kantoorknaapjes

Het was in die dagen dat er een mail uitging van de hoogste bazen van kantoor: we mochten een nieuwe laptop! Dansend van vreugde stond ik bij de ICT-helpdesk, maar dit is overdrachtelijk bedoeld want ik stond zo’n beetje te bezwijken onder het gewicht van mijn oude laptop, nog uit het bakstenen tijdperk. “Eén nieuwe laptop om mee te nemen svp”, hijgde ik en ik leunde zwaar tegen de balie. “Heb je een bewijs van dat je bent wie je bent etc”, zei de helpdeskman. “Dat niet maar ik ben het gewoon hoor”, zei ik. “Helaas pindakaas Jacq”, zei de helpdeskman. “ik moet een bewijs. Oh, én een uitdraai van de mail. Oh én een paraaf van je manager.” Hij keek bekommerd. “Dude”, zei ik. “Ik weet het, Veldman”, zei hij. En zo stonden we daar dan sámen zo’n beetje te bezwijken – maar nu onder het zware gewicht van de informatiemaatschappij die altijd en eeuwig overal een bewijs van wil hebben terwijl die rotzakken natuurlijk alláng álles vanaf je geboorte tot nu toe van je weten dus het is gewoon treiteren.
Met mijn linkeroog keek ik de helpdeskman strak aan, met mijn rechter focuste ik op de plank achter hem waarop zeker twintig gloednieuwe lichtgewicht laptops stonden te shinen. So close, and yet so far away. De helpdeskman staarde lief terug – en tegelijkertijd een beetje angstig maar dit kan ook vanwege het loensen zijn geweest. Ik was de eerste die opgaf. Deels uit lafheid, maar vooral omdat ik zo’n ongelofelijk zwak heb voor de helpdeskmannen bij ons op Kantoor. Ten eerste omdat ze ontzettend behulpzaam zijn, ten tweede omdat ze je nooit uitlachen, terwijl daar toch alle reden voor is, en ten derde omdat ze supervaak onderhands dingen voor je rege… nou ja dat dan dus niet. Maar dan nog: je wilt ze niet tegen je hebben. De helpdeskman is namelijk de enige man die je écht nodig hebt op Kantoor. De man bij wie, onder ons gezegd en gezwegen, een heleboel andere Kantoormannetjes… nou ja, gewoon ráár afsteken. Want oh mensen, er zítten ertussen! Een greep.

De Cool Guy
Hm, wat ruik ik? Aha het is gebakken lucht! Aan de tandenknarsende collega’s herkent men de cool guy. Zie hem lopen met zijn verende tred, zijn montere oogopslag en zijn neiging om je bij het begroeten nadrukkelijk bij de naam te noemen. Elke afdeling heeft zijn cool guy, maar je zou hem met gemak ook de player, de glijer of de toekomstige fraudeur kunnen noemen. Het zal hemzelf worst wezen hoe hij genoemd wordt – er is maar weinig wat hem deert. Het moeilijkste aan de cool guy is dat alles maar dan ook álles hem gemakkelijk afgaat. Wat hij dan zoal doet? Wel, voornamelijk dus totaal niets van betekenis, maar hij kan daar dan toch altijd héél veel over vertellen. Totale onzin natuurlijk, maar je bent al catatonisch van ontzetting voordat je je mond kunt opentrekken. En op het verbijsterd zwijgen van de massa gedijt de cool guy.
De cool guy klaagt nooit – en is daarom de lieveling van elke manager. Krijgt dus het snelst promotie en heeft een flitscarrière: als je één keer met je ogen knippert, is hij alweer een schaal omhoog gegaan. Hoe dóet die jongen dat? Vuile charme. Vooral voor glazenplafondvrouwen en gestage harde werkers die niet graag opsnijden over hun talenten is de cool guy een onverdraaglijke entiteit. Gelovige collega’s hopen op een hiernamaals waar alles zal worden rechtgezet. Maar voor nu, in het aardse tranendal: je staat erbij en je kijkt ernaar.

De Man met de Baard
Niet te verwarren met: álle andere bebaarde mannen op Kantoor. De baard van de man met de baard slaat vooral op zijn verhalen over vroeger, toen de wereld tenminste nog een beetje normaal was. De senior kan het weten, want hij werkt al minstens honderdtwintig jaar op Kantoor, is ook een beetje op het gebouw gaan lijken en je komt er nooit meer vanaf. Soms is dat ontzettend handig, want als je nog iets wilt weten over het Oude Systeem, dan moet je dus bij “pensionado Wim” wezen. Dat is de enige die de oude computertaal kent waarop stiekem nog de helft van alle systemen is blijven werken toen een of andere innovatie halverwege bruut werd afgebroken, “wegens voortschrijdend inzicht” (het geld was op).
De man met de baard is feitelijk het negatief tegenovergestelde van de jonge hond. Die is óók hijgerig, maar dat komt niet van jarenlang naar hartenlust roken achter zijn bureau, want daar ging je toen nog niet van dood. Bovendien is de jonge hond op een uiterst vermoeiende manier óveral voor in en de senior is helemaal nérgens meer voor in. Hij heeft elke vernieuwing al vierendertig keer meegemaakt en zien mislukken, ziet dus patronen die anderen nog niet opvallen en is daarom begrijpelijkerwijs belast met de zogenaamde been there, done that-oogopslag. Soms lacht hij ineens bulderend, zodat iedereen opschrikt uit zijn Wordfeud. Kwam dat geluid van de intercom? Nee het was de Wim die vanuit de stervende Kantoorplant een anekdote uit 1923 vertelt. Maar op de meeste andere momenten is de senior cynisch, uitgeblust en hij schudt vaak nee – eigenlijk precies zoals ik mijn vrienden graag heb. Nee, echt.

De Wijsneus
Natuurlijk, vrijwel iederéén denkt wel eens dat-ie het beter weet dan de next guy. Maar zeg nou zelf: eventuele geniale ingevingen die je op maandag kreeg, blijken meestal op dinsdag alweer totaal anti-geniaal te zijn. De menselijke hersens: een moeras waar op gezette momenten een arm uit steekt. Geen probleem, het is niet alsof er op Kantoor ooit iemand naar je luistert. Die waarheid als een koe is aan de wijsneus, alias de betweter, compleet voorbij gegaan. Want die weet gewoon álles áltijd beter en bijt nimmer op zijn lip, in het besef van zijn eigen feilbaarheid. Kan zich niet voorstellen dat een ander een punt heeft en onderbreekt je dus al wijsneuzerig voordat je in staat was zelf je zin lafjes te laten wegsterven. De wijsneus moet altijd winnen, ook als verder niemand wist dat er een wedstrijd aan de gang was. Hij kent een veel béter boek over de Holocaust, heeft de ultieme manier van koffiezetten uitgevonden, had het overlijden van je moeder kunnen voorkomen en slaapt altijd op zijn rug omdat dat nu eenmaal, nou ja… béter is.
Wie bij zichzelf op Kantoor zo snel geen wijsneus kan aanwijzen, zou wel eens in de situatie kunnen verkeren dat hij zélf de betweter van de afdeling is. Dat is even schrikken hè, want het is direct het enige waarover u minder wist dan de rest. Rustig blijven ademen, proberen een plekje te geven, en maandag fris beginnen met een knijper op de lippen.

De Zweverd
Ook wel: de inspiratieman. Praat in spreuken. De muur naast het bureau van de zweverd annex de kantoorgoeroe bevat vaak sfeervolle posters van a) een hele oude boom, b) een steen die kringen maakt in het water of c) een heel groot oog dat je de hele dag zo indringend aanstaart dat je er bijna van aan het werk zou gaan. Hoe dan ook een groot contrast met je eigen whiteboard waarop helemaal niets staat, behalve het onuitwisbare ‘WERKZWEER’ (per ongeluk verkeerde stift gebruikt).
De zweverd komt, maar hoe kan het ook anders, Kantoor binnenzweven op momenten die voor hemzelf gewoon lekker zen voelen. Niet zo héél vaak dus. Maar helaas, áls de zweverd present is in het hier en nu, dan ís hij er ook. Gesandaliseerd en wel en vastbesloten om her en der wat van zijn spirituele rijkdom te verspreiden aan onverlicht kantoorplebs zoals jij en ik. Dus nét als je inademt voor je volgende zeer terechte tirade over kantoreske onrechtvaardigheden, orakelt de zweverd Happinez-teksten als “Do good and good will come to you” of het managersvriendelijke “Some things things are not meant to be understood, just accepted.” Je zou collegae voor minder het raam uitgooien – maar een beetje zweverd vliegt natuurlijk net zo makkelijk het raam weer in. Minst handige reactie: “Karma shoarma.” Meest handige reactie: “Heftig.” Dat brengt een zweverd een klein beetje van zijn à propos: hij is niet bekend met het concept ironie maar weet niet helemáál zeker hoe het bedoeld is. Laat ‘m er maar lekker even z’n chakra’s over breken, is het in elk geval een kwartiertje rustig. Namasté.

De Flapdrol
Ook wel: de manager. De flapdrol wordt soms sjiek afgekort tot FD. “Is de FD al gearriveerd, dat jij weet?” “Nee, de FD werkt vandaag thuis.” Dus dit zou dan bij uitstek een dag zijn waarop je de manager gewoon kéihard en voluit een flapdrol kunt noemen, zou je denken – maar een gewoonte is nu eenmaal snel ingesleten hè. En een gezonde dosis paranoia kan geen kwaad. De muren hebben oren en die schroefjes zitten er heus niet “omdat er ooit een schilderij heeft gehangen”. Haha, een schilderij, tuurlijk! Ik lig plat! Maar even serieus, we zijn toch niet gek.
Een béétje competente manager is zelf totaal niet op de hoogte van zijn eigen flapdrolschap en ’s morgens al tijdens het inzepen onder de douche op inspirerende wijze processen aan het stroomlijnen. Eenmaal op Kantoor geeft hij daar dan verder “handjes en voetjes aan”. De meeste mensen op Kantoor ondergaan hun bezielende flapdrol als een kruis dat zij nu eenmaal te dragen hebben. Maar soms is het wel heel moeilijk, zeker als de flapdrol een doorgeschoten cool guy is. Dan is een afkorting als FD een véél te keurige benaming. Even op doorbrainstormen in een volgende sessie, stel ik voor.
Overigens heb ik zelf een geweldig lieve manager, maar dat heeft er in zijn geval ook mee te maken dat ik nog dingen van hem nodig heb. Een paraaf voor m’n nieuwe laptop, om mee te beginnen.

Dit artikel stond op 21 mei 2016 in Volkskrant Magazine

Advertenties

reisfolderclichés

Ik weet niet hoe het jullie vergaat, maar ik moet er echt eens even hélemaal uit. Of eigenlijk weet ik wel hoe het jullie vergaat: precies hetzelfde. Waar de gestresseerde mens in andere jaargetijden de tip krijgt nog maar eens op de lip te bijten, is het standaard zomer-advies: op vakantie. En dat was je natuurlijk allang van plan, want de zomervakantie, dat is een afspraak. Het is de jaarlijkse great escape van de sleur van alledag en het leven in de kooi die Kantoor heet. Een ontsnapping waar, ironisch genoeg, vrijwel niemand aan ontkomt. Reisbureaus en websites met ‘travel’ in de naam doen er alles aan om de overtuiging aan te wakkeren dat we niet kunnen wáchten op verlossing van ons doorsnee leven. En ze snijden in hun verleidingstactiek precies onze zwakke punten aan. De 7 clichés van de reisfolder.

Je bent er gewoon ongelófelijk aan toe.
“Jij wilt toch óók ontsnappen aan de dagelijkse stress?” “Ga je eindelijk die verre reis maken die al heel lang op je bucket list staat?” “Wie wil er nu niet uit de dagelijkse ratrace ontsnappen voor een heerlijke vakantie?” “Waar wácht je nog op?” De boodschap is duidelijk: je bent eigenlijk niet helemaal normaal als je niet gek geworden bent van het jaar dat achter je ligt. Een beetje handig reisbureau maakt bij het opporren van de reislust gebruik van de time-hop, het schrijven in de tegenwoordige tijd, die je droomvakantie direct heel dichtbij brengt.“In de avond geniet je van een koel drankje op een van de vele terrassen.” “Je wandelt door slaperige dorpjes.” “Je hoort het ruisen van de zee.” Kortom: je hebt nog niet eens geboekt maar je zit er eigenlijk al.

Ineens heb je het: je wordt ontdekkingsreiziger.
Of nou ja, zítten? Sorry, dát is eigenlijk niet helemaal de bedoeling. Hoewel vakantie vooral bedacht is om te genieten van je “welverdiende rust”, blijkt die rust nogal betrekkelijk. Vrijwel alle reisgidsen juichen dat het tijd is voor “je vólgende enerverende reisavontuur”, waarmee dus direct even is vastgesteld dat het concept ‘avonturen beleven’ in principe een goede gewoonte is. Je krijgt een oproep: “Laten we overal naartoe reizen waar de wind ons brengt.” En direct daarna een belofte: “Je beleeft het avontuur van je leven!”
Elke zichzelf respecterende reisgids brengt dus een zo groot mogelijk contrast aan met het gewone leven. Niet voor niks. Van negen tot vijf op je linkerbil hangen en dingen aan elkaar nieten, dat doe je immers het hele jaar op Kantoor al. Daar komt bij: de moderne mens ziet zichzelf graag als avontuurlijk wezen en vindt het dus fijn om als zodanig te worden aangesproken. Ontluisterend genoeg blijkt dat avontuur bij nadere lezing van de reisgidsen ferm dichtgetimmerd. Wie op “ontdekkingstocht” naar ergens in Italië wil, krijgt bijvoorbeeld “7 of 9 nachten met ontbijt, olijfolie- en wijnproeverij, twee diners, huurauto en vlucht vanaf Eindhoven – ook mogelijk om in termijnen te betalen”.

Je zult steil achterover slaan.
Toch is er de reisaanbieders álles aan gelegen om je in de waan te laten dat je een ontdekkingsreiziger pur sang bent of kunt worden, die vooral “wég van de gebaande paden” wil. Bijvoorbeeld naar een “vrijwel onontdekt gebied in Zuid-Afrika” (dus waarschijnlijk weet alleen de reisorganisatie ervan). Of naar één van India’s “best bewaarde geheimen” (dus waarschijnlijk weet alleen de reisorganisatie ervan). Maar als je leest dat je je “schrap moet zetten voor een cultuurshock”, dan is het onverwachte er natuurlijk al wel een beetje af bij de arrival ter plaatse. En als de “pure, ongerepte stranden van het land nog onontdekte parels z…” – wacht eens even, hoe weet het reisbureau er dan van?! Haha, gotcha!
Als om deze malversaties te verhullen, wordt het twijfelachtige avontuur dat de reisgids ons biedt, ons gepresenteerd als een bijna mythische slash religieuze slash druggerelateerde ervaring. Het is hoe dan ook een onderneming die je met open mond ondergaat. “Je waant je in het paradijs.” “Je zult je verbazen over de graffiti muurschilderingen.” “Je vergaapt je dag in dag uit aan de bezienswaardigheden.” “Je valt van de ene verbazing in de andere.” Bij avonturentaal horen overdrijvingen. Dus zijn er “schier oneindige stranden” en is er sprake van een “ongelofelijk grote schoonheid”. En trouwens: “De zon schijnt er altijd en de mensen zijn ontzettend gastvrij.” Case closed.

Er is gelukkig een to do list.
Nu is het hele leven natuurlijk één grote to-do-list, laten we daar niet kinderachtig over doen. Maar de lijst met dingen die je op vakantie per se gezien, gedaan en beleefd moet hebben, is niet mals. “Een bezoek aan Alcázar mag eigenlijk niet aan je lijstje ontbreken.” “Sla ook zeker de Duomo di San Martino niet over.” “Vergeet niet je wandelschoenen mee te nemen, want dit gebied leent zich uitstekend voor een lange wandeling.” “Nu je je op slechts vijfentwintig kilometer van Luca bevindt, mag je een bezoek aan deze romantische stad niet overslaan.” De termen ‘niet overslaan en ‘vergeet niet’ zijn misschien wel de meest gebezigde frases in de reisbranche. Hallo, het lijkt Kantoor wel! Met allemaal dingen die op tijd af moeten! En duizend regels waar je je aan moet houden! Je zou haast terugverlangen naar die ellendige ratrace waar je net even tweeénhalve week aan was ontsnapt, als we de reistijd eraf trekken dan.
Natuurlijk, deels is de vakantie-to do list een adequate manier om bij thuiskomst sociale afgang te voorkomen. Je moet niet hebben dat je collega’s straks smalend roepen: “WTF JE HEBT DE BIJNA UITGESTORVEN MINIREUZENMARMOT VAN DIT OF DAT EXOTISCHE EILAND NIET GEZIEN?!” (En jij dacht nog: god wat stikt het hier toch van de zwerfkatten zeg.) Op een ander niveau is het interessant dat het avontuur dat vakantie heet blijkbaar van alle kanten moet worden gestut door wegwijzers en reminders. De reisbureaus wekken voortdurend de suggestie dat je zónder het lijstje de essentie van je vakantie mist en het avontuur niet ten volle zult ervaren. Dat is natuurlijk de zaken helemaal omdraaien. Maar eerlijk is eerlijk, het voelt de rest van het jaar ook eigenlijk best veilig om te doen wat een of andere geflipte manager je voorschrijft. En als je wordt gesommeerd “heerlijk te verdwalen” in een of ander oerwoud, dan is één ding in elk geval duidelijk: wát er ook gebeurt, echt verdwalen zul je niet.

Je bent héél ver weg – maar ook weer heel dichtbij.
Om ons er warm voor te maken, presenteren de reisgidsen je “unieke vakantie-avontuur” dus als absoluut tegengestelde van je gewone slaapverwekkende rotleven. Dat kan alleen maar door er een zo groot mogelijke afstand tussen te fabriceren. Maar terwijl de reisfolder dat doet, wordt tegelijkertijd benadrukt hoe dichtbij al dat vreemde is. Over “verre zonvakanties”: “De populairste bestemmingen in het Caribisch gebied zijn onze eigen Nederlandse Antillen.” “Afrikaanse cultuur op slechts 6 uur vliegen.” En mocht het toch allemaal een beetje exotisch overkomen: “Weg van de tempels relax je in één van de nieuwe ‘upmarket’ resorts nadat je bent aangekomen op het strakke, geheel vernieuwde vliegveld.” Pfjew, adem uit: hoe groot de afstand ook is, zó’n enorme stap is het dus ook weer niet. Op een iets andere manier bewerkstelligt de continue benadrukking van de “onvergetelijkheid” en het feit dat je “nog lang zult nagenieten” hetzelfde – het is een subtiele vooruitverwijzing naar als je straks weer veilig thuis bent. Hoe ver je ook weg bent, je eigen huis is altijd dichtbij.

Je komt in een warm bad.
De reisbureaus doen daar zelfs nog een schepje bovenop. Zo wordt al het avontuur dat je te wachten staat steevast gecompenseerd door een ware tsunami aan vriendelijkheid en warmte die heel erg aan thuis doen denken. Soms letterlijk: “Bij het eerste kopje koffie weet u: dit is thuiskomen.” Vaker wordt er verwezen naar de immer “gastvrije bevolking” die elke vakantie tot een “intens genoegen” maakt. Zo moet het raar lopen “als je niet een avond lang met Turken over van alles en nog wat gesproken hebt.” “Het kan een avontuur zijn vol ontmoetingen met vriendelijke mensen die graag een gesprek met je aanknopen.” Of hier, in één zin avontuur en veiligheid op schiterende wijze verenigd: “De vaak woest ogende natuur staat in opvallend contrast met de open en gastvrije bevolking.” Echt gezellig.

Adembenemende vergezichten: check.
Een reisgids is vaak net een ansichtkaarttekst uit de jaren vijftig. Zo heeft elke bestemming “voor elk wat wils”, is het er “heerlijk toeven”, kunnen watersportliefhebbers “hun hart zeker ophalen”, liggen bezienswaardigheden bij voorkeur op “een steenworp afstand” (maar desondanks word je geacht urenlang te “struinen” of “slenteren”. De versteende taal van het reisbureau doet wel wat denken aan… verrek, je opa en oma! Maar het absolute toppunt van verstening zien we in de combinatie-clichés die al sinds jaar en dag dezelfde zijn. Telt u even mee: adembenemende vergezichten, oogstrelende landschappen, witte stranden, weemoedige fadomuziek en zoete druiven. Ravijnen? Duizelingwekkend. Straatjes? Schilderachtig. Vestingmuren: eeuwenoud. Ergens bekruipt ons een gedachte: waarheen we ook gaan, we weten al precies hoe het eruit gaat zien.

Dit artikel stond op 4 juli 2015 in Volkskrant Magazine

musthaaaave

Ik zal maar direct uit mijn walk-in closet komen: mijn vage verlangen om met de mode mee te doen wordt wreed doorkruist door een nog veel groter verlangen: mijn hele leven uitzitten in mijn oversized knalrode joggingbroek. Maar goed, dit dóe je gewoon niet. Hoewel, soms twijfel ik. Hij zit zo fokking lekker. En ik hoor modemeisjes óm de anderhalve zin een term als ‘nonchalant’ en ‘casual’ gebruiken. En gisteren sloeg ik een modeblad open en de term joggingbroek sprong zo van de pagina! Komen dromen dan soms tóch uit? Maar toen ik ademloos verder las, begreep ik dat je er voor een vrouwelijke touch natuurlijk wel killer heels onder zou moeten dragen. En bij het verder bladeren werd de teleurstelling alleen maar groter: ‘casual’ wordt net iets te vaak in één adem met ‘chic’ genoemd. En ‘nonchalant’ – dat blijkt bij nader zien vooral bestudéérd nonchalant. Of, zoals de modebladen zouden zeggen: “quasi lukraak”. Ik weet genoeg. Of eerlijk gezegd: ik volg het niet helemaal maar ik begrijp één ding wel: toedeledokie, joggingbroekdroom.

De fashionmagazines zijn een wereld vól met codewoorden die vaak net iets anders betekenen dan ze lijken te betekenen. Het is een wereld van grafische prints en killer heels. Van klassieke silhouetten en gekke twists. Chunky sieraden, preppy denimbloesjes en “boho zonder poespas”. Nou, over die poespas valt te twisten. Een beknopt lexicon van de modebladen.

MUSTHAVE
Spreek uit : “OMG MUSTHAAAAAVE!!” Je ziet voor je geestesoog direct een heleboel verwend stampvoetende modemeisjes, die zich door niets en niemand laten weerhouden in hun queeste naar dat ene fashion-item dat hun bomvolle kledingkast en leven gaat completeren. De musthave past prima in het verslavingsjargon dat modebladen eigen is. Mocht je nog niet weten of je het wilt: “Je wilt het allemáál.” Mocht je nog last hebben van gezond verstand: “Oké, oké, we geven het toe, eigenlijk zoeken we gewoon allerlei excuses om er eentje te kopen. Ben jij al om?” En mocht je je eigen justificaties nog niet helemaal geloven: “Als je ze volgend seizoen zat ben kun je ze zonder gêne aan je minder modebewuste zus of vriendin geven.” Supersympathiek!
De musthave is, behalve de meest afschuwelijke fashionterm ever, ook een bijzonder afgesleten term: je komt hem inmiddels namelijk in zo ongeveer alle andere settings van het leven ook tegen. Musthave slowjuicer. Musthave oerbroodbakmachine. En kijk nou, de web-etalage van het plaatselijke dierenasiel: “Poes Simba is een lieve schat, echt weer eens een must have cat.” Maar nee hoor, de modebladen zien vooralsnog geen énkele aanleiding de musthave te dumpen.

CONTRAST
De eerste modegod slash stylist die het woord ‘contrast’ niet op het voorhoofd gekerfd heeft staan, moet nog geboren worden. Haal even diep adem, hier komen ze. Een sjieke rok met een stoere trui. Stiekem bloedsexy, die nieuwe degelijkheid. Zacht zijde, maar wel met een ruige rand. Een old time favorite met een gloednieuwe lieveling. Zoete tinten met een rebelse bijsmaak. Stoere boots die contrasteren met een lief jurkje. Oversized strepen die vragen om een bescheiden tegenhanger. Met een kanten jurkje met kittige hakken op een brommer scheuren. Luxe combineren met “een straatgevoel”. En daar is het woord: “Een kermisattractie ben ik nog net niet maar je zou mijn stijl wel kunnen omschrijven als eclectisch.” Soms zit het contrast hem (ook) in de pecunia: koop deze katoenen maxi-jurk (338 euro) en combineer hem met leren kistjes van het Waterlooplein. Inderdaad: “een vervreemdende mix van high en low culture.”
Eenduidigheid is morsdood, dat is duidelijk. Superleuk, toch? Want dankzij het arty contrastenfeestje hebben we veel meer bewegingsvrijheid gekregen. Je kunt lief én stoer zijn. En sexy en superdegelijk tegelijk (hmm?). Aan de andere kant: worden we nú van de weeromstuit geacht om volcontinu een mix van totaal tegenstrijdige signalen uit te zenden? Waar gaat dat naartoe? Neemt íemand de vrouw nog serieus?! Damn, er is ook altijd wat. Even in de gaten houden.
Synoniem van contrast: balans (“je krijgt het door lakleer af te wisselen met zachte breisels”). Ook veelgebruikt: “spanning creëren”. Tot je erbij neervalt dus. Dat brengt ons direct bij het nadeel van de zucht naar contrast: je wordt er wel een beetje moe van.

FAUX PAS
Soms lijkt het alsof de sky the limit is in die malle fratsen-fashionwereld. Niets is minder waar, natuurlijk. Hoewel de modebladen continu suggereren dat je het mix- en matchgewijs hélemaal zelf moet weten, moet je dat wel op deze, deze en deze manier doen. Een faux-pas (de sjieke term voor een blunder) is snel gemaakt. Daarom krijg je op elke bladzijde de helpende hand aangereikt en het verkapte advies om eens goed naar jezelf te kijken. Let wel: dat gebeurt voornamelijk en passant – nergens vind je zulke subtiele voorschriften als in de modebladen, die mikken op de goed verstaander. Zo is print goed, maar wel een uitdaging. Het is zaak dat je zo’n stuk combineert met iets fijns en kleins. En ja, een parka is praktisch maar doorgaans niet per se stijlvol. Dat een hoge hak je benen verlengt, dat wist je al. Hier rockt X de polkadottrend zonder op een circusact te lijken. Kun je het hebben, vooral doen. Deze jurk is sexy, maar niet té. Strapless jurk en zware borsten? Dat doet niets voor je. Dat is allemaal wel héél lief gezegd, lieve modebladen, maar ondertussen pikken we de hint wel op hoor.
Al deze mitsen en maren gelden trouwens niet voor de happy few die de regels aan hun boots mogen lappen. “Het is een beetje een geval van: je oma’s kanten kleedje aangetrokken? Maar als íemand het kan doen, is het Poppy.” Voor natural beauties en stijliconen ligt het allemaal net weer anders namelijk. Die komen overal mee weg. Hoe dat nou weer kan? “Haar geheim is volgens mij dat Carice alles weet te mixen. Bij een lange jurk draag ze gewoon een baseballpetje.” Ja en al ons eigen gemix en gematch dan?! Sorry, nét niet dus. Want wij hebben dus duidelijk niet dat… dat… ja dat je ne sais quoi waarvan dus niemand weet wat het precies is, maar dat elke modejury nederig in zwijm doet vallen.

SIGNATURE STYLE
Zeker, Gerda van de boekhouding heeft in principe óók een signature style, want die komt elke dag naar kantoor in een C&A-spiekerboks met een geruite blouse. Maar nee, dat is dus níet de signature style die de fashionindustrie bedoelt, Gerda! Het idee is dat je je via het eindeloos mixen en matchen een hyperindividuele kledingstijl verwerft die dus “helemaal jij” is. En dan wordt het wazig in de modebladen. Want enerzijds ben je met je je eigen sublieme stijl “de beste versie van jezelf”. Mode is “een expressie van hoe je je voelt”. Je kleding moet je personality onderstrepen, “en zeker niet overstemmen”. Aan de andere kant lijkt mode ook een project te zijn waarmee je jezelf uitvogelt. En zelfs de toegangspoort tot iets béters dan je huidige zelf. “Kleding geeft je zelfvertrouwen. Door stoer gekleed te gaan zeg ik eigenlijk: ik doe waar ik zin in heb.” “Een vrouw met laarzen straalt uit dat er met haar niet te spotten valt.” “Je gaat door de goede kleren aan te trekken zelfs anders lopen en kijken: je wórdt iemand.” En dan ineens is een uitbundige exotische mix van prints áltijd een goed idee, “want het getuigt van lef en creativiteit.” Ja hallo, moeten we onszelf nu wel of juist NIET OVERSCHREEUWEN!? Kortom, wie je precies wordt met kleren aan is niet helemaal duidelijk, en ook niet of je het zélf dan nog wel bent.
Wie trouwens geen idéé heeft wie ze zelf eigenlijk is en hoe dit zich zou moeten vertalen in een particuliere signature style: gelukkig hebben kleren zélf ook karaktereigenschappen – die mens en dier niet zouden misstaan. Zo heb je eigenzinnige materialen, stoer velours, aaibare jassen, lieve breisels en edgy boots. Een beetje mixen en matchen en je verwerft jezelf een scala aan gewenste kernkwaliteiten.
Verwar de signature style trouwens niet met de statementketting. En ook niet met statementteksten op borsthoogte. Die zijn weer helemaal hip maar gelukkig vaak onleesbaar of abstract – en dus kan niemand er aanstoot aan nemen.

VINTAGE
Heel nobel, álle fashion magazines vinden het megabelangrijk dat je vaker je oma bezoekt. Eh ja, om er een oud gehaakt truitje tussen de mottenballen weg te rippen dan, natuurlijk. “Dikke kans op geweldige vintagevondsten.” Geweldige vintage schoenen bijvoorbeeld. Of een geweldig vintage bontvest. Iets van kurk! “Leuk, dat oldschool lapjeskatgevoel!” Mocht je oma al dood zijn, kies dan noodgedwongen voor neppe vintage. Bijvoorbeeld iets dat door de onafgewerkte naden líjkt op vintage. Of denk aan het nostalgische van tweed, dat het “de perfecte kandidaat” maakt voor een authentieke doch compleet gereconstrueerde jarenzestiglook.
Nostalgie is helemaal “van dit seizoen”, aldus de modebladen. Maar er zit wel degelijk een gevaar in al dat geromantiseer van lang vervlogen tijden, namelijk dat je op een kattenvrouwtje gaat lijken. “Wel uitkijken, want anders wordt het te obvious jaren zeventig.” Let dus op dat je er altijd een eigentijdse feel aan geeft. Want alleen dan, en dáár zullen we hem dan eindelijk hebben, is het duidelijk dat je het allemaal slechts met een knipoog naar het verleden bedoelde, hahaha! En zoals de modebladen zelf continu benadrukken: “een beetje humor mag best!” Helemaal mee eens. Want laten we het toch in vredesnaam allemaal niet te serieus nemen.

Dit artikel stond op 14 maart 2015 in Volkskrant Magazine

comfortzone

Soms is er maar één woord voor nodig. “Het idee is dat jullie vandaag lekker hélemaal uit je comfortzone komen”, zei de vrouw die bij ons op Kantoor de workshop ‘Bereik je doelen’ leidde. Ik schoof mijn stoel naar achteren, liep naar voren en gaf de vrouw een enorme knal voor haar hoofd. “Oh jee”, zei mijn collega M. die me had overgehaald om mee te gaan. Een vrouw achter hem sloeg een hand voor haar mond. Maar naast haar begon een man met zwarte krullen te giechelen. Wie er begon met klappen was niet duidelijk. Aarzelend vielen anderen in. Het zwol nogal aan allemaal. Het applaus kreeg een ritme; her en der klapte een aansteller nadrukkelijk langzaam. Ik stak één hand op en liet de menigte bedaren. Daarna nam ik weer plaats in de zaal, wreef mijn knokkels en vroeg me af wat er precies met je zou gebeuren als je daadwerkelijk een workshopleider tegen de grond sloeg. Zou er politie bij worden gehaald eigenlijk? Iemand zou het een keer moeten uitproberen.

Want de comfortzone klinkt súpergezellig – maar hij is dat allerminst. Het akelige van de comfortzone is namelijk dat we net lekker lagen maar dat we er als de sodemieter uit moeten. Jij gaat dood als je voor grote groepen mensen moet spreken? Hatsee, komende dinsdag gewoon doen! Je bent bizar slecht met getallen? Hier heb je een trap onder je kont en een rekenmachine! Het is onduidelijk wanneer de comfortzone precies de oversteek vanuit Amerika maakte maar het mag duidelijk zijn dat we sindsdien geen relaxte dag meer gehad hebben. Als één ding bewijst dat calvinisme van alle tijden is, dan is het wel de comfortzone. Het probleem zit hem in de verwerpelijke overtuiging dat we het áltijd beter moet kunnen dan we eigenlijk kunnen. En, misschien nog wel verwerpelijker: dat het nastrevenswaardig is om dingen te doen waar je je niet echt chill bij voelt. Je gaat met plezier naar je werk? Wacht, daar verzinnen we iets op. Leidinggeven, heb je dat al eens gedaan? Maar hoezó zou je dat niet durven!? Ik kan u Kantoortuinen aanwijzen die zijn vergéven van werknemers die zo hop vanuit hun comfortzone in de shit zijn geraakt – en hele afdelingen hebben meegesleurd in hun ongeluk. Dus laat ik het eens scherp stellen: voor de meeste mensen op aarde is het het beste om helemaal nooit uit hun comfortzone te stappen. Speel liever ’s avonds een potje Risk en ga dan gewoon lekker slapen.
De ‘stap uit je comfortzone’-mythe is maar één van de vele uit het therapeutendiscours overgewaaide voorschriften en inzichten over hoe je het beste kunt leven en een gelukkige staat van zijn bereikt. Die selfhelp-mantra’s zijn op geniepige wijze common sense-gedachtegoed geworden, waarmee de mensen zichzelf en elkaar bij voortduring om de oren slaan. Het punt: veel van die how to’s zijn gewoon… enfin, totale onzin dus. Hieronder nóg vijf geluksmythes, debunked.

Mythe 1 Wees jezelf
Voorstel: Wees minder jezelf
Het is wel verwarrend soms. Werden we zojuist nog gepusht uit onze comfortzone te stappen, aan de andere kant moeten we juist vólcontinu in contact met met onszelf blijven. Een veelgehoorde opdracht die medemensen elkaar geven: “Wees gewoon lekker jezelf”. Een veelgehoorde evaluatie van een date, sollicitatie of cursus origami: “Ik had wel het idee dat ik mezelf kon zijn.” Een veelgehoorde reactie op kritiek: “Euh sorry hoor, ik was gewoon mezelf.”
Omdat je, puur feitelijk, al de hele tijd degene bent die je bent, lijken het overbodige opmerkingen. Zo kun je immers moeilijk iemand aanraden een ander te zijn hoewel het soms best wenselijk zou zijn – maar dit dóe je gewoon niet. Het punt is: als het zó vaak gaat over jezelf zijn, dan is dat niet voor niks. Blijkbaar is het voor de meeste mensen ontzettend belangrijk aan de lopende band hun uniciteit te benadrukken. En van daaruit: hun tevredenheid of onvrede over de rest van de wereld. Ik weet niet of jullie dat wel eens hebben gedaan maar ik heb wel eens ingezoomd op mijn woonadres in Google Maps en daarna dan langzaam uitzoomen. Net zo lang tot je alleen nog maar continenten ziet. Schitterend! En ook schokkend om de dingen in perspectief te zien: OMG, wie bén ik nu helemaal.
Nou ja, mezélf dus. Inhoudelijk gezien stelt dat ‘jezelf zijn’ trouwens teleurstellend weinig voor: de meeste mensen bedoelen ermee dat ze gewoon lekker hun ding willen kunnen doen, zonder te veel gesodemieter en misschien met een blokje kaas erbij, gezellig.

Mythe 2 Ga in je kracht staan
Voorstel: Doe voorlopig even niks.
De mogelijkheden van dit voorschrift zijn schier eindeloos. Telt u even mee. Zo kun je zelf in je kracht gaan staan. Je kunt in je kracht worden gezet. Je kunt anderen in hun kracht zetten. Ook wel eens gehoord: “Nu moet je ervoor zorgen in je kracht te blíjven!” Maar vaak moet je wel eerst even “over je schaduw heenspringen”, voordat je écht in je kracht et cetera.
Wat helder is aan deze zelfhulpmythe: je moet in elk geval niet slecht ter been zijn. Wat niet helder is aan deze mythe: de hele flikkerse rest. Want wat the hell ís het eigenlijk, in je kracht staan?! Waar de mensen die dit soort vaagtaal spreken allemaal prima lijken te weten waar dit over gaat, doemt bij mij altijd het beeld op van iemand die wijdbeens in een bushokje staat. Of in een rij bij de bakker. In je kracht staan, je moet het denk ik eerst snappen en daarna een keertje uitproberen.
Er zijn trouwens wel meer adviezen met een sterk fysieke component en daarvan weet ook niemand hoe het precies zit. “Laat het los”, bijvoorbeeld. Of juist het omgekeerde; zo hoorde ik pas: “Omarm je verkoudheid, dan ben je er sneller vanaf.” Iemand in zijn kracht sláán, is dat ook een optie?

Mythe 3 Volg je intuïtie
Voorstel: Gebruik je verstand.
Wat zo leuk is aan het menselijk ras is dat er hersens bij betrokken zijn, die op zich best complex in elkaar zitten. Toch hoeft er in het gezelschap maar één persoon te zeggen: “Maar dat voel ik nu eenmaal heel sterk” en alle valide argumenten vallen plat voorover neer op tafel, morsdood. Gevoel wint altijd, wie zijn beleving in de strijd werpt, kan rekenen op een respectvolle stilte. Stamt nog een beetje uit de jaren zeventig, toen men begon met propageren dat je niet alleen dicht bij je emoties moest zien te komen, maar dat je ze er vooral ook állemaal uit moest gooien. Maak van je hart geen moordkuil, want straks ga je dood aan opgekropte emoties en dat zou ook weer zonde zijn. Wat blijkt: die mensen houden geen sociale contacten meer over! Want niemand zit te wachten op mensen die nu eenmaal heel sterk de behoefte hadden dit even met je te delen.
Natuurlijk, gevoelens mogen er gewoon zijn, ik bedoel: we hebben ze nu toch. Maar zie ze een beetje in perspectief. Geldt ook voor als je intuïtie, de rekenmachine van gevoelsmensen, zegt dat “er iets niet pluis is”. In realiteit is dat gewoon een klinische optelsom van eerdere ervaringen. Door je hersens dus. En schrééuwt uw intuïtie dat deze man echt helemaal oké is, dan spreek ik u over enige maanden nogmaals. Emotie is in allerhande zaken vervelend genoeg vaak eerder de slechtste raadgever dan de beste. Vandaag voel je dit, morgen voel je ineens dat, enfin, ik hoef u daar niets over te vertellen. Zeg dus eens wat vaker “Ik ga daar nog eens goed over nadenken.” En dan ook echt dóen.

Mythe 4 Geluk is een keuze
Voorstel: Soms heb je gewoon pech.
Het klinkt zo gezellig. Maar slecht nieuws, want het is zonder twijfel de meest tricky mythe, of moeten we het een religie noemen? Varianten van het geloof dat geluk een keuze is: “The sky is the limit” en “Alles lukt, als je het maar wilt.” Centraal daarin staat een moeizame verhouding met de realiteit, want: wat nu als het je toch onverhoopt niet lukt? Oh wacht, dan heb je het gewoon nog niet hard genoeg gewild. Ja, zo kan ik het ook.
Een gevaarlijke denkwijze, omdat hij nogal aanschuurt tegen de orenmaffia, die zelfs vreselijke ziektes ziet als de dodelijke consequentie van verkeerd denken. (Op zich een heel grappige gedachte, als het niet zo ernstig was dan.) Als geluk een keuze is, is ongeluk dan ook een keuze? Ja natuurlijk, en vandaar dat de eigen-schuld- dikke-bult-mythe veel ploeterende mensen erg ongelukkig maakt. Hebben ze dan niet hard genoeg hun best gedaan? Nee hoor, soms heb je gewoon pech en kom je gewoon de goeie mensen niet tegen. En de verkeerde mensen wel. En je hebt je personality natuurlijk ook niet voor het uitkiezen. Al is dat natuurlijk vloeken in de kerk die Totale en Algehele Zelfbeschikking heet. En waar net iets te veel mensen belijdend lid van zijn tegenwoordig.

Mythe 5 Denk in uitdagingen
Voorstel: Denk in problemen.
Iedereen kent wel iemand die bij de geríngste verwijzing naar een kinkje in de kabel bezwerend de hand opheft en met overslaande stem roept: “Dat is geen probléém, dat is een úitdaging.” Nog los van het feit dat dit vaak donders irritante mensen zijn: misschien maakt u zich er zelf ook wel eens schuldig aan. Oh jawel, zou heel goed kunnen. We zijn nu eenmaal gevangenen van een samenleving die het woord probleem nauwelijks meer durft uit te spreken en als door een wesp gestoken reageert als een ander dat wel doet. Let er maar eens op hoe vaak het zinnetje “Dat is wel even een prob… een ding” wordt uitgesproken. Niemand, maar dan ook niemand wil worden geassocieerd met negatief in het leven staan, klagen om het klagen, en blijven hangen in ellende. Blinde positiviteit is het nieuwe ‘och, even aanzien hoe het verder gaat’ en is net iets te vaak totaal gespeend van enige realiteitszin.
Want, en de mensen die er niet tegen kunnen moeten nu maar even hun ogen dicht doen: het leven ís ook gewoon moeilijk. Laten we elkaar niet voor de gek houden, er is toch best een hoop ellende op de wereld. En soms heb je gewoon geen geld en wel een rotjeugd gehad. Dat biedt niet stante pede kansen, nee, dat is gewoon zwaar verdrietig. Het is precies het stilstaan bij de rottigheid die ons steeds lastiger af gaat. Want ergens de schouders onder zetten ziet er nu eenmaal een stuk aantrekkelijker uit dan de schouders laten hangen. Terwijl dat soms wél een adequate reactie is op tegenspoed en ellende. Eerst eens even huilen. Of je kapot schamen. Of spijt hebben – óók al zo’n taboe these days. Het hoeft allemaal niet op Facebook hè, niemand hoeft het te zien. Eerst wonden likken, en daarná krijg je vast nog wel de kans om er hopelijk alsnog iets van te maken. Of niet, want what doesn’t kill you maakt je meestal wel een beetje beschadigder.
Lijkt stilstaan bij uw problemen u desalniettemin lastig omdat u er nog steeds vanuit gaat dat het leven “een feestje” moet zijn? Zie het als een Uitdaging, wordt het direct een stuk leuker van. Niet makkelijker trouwens. Maar enfin.

Dit artikel stond op 14 februari 2015 in Volkskrant Magazine

robinson

Ik ben in het geheel geen survivor, ik ben meer een afhaker. Dus als ik me voorstel dat ik mee zou doen aan Expeditie Robinson, komt er direct één beeld boven: ik lig in een oerwoud te kreperen. Nou ja en dan is de rest makkelijk in te vullen. Twee mannen in witte jassen buigen zich bezorgd over me heen. Of ik weet welk jaar het is. (Dit vind ik sowieso altijd een lastige vraag.) De dokters wisselen een blik. De één schudt haast onmerkbaar zijn hoofd, de ander maakt een keeldoorsnij-gebaar. Voor ik het weet glijdt het eiland Mensirip onder mij voorbij. Zeven stipjes zwaaien naar me. Doei Team Zuid, het waren twee geweldige dagen.

Enfin, ik zou aflevering één van Expeditie Robinson dus beslist niet overleven. En ik heb dan ook helemaal níets met de drive om je op een onbewoond eiland uit te hongeren, af te laten beulen en misselijkmakend krioelende larven te eten. Natuurlijk, in de woorden van de kandidaten klinkt het beter, die willen zonder uitzondering “ervaren hoe ik ben onder de meest extreme omstandigheden” en vooral ook “ontdekken waar m’n grenzen liggen”. Maar in the end komt dat toch vooral hierop neer: overleven op crashdieeteiland waar je niets heb, behalve honger. Zeven rijstkorrels, op acht mensen. Die ook nog eens allemaal hun eigen personality meebrengen.

Dat móet haast wel fout gaan. En dat doet het natuurlijk ook, al veertieneneenhalf seizoen lang. Een schát aan sociale interacties gone wrong dus. Botsende karakters galore. Net als in het gewone leven dus, alleen dan in een soort snelkookpan. Want een paar fouten en de groep stemt je rücksichtslos weg. Tijd voor een lijstje Essentiële Levenslessen die we hebben geleerd van Expeditie Robinson – in één ruk door te vertalen naar de kantoortuin en je privérelaties.

Levensles 1 Beheers je emoties.

Emoties zijn goed. Emoties horen erbij. Zonder emoties geen emoji’s. Maar: je hebt huilen en huilen. Een traantje wegpinken? Kan. Maar valt van het traanvocht een heel behoorlijk cup à soup-moment te creëren? Kan niet. Natuurlijk, soms wordt het een Robinson-kandidaat allemaal te veel. Je bent ver van huis, je hebt een diepe haat aan kokos en de stellige indruk dat de mensen over je lullen. Dan is een lekkere huilbui gewoon soms nodig om het allemaal weer in perspectief te zien. Maar potverdikkie, doe het dan in vredesnaam in de privacy van je eigen klamboe!

Het is eigenlijk net zoals op Kantoor. Als de opwellende tranen het zicht op je Facebookpagina beginnen te blurren: sluip éven naar de meisjes-wc en brul tijdens het doortrekken je ellende eruit. De mensen hebben namelijk in principe diep, díep medelijden met hen die ontroostbaar huilen, maar daarna fronsen ze hun wenkbrauwen. Iets bevalt ze niet aan huilende mensen en dat is: het huilen. Het begint met een l en eindigt op abiel. Hier winnen we de oorlog niet mee.

Levensles 2 Stel je bescheiden op.

Regel één voor wie bij Expeditie Robinson een paar wegstemrondes wil overleven: wees niet te zeer vervuld van jezelf, óók niet wanneer je daartoe alle reden hebt, bijvoorbeeld vanwege je triceps. Als je alle Robinson-afleveringen met elkaar vermenigvuldigt en deelt door het aantal spierballen, dan komt er één ding duidelijk naar voren: blaaskaken worden er uiteindelijk unaniem uit gestemd. En nee, dat is teamsgewijs niet altijd even handig, want zo win je dus nooit meer een proef, moet je elke keer naar de Eilandraad en kan het voltallige Kamp Noord binnenkort in hetzelfde vliegtuig als die patser naar huis (“Oh… hoi. Jij hebt 54B? Ik 54C”). Maar het is niet anders. De mens straft nu eenmaal graag de medemens af die al te zeer met zichzelf ingenomen is. Hatsee, extra stem en opzouten.

Net als in het gewone leven geldt dat wie roept hoe goed hij wel niet is, erom vráágt om een kopje kleiner te worden gemaakt. De meest succesvolle Robinson-patsers rollen dus niet te veel met hun spierballen en trekken een bescheiden gezicht, óók als ze zojuist een uitzonderlijke prestatie hebben neergezet door bijvoorbeeld in dertig seconden het hele eiland met de hand om te spitten.

Levensles 3 Wees niet te negatief .

Net als pessimisten hebben ook negatievelingen bijzonder vaak gelijk over de staat van de wereld en waar het met ons naartoe gaat (we gaan er allemaal aan). Maarre, do you wanna be right or do you wanna be happy, om die goeie ouwe dokter Phil maar eens aan te halen. Precies! Van een doemdenker wordt niemand gelukkig. Die zuigt alle energie uit de medemens weg – en op een onbewoond eiland waar niemand meer vetreserves heeft, kun je dat gewoon niet gebruiken. De rest van de groep is dan ook geneigd om langzaam maar zeker afstand te nemen van de azijnzeiker. Misschien wel van evolutiewege, want zo’n attitude kon natuurlijk in de oertijd ook al niet: “Right. Speerwerpen naar een buffel. Ik dacht het niet. En trouwens ik lúst niet eens buffel, denk ik.” Als mensen negatievelingen serieus zouden nemen, dan zaten we nu nóg in de prehistorie.

Levensles 4 Denk er het jouwe van.

Het is een groot misverstand dat alles wat je denkt ook uitgesproken zou moeten worden. Zin om met de nieuwe buurvrouw overspel te plegen? Zeg nog maar even niet tegen je partner. De behoefte om je baas te wijzen op zijn intelligentie-coëfficient? Nah, ik weet niet. Iemand staat op het punt een kokosnoot op zijn hoofd te krijgen? DIRECT MELDEN!

Kijk, zo simpel kan het wezen. Het idee dat je moet uiten wat er binnen in je speelt, stamt nog uit de terapeutiese jaren zeventig, toen de mensen begonnen te denken dat het belangrijk was om ‘helemaal jezelf’ te zijn. En dat het innerlijk een beerput was die om de zoveel tijd geleegd moest worden. Zit wat in. Je maakt er alleen niet altijd vrienden mee dus. En uit alle seizoenen Robinson is gebleken dat het heel erg loont om soms gewoon je grote mond te houden. Juist de meer onzichtbaren, die zich op de vlakte houden en niet óveral iets van vinden (of doen alsof), redden het vaak tot in de finale.

Bang dat je op deze manier niet ‘helemaal jezelf’ kunt zijn en dat al die opgekropte emoties er dan op een andere manier uit zullen gaan komen? Stel je niet aan.

Levensles 5 Wees een rat.

Bij Expeditie Robinson zit altijd wel een deelnemer die fris en onbevangen de wereld in blikt en ab-so-luut geen spelletjes wil spelen. Deze deelnemer noemen we ook wel: de eerste afvaller. De anti-rat zelf ziet dit totaal niet aankomen en wordt vaak gefilmd tijdens het doen van uitspraken als “We hebben een heel fijne groep” (haha) en “Ik voel me superveilig bij hem, we zijn echt vrienden” (HAHAHA). Heading for disaster. De anti-rat is dan ook de deelnemer die je gedesillusioneerd, hélemaal naar de kloten en weggestemd aantreft op een Eilandraad (“Je bent een fucking naaier, Manuel”). Het is heel rot om dat aan te zien en dat komt waarschijnlijk omdat de anti-rat ons doet denken aan wat oorspronkelijk de bedoeling van het mensenras is geweest.

Enfin, voor meer info over de rat moet u denk ik bij levensles 6 zijn.

Levensles 6 Wees geen rat.

Kijk, beste ratten, het komt al-tijd uit. De échte rat in Expeditie Robinson haalt namelijk net zo min de finale als de anti-rat. In eerste instantie lijkt er geen vuiltje aan de lucht. De rat aait, naait en paait er lustig op los. Maar dan raakt de rat, overtuigd van zijn eigen charmes, verstrikt in een web van leugens en bondjes en op een gegeven moment denken zelfs zijn sukkeligste groepsgenoten: wacht eens even, klopt dit wel helemaal?! Eh nee, natuurlijk klopt dit niet helemaal!

Het is overigens grappig om te zien hoe ontredderd de rat is als hij zélf ineens wordt weggestemd. De rat mag dan een meester zijn in het smeden van complotten en daarbij over lijken gaan, het idee dat hij er zelf ook slachtoffer van kan worden, is voor hem nauwelijks te verdragen.

Ik vraag me wel eens af hoe het de rat vergaat ná Expeditie Robinson. Het lijkt me dat er tot in lengte der dagen met een schuin oog naar je wordt gekeken door geliefden, vrienden en collegae. “Zullen we samen op fietsen naar Kantoor?” “En wat wil je dáár weer mee bereiken HUFTER???!” Het wordt nooit meer zoals het was, rat. Eigen schuld, dikke bult.

Levensles 7 Maak álles tot je comfortzone.

Expeditie Robinson is natuurlijk het ‘uit je comfortzone stappen’ voor gevorderden, wat zeg ik voor lunatics. Toch heeft de één daar duidelijk meer talent voor dan de ander.

Er zijn kandidaten die onverhoopt zeer unheimisch worden van levende natuur en bij het minste geluid in een boom springen. Sommige mensen weten al bij de eerste aanblik: oh shit, dit was een fout. En anderen overleven maar nauwelijks een verandering van eiland. Dat is het type dat ook in het normale leven niet gedijt bij afwisseling en al doodgaat bij het idee van de flexibele werkplek. Die verstarring leidt bij Expeditie Robinson gewoonlijk tot banaanobstipatie, kokoslethargie en in the end de zogenaamde hangmatziekte. En ja, tuurlijk, hangmatten zijn óók comfortzones, maar je wint er niet bepaald het respect van je groepsgenoten slash concurrenten mee. Dus voor je het weet, slaap je dan weer in je enige echte comfortzone in Almere Poort.

Tegenover al die kinderachtigheid staat het jaloersmakende gemak waarmee de die-hard overlever overal zijn plekkie van maakt. Slaapt gewoon dwars door het apengekrijs hen. Kan nog een comfortabele living van een mangrovebos maken. En draagt elke ontbering zo blijmoedig dat het bijna zeer doet. Dat is dus een échte Robinson. Het kan geen kwaad om daar een beetje bij in de buurt te blijven – wie weet is het besmettelijk.

Dit artikel stond op 11 oktober 2014 in Volkskrant Magazine

jezus

De zoon van God en ik gaan way back – als ik mijn jeugd zou moeten beschrijven, dan was het alsof Hij de hele dag bij mij achterop de bagagedrager zat. Of tegenover me aan tafel. Onder mijn bed. Boven aan de trap. Nou ja, om het even samen te vatten: in mijn jonge jaren was Jezus C. mijn allerbeste imaginary friend. Ik kende hem uit de Bijbel en hij was een zachtaardige jongen die dingen had gedaan die best op het randje waren. Zo hing hij met hoeren en tollenaars (iets wat ik zelf dus nóóit zou durven, maar het zou sowieso ook niet mogen van mijn vader en moeder), hij ramde eens een hele tempel in elkaar (idem) en hij genas met de regelmaat van de klok melaatsen, zodat die weer gewoon in hun eigen comfortzone konden wonen in plaats van op een afschuwelijk eiland met alleen maar etterende mensen. Hij praatte nooit iemand naar de mond, zoals alle andere volwassenen die ik kende. Want het mooiste aan Jezus was wel dat hij altijd net dat antwoord gaf waarvan je dacht: nou daar zou ik dus zelf nóóit op zijn gekomen om het zo aan te pakken maar hij heeft wel een punt!

Alleen al daarom won Jezus het glorieus van zijn Vader, die ik me eerder voorstelde als een soort Kapitein Von Trapp – een toornig heerschap met een opvliegend karakter dat eigenlijk een lachgrage vrouw nodig had om een beetje te ontdooien. En Jezus won het al helemáál van het instituut kerk in het algemeen, waartoe ik elke zondagochtend opnieuw veroordeeld was. Het begon al met het orgelspel bij binnenkomst, dat ervoor zou zorgen dat ik de rest van mijn leven bij de eerste klanken van een orgel in een diepe, snurkende slaap zou geraken. Dan de stilte na het orgelspel, het gereformeerde gekuch er doorheen. En dan het állerergste: de preek die zeker vier dagen duurde en alleen werd opgeluisterd door de dolbysurroundeske geluidservaring van rollen King pepermunt die voor je, achter je en naast je werden opengescheurd. De verveling was met geen pen te beschrijven, je kreeg serieus zin in het einde der tijden. Ik bedacht vaak wat er zou gebeuren als ik nu keihard zou gaan gillen. Soms deed ik mijn mond al open. Ik hoefde alleen nog maar het geluid aan te zetten. Maar dan keek ik naar mijn vader en daarna keek ik naar mijn moeder en dan leek het me toch meer iets voor volgende week zondag.

Wat ik maar wil zeggen: in mijn hele freaking geloofsleven was Jezus het enige lichtpuntje. Ik zou graag willen zeggen dat ik op míjn beurt ook Jezus zijn lichtpuntje was, maar ik ben bang dat dat iets complexer lag. Ik stelde hem bitter vaak teleur, vaak zag ik hem in mijn verbeelding het hoofd schudden, met zo’n gekruisigde blik van nee Jacq, dít was dus duidelijk niet hoe ik het eigenlijk bedoeld had. For the record: ik probeerde het echt. Ik was een ernstig kind en vervuld van een intens verlangen tot het doen van het goede. Alleen kwam er altijd van alles tussen. Ik was bijvoorbeeld wakker geworden en had direct mijn broertje geslagen. Ik was opstandig geweest tegen mijn moeder. Ik was opstandig geweest tegen mijn vader. Ik had niet zo lankmoedig een  peuter van de schommel geduwd, mijn tong uitgestoken naar een kind van de openbare school (twijfelgeval) en de pest gehad aan vrijwel alle mensen en dieren die ik kende. En ik had mijn broertje nog maar een keer geslagen. En dat was dan alleen nog maar de ochtend.

Zolang het nog licht was, zondigde ik er lustig op los. Maar ’s avonds in bed begon het prakkizeren. Als ik het zo allemaal bij elkaar optelde, was het wel duidelijk hoe het met mij zou aflopen: ik kwam in de hel. Ik kon me maar nauwelijks een voorstelling maken van hoe afschuwelijk het zou zijn om daar te moeten wonen. Waarschijnlijk zou je ergens aan vast worden gespijkerd  en dan werd er een lucifer onder je afgestreken. Je kon nergens naartoe. Je zat heel ongemakkelijk. En los daarvan: het zou heel warm worden. Ik zou er totaal niet passen, links en rechts van me in de hel zouden voornamelijk vloekende en tierende moordenaars en kinderlokkers kronkelen en dat is gewoon geen omgeving voor een meisje. Ik zou me er net zo eenzaam voelen als die keer dat ik op de camping was verdwaald en zeker had geweten dat ik mijn vader en moeder nooit meer zou terugzien. Daar kwam nog bij dat mijn hele familie naar de hemel ging. En hoewel ik me soms druk maakte over de look & feel van het paradijs – in mijn fantasie was de hemel een eindeloze picknick met muziek en dans, maar als ik mijn familie zo bij elkaar zag kon ik me eigenlijk niet voorstellen dat ze dat leuk zouden vinden – ik kon het niet maken om weg te blijven. Of het nou gezellig zou worden of niet.

Er was maar één  uitweg: de bekering. Zeker een paar keer per week klom ik onder mijn dekbed vandaan en zonk op de blote knieën naast het bed – vrijwel alle dingen zijn beter in Kleine Huis op de Prairie-style. Bovendien wist je nooit of God daar extra punten voor gaf. Ik vouwde mijn handen, ik gaf een samenvatting van mijn zonden, ik vroeg om vergeving, ik wachtte op een stem uit de hemel, de stem was… niet bijzonder goed hoorbaar, maar toch. Duizelig van bekeerdheid rende ik naar de overloop, daalde van de trap af en deelde het nieuws mee aan mijn vader en moeder. Reageerden die in eerste instantie nog verrast op mijn aankondigingen een Geheel Nieuw Leven te beginnen, naarmate mijn bekeringen talrijker werden, werd de respons lauwer. Van lieverlee bleef het bij reacties in de trant van “Ja welterusten en doe het traplicht even uit” en als ik daarmee geen genoegen nam:  “GA!! SLAPEN!!!”. Als born again christenkind zijn dat niet exact de reacties waarop je hoopt. Maar goed, je bent net bekeerd, je hart is vol van liefde voor je medemens dus je kunt feitelijk geen kant op met je woede. Gelukkig had ik Jezus aan mijn zijde. Minimaal tot halverwege de volgende ochtend – als het tenminste een beetje mee zat met mijn karakter.

Later groeiden Jezus en ik wat uit elkaar. Ik fietste kilometers verder naar een bibliotheek waar je onopgemerkt de volwassenenafdeling op kon. Hij kreeg een musical. Ik ging heidense dingen doen, hij trok dat verdrietige hoofd voor de honderdmiljardste keer. Dus ik nam hem nog steeds wel overal mee naartoe maar ik liet hem meestal buiten wachten. En een paar jaar later hadden nog wel een soort van lijntje, maar het leek op het type contact dat je aanhoudt omdat je elkaar al je hele leven hebt gekend. Op het laatst zeiden we allebei alleen nog maar dat het wel goed ging. Gewoon om er vanaf te zijn.

Ik vloek nog steeds op de besmuikte manier van een gereformeerde – en ik kijk dan altijd even over mijn schouder of Jezus er niet toevallig aan komt. Ik zie hem eigenlijk nooit meer opduiken. Dus ik doe maar wat en niemand zegt mij meer of het goed of fout is. Maar ik vraag me nog wel eens dingen af, zoals je je wel vaker dingen afvraagt over vrienden die je uit het oog verloren bent. Leeft zijn Vader eigenlijk nog? Doet hij die truc met die vijf broden en twee vissen nog wel eens? Hij is binnenkort jarig, bedenk ik me. Dat zijn dan van die data die je nooit vergeet, net als de verjaardag van je eerste vriendje. Die vergelijking was per ongeluk, maar wat is per ongeluk. In a way ben ik nog steeds een beetje op Jezus. En ik zou graag willen zeggen dat Jezus op zijn beurt ook nog steeds een beetje op mij is – maar ik ben bang dat dat iets complexer ligt.

 

 

En dan nu: 5 LEVENSLESSEN, IN DE GEEST VAN JEZUS C. 

1. Keer je vijand de andere wang toe.  

Direct al moeilijk. Tegenwoordig word je direct naar een therapeut gestuurd als je niet genoeg voor jezelf op komt. En er is inderdaad niets zo heilzaam als iemand direct een ram terugverkopen als je wordt aangevallen. Maar: Jesus says no. Niet terugslaan. Niet direct allerhande vuiligheid uit die scherpe slangentong van je spuwen, Jacq. Veldman! Gewoon een keer het schier ondenkbare doen en níet reageren. Addendum: ik vertrouw erop dat Jezus het toekeren van de andere wang absoluut niet passive-agressive bedoelde, maar ik raad met name vrouwen aan toch een beetje uit te kijken. Trek niet het soort gezicht waarbij je wang in drie seconden alle fasen van de lijdensweg van Christus doorloopt. Wekt eerder agressie op dan dat de ander ervan bij zinnen komt.

2. Loop over water.  

Ik moet zeggen dat ik als kind al dacht: dat heeft zo’n jongen toch niet nodig! Voor mij had het niet gehoeven, ik vond Jezus ook al leuk toen hij nog gewoon Jezus was en gezellig bij zijn vader en moeder op bezoek ging. Maar goed, hij had natuurlijk nog een andere Vader en die zat hem waarschijnlijk nogal op de nek. Doe een wonder Jezus. Doe! NU! Een wonder! Dus daar ging Jezus. Als het een film was geweest, had je gezegd: beetje over the top, die special effects. Waar ik ‘loop over water’ zei, bedoel ik eigenlijk: stap eens uit je (oh god, gaat ze het woord gebruiken!? – ja, in naam van Jezus C.) comfortzone en kijk gewoon wat er gebeurt. Zelf probeer ik wel eens iets te doen wat ik van tevoren onmogelijk had geacht. En dan mislukt het, want het was inderdaad onmogelijk. En dan verdring ik het, want zo ga ik dan zelf met dingen om. Culinair alternatief: verander water in wijn.

 3. Verniel eens een tempel.  

Wat de meeste heidenen niet weten, is dat Jezus ooit een keer een hele tempel in elkaar heeft geramd. Hij was serieus boos. Iets met geld en kapitalisten. Totáál out of character inderdaad, ik zie die plaatjes van een woest rauzende Jezus nog zo voor me in de kinderbijbel en ik kon alleen maar denken: zo zo, dus dat was die jongen van die andere wang?! Lekker dan. En wie moet die troep straks weer opruimen? (Waarschijnlijk een vrouw.) Enfin, wat kunnen wij met deze levensles, in onze tempelloze tijden? Wel, schop eens een heilig huisje omver, want die zijn er nog genoeg. Eigenlijk gaat het om alles waarvan je bij voorbaat denkt: dit zég je gewoon niet. En dan tóch zeggen. Die gekwetste hoofden! Hilarisch! NB je houdt misschien vrij weinig mensen over die nog met je om willen gaan.

4. Ga aan een kruis hangen.  

Zeg nou zelf, is het niet enorm bevrijdend om eens een keer de schuld van een ander op je te nemen!? Haha geen idee, ik heb het nog nooit gedaan namelijk. Hoewel, ik cover occasioneel wel eens een fout van een collega, maar dan in de veronderstelling dat die collega de zaak direct even publiekelijk rechtzet, zodat ik er zelf goed op sta. Dit gebeurt meestal niet, ook niet als je dwingend opzij kijkt. Of diegene met je balpen in de arm prikt. Nog bedankt collega S.! Het is verbijsterend hoe graag mensen een ander de schuld geven. Dit wordt dus een lastige. Doe eventueel iets anders nuttigs met spijkers en een stuk hout.

5. Wees een barmhartige samaritaan

Het doen van goede daden ligt vrij ingewikkeld. Want wanneer is iets een goede daad? Als je er zelf niks mee opschiet. Maar je voelt je tóch direct pedant tevreden over jezelf na het doen van een goede daad. En dan was die goede daad ook niet een écht goede daad. Dus dat ik al mijn kledingmiskopen uit de goedgunstigheid van mijn hart schenk aan arme mensen in de derde wereld – ik zie de Here Jezus alweer bekommerd nee schudden. Over hoe verdorven ons altruïsme feitelijk is, daarover kunnen gereformeerden uren discussiëren. Het gevaar is dat je nooit meer van de bank komt en dat is ook weer niet de bedoeling. Dus: raap gewoon eens iemand op. Koop een daklozenkrant. Rem eens een keer voor een oud vrouwtje. Ik deed het gisteren, en haar dankbare blik gaf mij een inténs geluksgev… oh wacht. Never mind.

 

dit artikel stond op zaterdag 14 december in Volkskrant Magazine