later is hij overigens weer bijna terug bij af, maar daarmee lopen we danig op de zaak vooruit.
In de openingsscène van Obese ligt Danny in bed – want dat is de vaste openingsscène van elke aflevering. Hij wordt wakker en worstelt zich overeind. Hij draagt alleen een boxershort. Hij zit. Hij rust uit. Moeizaam staat hij op, traag beweegt hij zich richting een passpiegel die in zijn slaapkamer staat. De camera begint bij Danny’s voeten en glijdt langzaam naar boven. De lange scène eindigt met een overzichtsshot, terwijl we zien hoe Danny zichzelf langdurig in de spiegel observeert.
Deze scène geeft ons als kijker ruimschoots de tijd om op onze beurt deze observatie te observeren en het lichaam van Danny in ons op te nemen. Het ziet er… niet prettig uit. Dit soort lichamen zie je normaal nooit. Ze zijn een uitzondering, zeker in een tijd waarin vrijwel alles draait om (Facebook)image en om die ene goed gelukte selfie die we wel met de wereld willen delen. Om ons heen zien we steeds vaker mensen die er beter uitzien dan… enfin, dan ze éigenlijk zijn. In Obese toont men ons de afwijkers van de norm: dit zijn mensen die hun imago letterlijk totaal niet onder controle hebben. Deze veel te dikke mens heeft zich overduidelijk niet kunnen houden aan de geldende wetten en is misschien wel de letterlijke uitvergroting van onze grootste angst: hoe vreselijk het uit de hand loopt als je de controle verliest. We kijken er met gefascineerde walging naar. En tegelijkertijd gaan we opgelucht nóg iets meer van onszelf houden – wij hebben de zaak duidelijk beter op de rit dan deze Danny. Breng me meer Dorito’s.

2. Er gaat iemand kapot.
De manier waarop Obese zijn kandidaten in beeld brengt, is op zijn minst vernederend. Kermis-tv, zouden we kunnen zeggen, de vrouw-met-de-baard all over again. Het terugkerende bed- en spiegelritueel in Obese is vanzelfsprekend een compleet geconstrueerde situatie. Picture this: iemand spoort de kandidaat aan op klaarlichte dag halfnaakt in bed te gaan liggen, de kandidaat kruipt onder zijn dekbed, doet alsof hij wakker wordt en werkt zich moeizaam uit het drijfzand dat zijn bed heet, naar een grote spiegel. Het is fake, evenals het nagespeelde binge-eten waarmee de kandidaat nog even moet laten zien hoe hij in het verleden stiekem naar de McDonald’s reed. Geeft de redactie hem het geld voor die twee Happy Meals die hij dan in de auto opeet? Eet de crew buiten beeld mee? (“Kan het iets sneller, het moet wel een vréétbui zijn hè.”)
Maar ook verder is het programma vanaf het eerste moment keihard voor de kandidaat. Wie de queeste naar “een gezond lichaam” leidt? Niet de kandidaat natuurlijk. Die heeft immers bewezen daartoe absoluut niet in staat te zijn. Dus: “We nemen deze mensen bij de hand”, aldus Wendy Van Dijk in haar intro. En “Daar zijn we! Je redding!”, juicht ze bescheiden bij de ‘overval’ die alle kandidaten tot nu toe dermate overrompelt dat ze niet meer in staat zijn coherent te reageren. Hélemaal van hun stuk, en zo blijft het ook. In Obese doet niemand alsof de kandidaat zelf ook nog iets te zeggen heeft. Ook de kandidaat weet wat hem te doen staat, hij levert zich met huid en haar over aan de wetten van het programma.
De redding lijkt in eerste instantie meer op een boetedoening dan op gered worden. Kijk maar naar het genadeloze script. De vergelijking met het lam en de slachtbank móet wel opdoemen wanneer de kandidaat, slechts gekleed in een enorme badjas, door een kale, lange ziekenhuisachtige gang naar de kijker toe strompelt – of eigenlijk in de richting van het cachot: een enorme weegschaal. “Dat is 222 kilo Michel.” “Ja dat is niet goed.” “Nee Michel.” Voor de kandidaat het weet ligt hij onder een klimrek in een kinderspeeltuintje (!) in zijn eigen buurt (!) voor de beruchte begintest van afgetrainde fitnesscoach Radmilo. Dan wordt ook duidelijk wat ‘tot de grond toe afbreken’ letterlijk betekent. De kandidaat die niet reeds bij het idéé van een work-out ineen zijgt, kan rekenen op lauwe enthousiasmeringen in de trant van “Kom op. Je kan het wel. Jawel. Jawel.” Maar de kandidaat kan het natuurlijk niet. Smekend blikt hij vanuit het zand omhoog. Radmilo glimlacht flauwtjes. Hij steekt zijn hand uit. De kandidaat grijpt de hand van Radmilo, de vijand. Nee, de vriend. Het is al met al een bijzonder diffuse deal: in ruil voor zijn redding levert de Obese-kandidaat zijn eigenwaarde in. Maar voor het inleveren van die eigenwaarde krijgt hij, straks iets terug, namelijk zijn… eigenwaarde. Hm.

3. Er zijn sowieso 24 huilmomentjes.
Wie wil veranderen, moet dus eerst kapot. En alleen als je er keihard voor werkt, gaat het je lukken. Van die boodschap is Obese doordrenkt. “Het roer moet hélemaal om”, noemt Wendy van Dijk dat geregeld. De kandidaten zien het net zo, ze zijn stuk voor stuk toe aan “het tweede deel van mijn leven” en bereid “een andere afslag” te nemen. Combineer dat met de uitgestoken hand van Messias Radmilo en het begint te lijken op een bekering uit de tijd van Jezus Christus – maar het is gewoon het ons vertrouwde bijbeljargon van de make-over-industrie en de populaire (zelfhulp)psychologie.
Want niet alleen fysiek moet er iets gebeuren: de uitdrukking “Er moet een knop om” wordt door zowel Wendy van Dijk, de coaches als alle kandidaten veel gebruikt. Hij lijkt te suggereren dat de Obese-kandidaat niet alleen moet stoppen met zo veel eten maar ook de zaak van een totaal andere kant moet gaan bekijken. “Het kwartje moet vallen”, aldus een coach. “Het kwartje is gevallen”, zegt een kandidaat. Niemand spreekt uit wat die knop dan is en wat het vallen van zo’n kwartje precies behelst – het zijn uitdrukkingen die slechts met een hug (Wendy van Dijk) of high-five (fitnesscoach Radmilo) hoeven te worden beloond.
Het mag duidelijk zijn: er wordt bijzonder veel gepsychologiseerd in Obese. De psychologe in de aflevering met Amanda: “Er zit veel onverwerkt verdriet bij Amanda en dat heeft een negatieve invloed op het afvalproces. De psychologe in de aflevering met Michel: “Het lijkt wel of er een soort van basisonzekerheid bij Michel zit.” Maar ook de kandidaten zelf duiden geroutineerd hun gewicht in de taal van de therapeuten. “Ik eet om niet te voelen”. “Ik moest mezelf vanaf mijn jeugd bewijzen.” “Dit geeft me een heel naar onderbuikgevoel.” “Het inzicht dat je het koppelt aan emoties, het eten.” ”Vet op mijn lichaam kweken was een soort bescherming.” Dat soort uitspraken doet vermoeden dat de kandidaten al een aardig hulpverleningsverleden achter de rug hebben – iets waarover het in Obese verder niet gaat, wellicht om het contrast tussen hun ‘oude’ en ‘nieuwe’ leven zo scherp mogelijk te houden.
Al die soul searching zorgt voor vele, vele huilmomentjes in Obese. Maar gelukkig is er dan altijd nog Wendy van Dijk en haar troostende hand/arm/hele lichaam. En als het meezit een cirkelredenatie die zijn weerga niet kent: “Ik denk dat jij terug moet naar je eigen ik, en als je je eigen ik weer herkent of herinnert en daar de liefde voor voelt en misschien wel jezelf vergeeft, en omarmt en liefhebt, dat dan die liefde voor jezelf weer terugkomt. En dat dan het afvallen uiteindelijk wel komt.” Kandidaat Danny: “…. Ja.”

4. Het is een klassieke tragedie
De race begint. En eerst gaat het redelijk, dan goed, daarna gezwind en tegen die tijd vóel je het drama naderbij komen. Want in elke aflevering van Obese, zo tegen het tweede reclameblok, dreigt álles hélemaal fout te gaan. En ja. De muziek wordt droeviger, de camera schiet donkere wolken die zich samenpakken en voice-over Wendy van Dijk gaat een octaaf omlaag: “Het vele trainen kost Stanley steeds meer moeite. Dan… gaat het mis. Hij krijgt een enorme vreetbui en geeft eraan toe. Hij laat zich hélemaal gaan.” Stanley, vanachter zijn webcam: “Ik hield het gewoon niet meer uit!!!”
Hallo, daar is het terugvalmoment! Het moet zorgen voor enige spanning in de verhaallijn die anders niet veel meer zou zijn dan de saaie plot waarin de kandidaat kilo’s kwijtraakt, nog eens kilo’s kwijtraakt, nóg eens kilo’s kwijtraakt en uiteindelijk zijn streefgewicht bereikt. Het terugvalmoment zorgt voor het competitie-element dat in principe ontbreekt als je een show met maar één persoon doet: “Je bent zelf je grootste vijand”, aldus Wendy van Dijk. Een stukje klassieke tragedie is het gevolg, met een heuse strijd tussen goed en kwaad, of zo u wilt God en de duivel. Allemaal verenigd in één obese persoon.
De Terugval met een hoofdletter overigens was natuurlijk die van Mister Obese, Danny. In het terugkijkprogramma Obese, hoe is het nu met …? bleek in september dat “onze fantastische droomkandidaat” inmiddels keihard downhill gaat naar zijn oude startgewicht. Kwartjes die ooit vielen, kunnen dus blijkbaar ook weer terugvallen. Er wordt vooral veel gepraat – niet over het klaarblijkelijke falen van reddingsoperatie Obese, trouwens. Niemand lijkt te weten hoe nu verder. Danny krijgt een verdrietige Wendy van Dijk op bezoek. “Ja maar waarom heb ik dit nou gekregen dan?”, zegt Danny wanhopig. “Ja dit is klaarblijkelijk jouw weg”, zegt Wendy van Dijk. Ergens begint iemand op een panfluit te spelen (oké, in mijn hoofd).

5. WTF, je raakt… bekeerd.
Pak hem beet tot driekwart van een aflevering van Obese kunnen we ons laven aan de wetenschap dat wij er stukken beter aan toe zijn dan deze mensen. En dat wij geslaagd en zij een fail zijn. Maar mét het vet dat van de kandidaten wordt geschraapt, verdwijnt langzaam maar zeker ook ons superioriteitsgevoel. Zo tegen het eind van elke aflevering, als de kandidaat griezelend (!) een enórme pantalon uit zijn vorige leven voor zich houdt, overvalt mij in elk geval een lichte onvrede over, enfin, mezelf. Want wanneer in mijn miezerige leven heb ik ooit zoiets groots gedaan? En als déze mensen dít kunnen, waarom ben ik dan niet eens in staat tot het verliezen van vijf kilo? Wat ben ik eigenlijk voor een pathetische loser?! Kortom: zo rond het moment dat Wendy van Dijk triomferend de arm van de leeggelopen dikkerd omhoog trekt en The Eye of the Tiger wordt ingestart, ben ik rijp voor mijn eigen bekering. De knop is om, het kwartje is gevallen: morgen begint deel twee van mijn leven.

[Dit artikel stond op zaterdag 9 november 2013 in Volkskrant Magazine]

wouter

Het is altijd een beetje lastig om het als vrouw over vrouwenquota te hebben, want voor je het weet word je weggezet als vrouw die het over vrouwenquota heeft. Maar HALLO ZEG: er zaten welgeteld 0,21 vrouwen in de aflevering van Zomergasten met Wouter Bos. Nul. Komma. Eenentwintig. En dat is weinig hoor, zelfs voor vrouwen. Trouwens: in de fragmenten van de Zomergast van vorige week, theaterregisseur Johan Simons, zaten bij elkaar opgeteld 1,4 vrouwen en ik heb dit uitgerekend op mijn rekenmachine en élke minuut van Zomergasten gekeken dus kom alsjeblieft niet met: ja maar die ene dat was toch een vrouw! Eh nee, dat was ook een man.

Oké dat was het. Misschien kom ik er nog op terug, ik ben ergens toch getergd. Enfin. Ik weet wederom niet zo goed wat ik van deze Zomergast vond, ik heb dat nooit zo helder. Ik had wel vooroordelen, in de middag voorafgaand aan Zomergasten riep ik nog tegen vriendin 1 dat Wouter Bos een glijer en een poseur was. Ik weet eerlijk gezegd niet of ik dat wel van mezelf heb, het verbaasde me dat ik die woorden zo paraat had. Misschien heb ik ze gewoon overgenomen van anderen, want serieus, zo gaan die dingen bij mij soms. Tijdens de uitzending werd ik trouwens wel enorm bevestigd in dat oordeel. Dat lachje. Die volzinnen. Het fronsje. En al mijn Twitter-collegae vonden hetzelfde!

Dus toen gebeurde wat mij altijd gebeurt als we het gezellig met zijn alleen ergens over eens zijn: ik wijzigde mijn oordeel. Vrij irritante reflex en ook niet altijd bijzonder handig. Maar ik las al die tweets over de al dan niet aanwezige authenticiteit van Wouter Bos, over hoe echt hij zijn woorden meende en waarom hij potverdorie zijn kwetsbaarheid niet toonde. Ik dacht twee dingen: 1/ euh zitten we hier soms op de soosjale akademie? en 2/ kutjekrisis wat is er toch up met die overdreven eis naar echtheid?! Ik kan het niet meer horen en ik stel voor dat we de komende tijd, laten we zeggen zéker een jaar, alleen nog maar applaudisseren voor ónechte dingen, puur voor het contrast. Ter compensatie bedoel ik.

Applaus voor Wouter Bos dus. Maar goed, toch nog even over dat verrekte vrouwenquotum. Kijk, want nu zullen sommigen onder jullie zeggen: ja maar HALLO ZEG blijkbaar kon Wouter Bos gewoon ff geen inspirerende fragmenten met vrouwen erin vinden. Of: wie ben jij om te bepalen dat Wouter Bos ook vrouwen in zijn fragmenten moet stoppen?! En: zeg Veldman, we leven hier toch in een vrij land en niet in een zogenaamde vrouwendictatuur of zo?! Maar dan zeg ik: hou eens op met van die vragen aan mij te stellen want ik heb er echt een hekel aan om te worden onderbroken in een betoog waarvan ik zelf ook niet precies weet waar het naartoe gaat. Bovendien: het kan gewoon niet waar zijn dat er geen mooie, leerzame of lachwekkende fragmenten met vrouwen erin te vinden zijn. Die zijn er namelijk heus wel. Wel! En nu de pointe: dat is gewoon leuker voor vrouwen. Want stel, je bent vrouw, dan zie je ook nog eens iemand van je eigen sekse in zo’n programma! Het is heel simpel maar je moet er maar opkomen.

Kijk, het moet natuurlijk ook weer geen verplichting worden! Maar laten we afspreken dat je vanaf nu wel gewoon wordt gearresteerd als je drie uur lang vergeet dat er ook vrouwen op de wereld zijn.

beatrice

Ik had eigenlijk vannacht even een stukje over Zomergasten willen schrijven maar het geval wilde dat het laatste fragment van terrorisme-deskundige Beatrice de Graaf bestond uit: orgelklanken en Psalm 84 (oude berijming). Ik gleed direct weg in een diepe en droomloze slaap – zoals het de ware ex-grefo betaamt. Ik weet niet hoe het andere afvallige kerkgangers vergaat maar ik hoef maar een kerk binnen te lopen (of, for that matter: een man een monoloog zien houden) en mijn bewustzijn schakelt zichzelf als het ware vanzelf uit. Het is werkelijk schitterend hoe het menselijk lichaam de dingen soms oplost.

Nou goed. De rest van de avond was allesbehalve om bij in slaap te vallen. Sterker, er is bijna geen Zomergast geweest bij wie ik zo wakker bleef. Of toch wel, ik herinner me van vorig jaar migrainiste Jolande Withuis, bij wie ik ongeveer hetzelfde gevoel had. Toegegeven: ik ben een sucker voor alles wat met oorlog en terrorisme te maken heeft, maar ook los daarvan was het een schitterend college van drie uur lang. En daarom een Zomergasten volgens het boekje, althans volgens wat in míjn boekje Zomergasten is maar hallo, míjn boekje is gewoon het beste boekje. Met een gast dus die een Plan heeft met de avond en dat plan vastberaden uitvoert, fronst bij domme vragen en gewoon ijskoud haar zinnen afmaakt als ze wordt geïnterrumpeerd, hahaha! En met een presentator voor wie dus uiteindelijk weinig meer overblijft dan fragmenten aangeven, aanmoedigend hummen en netjes de avond afkondigen.

Kortom: Zomergasten zoals het oorspronkelijk in de Bijbel bedoeld was.

nelleke

Zit er tegenwoordig nog wel eens iemand in een sekte? Dat vroeg ik me af bij Zomergasten, tijdens een fragment van een documentaire over de Bhagwan. Ik heb op de havo minstens twee keer een werkstuk gemaakt over sekten, dat was toen een ontzettend geliefd onderwerp. Dagenlang zat ik in de studiezaal van de bieb, met een knipselmap die ‘sekten en bewegingen’ heette. Ik las over hoe sekten precies werkten en hoe ze je zover kregen dat je je hele leven opgaf, van school ging en in een soort van tentenkamp oid ging wonen met heel veel andere mensen die ook hun hele leven hadden opgegeven. Ze zouden je pakken op je zwakste eigenschappen. Ik dacht lang na over mijn zwakste eigenschappen, het waren er best veel. Ik staarde naar plaatjes van sekteleiders. Sommige van hen hadden lange baarden, andere sekteleiders waren heel aantrekkelijk, met halflang krullend blond haar, ik denk eigenlijk een beetje zoals Jezus in zijn goeie tijd.

Ik was in die tijd best bang dat ik een keer op een wankel moment in een winkelstraat zou worden benaderd door ontzettend vriendelijke meisjes en jongens, geen nee zou durven zeggen en daags erna gehersenspoeld zou zijn. Daarna zou je dan het hele traject krijgen dat mijn familie me ging opsporen en op slinkse wijze uit de sekte zou kidnappen. Ik zou onthersenspoeld moeten worden. Het leek me een hele toestand en mijn vader en moeder zouden er waarschijnlijk nooit meer helemaal van herstellen. Ik zou in onze familie een zwart schaap blijven en uiteindelijk ergens op een NS-station eindigen als een soort van Christiane F., met een injectienaald in mijn lekgeprikte ader.

In werkelijkheid werd ik nooit ook maar één keer benaderd door sekteleden, iets dat mij tot mijn verbazing licht krenkte. Was ik niet goed genoeg om te worden gehersenspoeld, et cetera.

Enfin, dat spookte dus door mijn hoofd tijdens de aflevering van Zomergasten met Nelleke Noordervliet. Het was dus een avond waarin je best tussendoor zo je eigen gedachten kon hebben. Een onderhoudende avond, maar niet meer dan dat. En ik geloof ook niet dat ik iets nieuws heb geleerd. Maar: soms is er sprake van een uitgesteld leren dus ik houd nog een slag om de arm. Ik verlang soms best een beetje terug naar de tijd dat ik nog twitterloos Zomergasten keek en gewoon helemaal geen idéé had wat ik ervan vond. Dat je weken rondliep met een halve mening, een kwart mening, of totaal geen mening. Want: je had gewoon Zomergasten gekeken en dat was dat. Verder niks. En in plaats van het via Twitter declameren van een visie in de trant van JEZUS IK SCHEI ERMEE UIT WAT EEN BAGGER TV, had je dan daags na Zomergasten een koffieautomaat-conversatie die ongeveer zo verliep:

– Heb jij nog Zomergasten gezien gisteravond?
– Ja, met die baviaan!
– Ja, die baviaan!!
– Apart of niet.
– Zeer zeker wel apart!
– Nou ik ga weer wat doen.
– Ja ik ook doei.

En dan ging een ieder weer zijns weegs. Dingen aan elkaar nieten, nagels vijlen, enfin al die dingen die je toen nog wel eens deed.

"hier baal ik dus best wel van."

rolmodel

Ik zag deze week een film over Jane Austen op tv en het viel me wederom op dat vrouwen in die tijd eigenlijk vrij weinig deden behalve uit het raam of naar de navel staren. Contempleren, zo u wilt. De dingen helemaal tot op het bot kapot analyseren. Konden ze verder niet veel mee. Ja, zuchten. En eens in de zoveel tijd zo’n beetje gevat uit de hoek komen –  zo lang het maar wel in de privacy van hun eigen home gebeurde dan. Niemand die het amusant vond als vrouwen dat en plein public deden. Wat een afschuwelijke tijd hè. Aan de andere kant, soms denk ik: kon ik maar gewoon een jurk aantrekken en de hele dag verplicht gaan zitten contempleren in een erker. Maar waarschijnlijk zou ik er dan tóch te pissed off voor zijn. Ik kan echt slecht tegen onrecht, zeker onrecht tegen vrouwen. Vrouwen zijn mijn lievelings. Ik zou bijna zeggen: ALLE VROUWEN KIESRECHT! Enfin, als je in een dergelijke verhitte state of mind geraakt, dan is de beer los. Contempleert niet rustig. Kun je net zo goed naar Kantoor gaan en patience opstarten. Terug naar Jane. Het enige lichtpuntje was dat er eens in de zoveel tijd een redelijk goed uitziende kerel op een galopperend peerd aan kwam nou ja galopperen dus. En die had er dan, hoe voorspelbaar, wel zin in. Eind goed al goed!

Ook de rest van mijn vrouwelijke rolmodellen kwam de afgelopen weken over het scherm rollen. Ik noem een Annika (“NEE PIPPI, NIET DOEN!!!), ik noem een Sissi (“ABER BITTE FRANZJOZEF of hoe heet je precies”), ik noem een Sylvie van der Vaart Truus de Mier (“TUUT TUUT TUUT TUUT”). Maar graag vraag ik nog even jullie speciale aandacht voor mijn rolmodel der rolmodellen: de arme, arme Mary Ingalls, die op de rand van 2012 in de 892ste re-run van het prachtige Little House on the Prairie (SBS6) weer eens blind wordt:

huilmary

Ja, Mary, dat zeg ik net. Blijf er ff bij oké.

Héérlijke aflevering. Ik denk eigenlijk wel de beste. Hoewel, don’t get me started on de hele serie. Schitterend. Ik kan er een boek over schrijven. Hoe dan ook: Blinde Mary wordt na een korte episode van trek mij maar door de wc als het zo moet —> een volcontinu ontroerd glimlachende heilige, een staat die ik ook nog eens hoop te bereiken maar: ik ben aardig op weg al zeg ik het zelf! Voor de bezorgde lezer: gelukkig loopt Mary geblindeerd en al direct in de armen van een medeblinde die er ook wel zin in heeft!

Meer blinde Mary (twitter) > De oogarts brengt het slechte nieuws, Charles Ingalls hoort het slechte nieuws en Mary Ingalls, du moment dat ze blind wordt.