schaap (vk)

Schapen zijn de enige wezens die er als baby intelligenter uitzien dan als ze volwassen zijn, bedacht ik toen ik onlangs een schaap in de ogen keek. Ik was van de fiets gestapt. Zodra ik hem op de standaard had gezet, was het schaap aan komen rennen. Alle andere schapen waren stoïcijns doorgegaan met hun werk, een paar hadden met de lege blik van mannen die benzine aan het tanken zijn voor zich uit gestaard. Drie lammetjes keken peinzend naar hun moeders. Kennen wij die vrouw ergens van? Nee. Wat één zo’n schaap dan bezielt om wél al die moeite te doen, hè. Zeker als je dan halverwege merkt dat verder iedereen is blijven staan – het lijkt mij persoonlijk vanzelfsprekender dat je dan zo’n beetje schaapachtig afremt en doet alsof er niks gebeurd is. Maar goed, ik kan ook niet in het hoofd van zo’n schaap kijken natuurlijk.

Het schaap in kwestie hing inmiddels hijgend tegen het gaas aan. Het keek me dommig en naar mijn indruk enigszins loensend aan. “Hoi hoi”, zei ik tegen het schaap. Het schaap zweeg. Ik trok wat gras uit enfin het gras. Het schaap snuffelde aan het bosje, trok er één spriet uit, proestte zo’n beetje en liet de spriet op het gras vallen. “Heb je soms liever een patatje speciaal of zo en ben je dan van het type ketchup, of liever curry ”, zei ik want het is echt supersneu wat mensen tegen de dieren zeggen als er verder niemand bij is. Aan de andere kant: ik heb ooit eens een groot geheim aan een loslopende poedel verteld en het was een enorme opluchting.  In elk geval tot aan het moment dat bleek dat zijn bazinnetje in het belendende portiek stond mee te luisteren.

Bij het woord patat was het schaap zo’n beetje opgeveerd. Maar patat lijkt me niet gezond voor een schaap en dat zei ik ook. “Zelf eet ik ook haast nooit patat”, voegde ik eraan toe. Wel pizza, dacht ik, maar dat zei ik er niet bij.

Ik kreeg een beetje  zin om het schaap wat over mijn leven te vertellen. Je wilt er immers je vrienden ook niet altijd mee lastig vallen. En ze zijn ook niet altijd thuis. Hoewel het licht dus wel brandt. Maar ik dacht aan de poedel, ik beet op mijn lip, ik stak mijn hand uit en ik aaide het schaap over de rug. Elke keer weer een teleurstelling om een schaap over de rug te aaien. Een schaap voelt nooit zo aan als een schaap aan zou moeten voelen, wat ontzettend jammer is dat toch.

deze column stond op 9 mei in de Volkskrant

Advertenties