lucht

“Oh, het maakt míj niet uit hoor”, zei mijn vrouwelijke collega. Het ging erom wie wáár zou komen te zitten in onze nieuwe werkkamer. “Oh míj maakt het ook niet uit”, zei ik op mijn beurt. “Nee mij dus ook totáál niet”, zei mijn collega op haar beurt. “Idem hier dus exact van hetzelfde”, zei ik op mijn beurt. Toen waren de beurten zo’n beetje op. Ik kuchte, mijn collega snoof. Wij staarden elkaar met één oog vriendelijk aan maar met het andere loerden wij de werkruimte rond, op zoek naar de beste plek en naar hoe wij, zonder dat iemand ons ervan zou kunnen beschuldigen dat wij voor onszelf het beste wilden, tóch het beste voor onszelf zouden krijgen.

Na een half uur ploften we allebei doodop ergens neer. Mijn collega prikte haar prikbord vol met aanstootgevende ansichten van jonge poesjes en begon zachtjes zingend haar nietmachines te sorteren. Ikzelf was na het neerploffen min of meer verstard blijven zitten. Want tot mij was iets doorgedrongen: het enige raam dat open kon, bevond zich aan háár zijde. Het raam stond een beetje open. Een milde tochtstroom liet de lamellen bewegen, raakte het puntje van mijn neus en sloeg toen resoluut linksaf. Hoe had ik dit in godsnaam over het hoofd kunnen zien?! ik lééf op zuurstof. Ik gedij op frisse lucht, desnoods in de vorm van gemeen koude tochtvlagen. Verder heb ik graag het idee dat ik me bij nood zo uit het raam zou kunnen laten vallen.

Ik kreeg haast geen lucht. “Ik vind het wel wat frisjes”, zei mijn collega en ze maakte aanstalten het raam te sluiten. “Come on, het is 43 graden of zo”, snauwde ik. “Ik trek anders wel een vestje aan”, zei mijn collega. Ze huiverde licht en keek alsof ze gemakkelijk door een longontsteking geveld zou kunnen worden. Dit vond ik ook weer zielig, straks ging ze eraan dood en dan had ik het weer gedaan.

“Doe het raam maar een beetje dicht dan”, zei ik knarsetandend. “Hoeft niet per se hoor”, zei mijn collega. “Nee doe maar”, zei ik. “Het maakt mij verder niet uit hoor”, zei mijn collega en ze schoof het raam zo goed als dicht. “Mij ook niet hoor”, probeerde ik eruit te persen. Maar daarvoor had ik helaas geen lucht meer.

Deze column stond op 30 september 2017 in Volkskrant Magazine

musthaaaave

Ik zal maar direct uit mijn walk-in closet komen: mijn vage verlangen om met de mode mee te doen wordt wreed doorkruist door een nog veel groter verlangen: mijn hele leven uitzitten in mijn oversized knalrode joggingbroek. Maar goed, dit dóe je gewoon niet. Hoewel, soms twijfel ik. Hij zit zo fokking lekker. En ik hoor modemeisjes óm de anderhalve zin een term als ‘nonchalant’ en ‘casual’ gebruiken. En gisteren sloeg ik een modeblad open en de term joggingbroek sprong zo van de pagina! Komen dromen dan soms tóch uit? Maar toen ik ademloos verder las, begreep ik dat je er voor een vrouwelijke touch natuurlijk wel killer heels onder zou moeten dragen. En bij het verder bladeren werd de teleurstelling alleen maar groter: ‘casual’ wordt net iets te vaak in één adem met ‘chic’ genoemd. En ‘nonchalant’ – dat blijkt bij nader zien vooral bestudéérd nonchalant. Of, zoals de modebladen zouden zeggen: “quasi lukraak”. Ik weet genoeg. Of eerlijk gezegd: ik volg het niet helemaal maar ik begrijp één ding wel: toedeledokie, joggingbroekdroom.

De fashionmagazines zijn een wereld vól met codewoorden die vaak net iets anders betekenen dan ze lijken te betekenen. Het is een wereld van grafische prints en killer heels. Van klassieke silhouetten en gekke twists. Chunky sieraden, preppy denimbloesjes en “boho zonder poespas”. Nou, over die poespas valt te twisten. Een beknopt lexicon van de modebladen.

MUSTHAVE
Spreek uit : “OMG MUSTHAAAAAVE!!” Je ziet voor je geestesoog direct een heleboel verwend stampvoetende modemeisjes, die zich door niets en niemand laten weerhouden in hun queeste naar dat ene fashion-item dat hun bomvolle kledingkast en leven gaat completeren. De musthave past prima in het verslavingsjargon dat modebladen eigen is. Mocht je nog niet weten of je het wilt: “Je wilt het allemáál.” Mocht je nog last hebben van gezond verstand: “Oké, oké, we geven het toe, eigenlijk zoeken we gewoon allerlei excuses om er eentje te kopen. Ben jij al om?” En mocht je je eigen justificaties nog niet helemaal geloven: “Als je ze volgend seizoen zat ben kun je ze zonder gêne aan je minder modebewuste zus of vriendin geven.” Supersympathiek!
De musthave is, behalve de meest afschuwelijke fashionterm ever, ook een bijzonder afgesleten term: je komt hem inmiddels namelijk in zo ongeveer alle andere settings van het leven ook tegen. Musthave slowjuicer. Musthave oerbroodbakmachine. En kijk nou, de web-etalage van het plaatselijke dierenasiel: “Poes Simba is een lieve schat, echt weer eens een must have cat.” Maar nee hoor, de modebladen zien vooralsnog geen énkele aanleiding de musthave te dumpen.

CONTRAST
De eerste modegod slash stylist die het woord ‘contrast’ niet op het voorhoofd gekerfd heeft staan, moet nog geboren worden. Haal even diep adem, hier komen ze. Een sjieke rok met een stoere trui. Stiekem bloedsexy, die nieuwe degelijkheid. Zacht zijde, maar wel met een ruige rand. Een old time favorite met een gloednieuwe lieveling. Zoete tinten met een rebelse bijsmaak. Stoere boots die contrasteren met een lief jurkje. Oversized strepen die vragen om een bescheiden tegenhanger. Met een kanten jurkje met kittige hakken op een brommer scheuren. Luxe combineren met “een straatgevoel”. En daar is het woord: “Een kermisattractie ben ik nog net niet maar je zou mijn stijl wel kunnen omschrijven als eclectisch.” Soms zit het contrast hem (ook) in de pecunia: koop deze katoenen maxi-jurk (338 euro) en combineer hem met leren kistjes van het Waterlooplein. Inderdaad: “een vervreemdende mix van high en low culture.”
Eenduidigheid is morsdood, dat is duidelijk. Superleuk, toch? Want dankzij het arty contrastenfeestje hebben we veel meer bewegingsvrijheid gekregen. Je kunt lief én stoer zijn. En sexy en superdegelijk tegelijk (hmm?). Aan de andere kant: worden we nú van de weeromstuit geacht om volcontinu een mix van totaal tegenstrijdige signalen uit te zenden? Waar gaat dat naartoe? Neemt íemand de vrouw nog serieus?! Damn, er is ook altijd wat. Even in de gaten houden.
Synoniem van contrast: balans (“je krijgt het door lakleer af te wisselen met zachte breisels”). Ook veelgebruikt: “spanning creëren”. Tot je erbij neervalt dus. Dat brengt ons direct bij het nadeel van de zucht naar contrast: je wordt er wel een beetje moe van.

FAUX PAS
Soms lijkt het alsof de sky the limit is in die malle fratsen-fashionwereld. Niets is minder waar, natuurlijk. Hoewel de modebladen continu suggereren dat je het mix- en matchgewijs hélemaal zelf moet weten, moet je dat wel op deze, deze en deze manier doen. Een faux-pas (de sjieke term voor een blunder) is snel gemaakt. Daarom krijg je op elke bladzijde de helpende hand aangereikt en het verkapte advies om eens goed naar jezelf te kijken. Let wel: dat gebeurt voornamelijk en passant – nergens vind je zulke subtiele voorschriften als in de modebladen, die mikken op de goed verstaander. Zo is print goed, maar wel een uitdaging. Het is zaak dat je zo’n stuk combineert met iets fijns en kleins. En ja, een parka is praktisch maar doorgaans niet per se stijlvol. Dat een hoge hak je benen verlengt, dat wist je al. Hier rockt X de polkadottrend zonder op een circusact te lijken. Kun je het hebben, vooral doen. Deze jurk is sexy, maar niet té. Strapless jurk en zware borsten? Dat doet niets voor je. Dat is allemaal wel héél lief gezegd, lieve modebladen, maar ondertussen pikken we de hint wel op hoor.
Al deze mitsen en maren gelden trouwens niet voor de happy few die de regels aan hun boots mogen lappen. “Het is een beetje een geval van: je oma’s kanten kleedje aangetrokken? Maar als íemand het kan doen, is het Poppy.” Voor natural beauties en stijliconen ligt het allemaal net weer anders namelijk. Die komen overal mee weg. Hoe dat nou weer kan? “Haar geheim is volgens mij dat Carice alles weet te mixen. Bij een lange jurk draag ze gewoon een baseballpetje.” Ja en al ons eigen gemix en gematch dan?! Sorry, nét niet dus. Want wij hebben dus duidelijk niet dat… dat… ja dat je ne sais quoi waarvan dus niemand weet wat het precies is, maar dat elke modejury nederig in zwijm doet vallen.

SIGNATURE STYLE
Zeker, Gerda van de boekhouding heeft in principe óók een signature style, want die komt elke dag naar kantoor in een C&A-spiekerboks met een geruite blouse. Maar nee, dat is dus níet de signature style die de fashionindustrie bedoelt, Gerda! Het idee is dat je je via het eindeloos mixen en matchen een hyperindividuele kledingstijl verwerft die dus “helemaal jij” is. En dan wordt het wazig in de modebladen. Want enerzijds ben je met je je eigen sublieme stijl “de beste versie van jezelf”. Mode is “een expressie van hoe je je voelt”. Je kleding moet je personality onderstrepen, “en zeker niet overstemmen”. Aan de andere kant lijkt mode ook een project te zijn waarmee je jezelf uitvogelt. En zelfs de toegangspoort tot iets béters dan je huidige zelf. “Kleding geeft je zelfvertrouwen. Door stoer gekleed te gaan zeg ik eigenlijk: ik doe waar ik zin in heb.” “Een vrouw met laarzen straalt uit dat er met haar niet te spotten valt.” “Je gaat door de goede kleren aan te trekken zelfs anders lopen en kijken: je wórdt iemand.” En dan ineens is een uitbundige exotische mix van prints áltijd een goed idee, “want het getuigt van lef en creativiteit.” Ja hallo, moeten we onszelf nu wel of juist NIET OVERSCHREEUWEN!? Kortom, wie je precies wordt met kleren aan is niet helemaal duidelijk, en ook niet of je het zélf dan nog wel bent.
Wie trouwens geen idéé heeft wie ze zelf eigenlijk is en hoe dit zich zou moeten vertalen in een particuliere signature style: gelukkig hebben kleren zélf ook karaktereigenschappen – die mens en dier niet zouden misstaan. Zo heb je eigenzinnige materialen, stoer velours, aaibare jassen, lieve breisels en edgy boots. Een beetje mixen en matchen en je verwerft jezelf een scala aan gewenste kernkwaliteiten.
Verwar de signature style trouwens niet met de statementketting. En ook niet met statementteksten op borsthoogte. Die zijn weer helemaal hip maar gelukkig vaak onleesbaar of abstract – en dus kan niemand er aanstoot aan nemen.

VINTAGE
Heel nobel, álle fashion magazines vinden het megabelangrijk dat je vaker je oma bezoekt. Eh ja, om er een oud gehaakt truitje tussen de mottenballen weg te rippen dan, natuurlijk. “Dikke kans op geweldige vintagevondsten.” Geweldige vintage schoenen bijvoorbeeld. Of een geweldig vintage bontvest. Iets van kurk! “Leuk, dat oldschool lapjeskatgevoel!” Mocht je oma al dood zijn, kies dan noodgedwongen voor neppe vintage. Bijvoorbeeld iets dat door de onafgewerkte naden líjkt op vintage. Of denk aan het nostalgische van tweed, dat het “de perfecte kandidaat” maakt voor een authentieke doch compleet gereconstrueerde jarenzestiglook.
Nostalgie is helemaal “van dit seizoen”, aldus de modebladen. Maar er zit wel degelijk een gevaar in al dat geromantiseer van lang vervlogen tijden, namelijk dat je op een kattenvrouwtje gaat lijken. “Wel uitkijken, want anders wordt het te obvious jaren zeventig.” Let dus op dat je er altijd een eigentijdse feel aan geeft. Want alleen dan, en dáár zullen we hem dan eindelijk hebben, is het duidelijk dat je het allemaal slechts met een knipoog naar het verleden bedoelde, hahaha! En zoals de modebladen zelf continu benadrukken: “een beetje humor mag best!” Helemaal mee eens. Want laten we het toch in vredesnaam allemaal niet te serieus nemen.

Dit artikel stond op 14 maart 2015 in Volkskrant Magazine

romantiek

Nog geen vijf minuten later zou er sprake zijn van een huwelijksaanzoek. Maar vooralsnog bevond ik mij samen met mijn goede vriend T. in de betrekkelijke rust van openbaar geroezemoes. Het was een eigentijds restaurant dat dus nadrukkelijk het thema VROEGER ademde. Zo draaide men er volcontinu Frank Sinatra. Aan de muur hingen zwart-witfoto’s van eenvoudige Italiaanse families die het bizar gezellig hadden. En op een schoolbord stond in onhandige letters: Ouderwets Lekkere Soep. Ik moest direct mijn opa denken en dat hij altijd een varkensstaart in de erwtensoep liet meetrekken. Eén van mijn neven gooide op een zondag de varkensstaart in mijn nek. Dat was echt de bloody limit. Gelukkig zie ik die eikel nooit meer.

Een koude windvlaag trok over mijn benen. Even dacht ik dat het mijn opa was die vanuit de geestenwereld et cetera. Maar ik geloof niet in die dingen dus dat zou hij nooit doen. Ik keek op. Drie jongens waren het restaurant binnengekomen. Ze droegen een groot stuk papier boven hun hoofd. In de buurt van ons tafeltje ontstond commotie: een jongen met een dikke kont verhief zich iets van zijn stoel, het meisje tegenover hem slaakte een gil en sloeg de handen voor haar gezicht. Toen las ik wat er op het papier stond: LIEVE EVELIEN WIL JE MET ME TROUWEN?

“Oh god ook dát nog”, zei mijn vriend T. op een toon die suggereerde dat hij zich al de hele dag door huwelijksaanzoeken van derden had heengeworsteld. “Shot de fok op”, zei ik, want ik ben nu eenmaal een sucker voor openbare huwelijksaanzoeken door derden – en dit was mijn allereerste. Evelien hield nog steeds haar handen voor haar gezicht. Het stuk papier klapte half naar voren, de drie jongens van het papier keken er verwachtingsvol overheen. Het hele restaurant hield de adem in. Uitgezonderd Frank Sinatra dan, die wat zeverde over hoe hij voor het eerst in zijn leven iemand had die hem nodig had en die hij ook al zo lang nodig had gehad oid, het klonk mij niet gezond in de oren in elk geval.

Eindelijk haalde Evelien haar handen van haar gezicht en zei iets. Alle mensen in het restaurant applaudisseerden. Er werd geflitst. “Nou, bezint eer ge begint”, zei mijn vriend T. die al een hoop rottigheid met vrouwen heeft meegemaakt. “Gozer, please”, zei ik. Ik zag hoe de jongen met de dikke kont Evelien kuste. En daarna kreeg ze klapzoenen van wat waarschijnlijk zijn drie broers waren want die kerels hadden ook allemaal een dikke kont. Het gezelschap zette zich neer. Er werd een grap gemaakt, er werd om de grap gelachen. Er werd geproost en de jongen met de dikke kont maakte een selfie met zijn broers. Hij leek te zijn gegroeid of in elk geval leken zijn billen nog groter dan zojuist. Ik vroeg me af of het Evelien ook opviel. Hopelijk niet, het leek me iets dat je pas na een aantal jaren huwelijk zou moeten gaan opmerken en dat zou dan het begin van het einde betekenen.

“Sjemig T. zou dat nou niet mooi zijn als jij óók eens een leuke nieuwe vrouw en zo”, zei ik. “Ik heb liever een nieuwe auto eigenlijk”, zei mijn vriend T. die dan wel een hoop rottigheid met vrouwen heeft meegemaakt, maar los daarvan ook gewoon een oppervlakkig ventje is. “Nou…”, zei ik, want een nieuwe auto is ook niet alles. Tuurlijk, eerst ben je er nog vol van. Je stofzuigt dat het een lieve lust is en je neemt de uitgebreide brazilian wax bij Bas Autowas – maar dan kijk je een keer met de ogen van een vreemde naar je eigen auto en dan denk je: wat doen die twee lege jerrycans op de passagiersstoel? Hoe moet ik die zestien doormidden gebroken sigaretten op de vloer duiden? Je schaamt je kapot voor de modder op de vloermat en de doos op de achterbank, vol met klonten kauwgum die je nogal blindelings naar achteren hebt gegooid in de afgelopen jaren. En de laatste grote beurt, je kunt het je niet eens herinneren. Enfin, zo gáán die dingen met een relatie ik bedoel een auto.

Ik gaf T. een klopje op zijn hand. Ik zocht Evelien met mijn ogen. Ze zat er wat stil bij, haar haren waren statisch, alsof ze elk moment kon opstijgen. Vaag glimlachend speelde ze met haar kettinkje. Van stil geluk, nam ik dan maar aan. Of van berusting. Of, en dat kan nu eenmaal niet worden uitgesloten, van totale en ongeëvenaarde paniek, want gezichtsuitdrukkingen zijn soms gewoon ontzettend lastig om te doorgronden.

Deze column stond in het themanummer romantiek (februari 2015) van Harper’s Bazaar.

kapper

“Sorry, héél even over mijn haar”, zei ik tegen kapster T. die knipte zoals ze praatte: veel. Heel veel. En het ging allang niet meer over mijn haar. Na mijn haperende suggesties over welk kapsel het best bij mijn sprankelende personality zou passen, had kapster T. opgemerkt: “Ja leuk. Maar dat lukt niet met jouw haar.” Dus dat onderwerp was tijdelijk geparkeerd, zoals ze bij ons op Kantoor altijd zeggen als ze de zaak afblazen.

Kapster T. had twee keer met haar schaar in de lucht geknipt, het had iets van een startschot. Direct daarna had de slachting een aanvang genomen. Evenals de woordenstroom, featuring de grootste lamzak uit de geschiedenis: de man van kapster T. die haar had verlaten, of nou ja verlaten, hij had haar bedrogen met een vrouw uit Ede/Wageningen en toen had zij gezegd: als je dat nog één keer doet, en hij had het nog één keer gedaan. En toen nog een keer en daarna nog eens, dus in totaal vier keer. En toen was hij nooit meer teruggekomen, dit was nogal onverwacht.

Een overvloed aan blond haar was naast me op de grond gedwarreld. Ik had er lange tijd via de spiegel naar gestaard omdat het zo’n schitterend gezicht was. Totdat me was ingevallen dat het mijn eigen haar betrof. En dat ik straks zonder dat haar op de fiets zou zitten. Als kapster T. al lang weer haar woorden in de nek van de volgende klant spuwde, en de volgende. En alle klanten daarna. Terwijl ik de komende nacht met wijdopen ogen in het donker zou liggen staren en tevergeefs zou proberen het haar bij mijn schouder te vinden.
Ik stak een vinger op, zoals ik ook wel eens in de tandartsstoel mijn vinger opsteek, waarna de tandarts dan een korte boorpauze inlast. Als het meezit dan – ik had ooit een tandarts die mijn vinger ijskoud terug naar beneden duwde en onverstoorbaar doordrilde. IJlings trok ik mijn vinger in, kapster T. leek me in staat om hem er gewoon in één beweging af te knippen.

“Dus ik zeg, als je iets belooft, dan moet je het wel namaken, ja zo sta ik er dan in”, zei kapster T. Ze kwam achter me staan en schudde het overgebleven haar op alsof het een pan kruimige aardappels was die net was afgegoten. We keken samen in de spiegel. Ik deed mijn ogen dicht. Ik ging ze voor eeuwig dichthouden. Ik deed mijn ogen open want je kunt je ogen natuurlijk niet voor eeuwig dichthouden. Kapster T. bewoog haar mond nog steeds –  en ik hád haar op zich wel een klap kunnen verkopen maar ik werd gehinderd door het besef dat er in het leven van kapster T. waarschijnlijk maar een paar mogelijkheden waren: doorpraten of ter plekke dood neervallen. En als de zaken er bij de ander zo voor staan, wie ben jij dan om zo iemand tot zwijgen te manen en dus in feite het leven te ontnemen. Daarom deed ik van binnenuit mijn oren dicht en zo kreeg ik het met enige moeite voor elkaar een coherente gedachte te formuleren: kop op, het groeit wel weer aan.

Want dat is je enige troost in het drama dat kapster heet: het groeit altijd weer aan. En uiteindelijk zelfs in die mate dat je – en dat is dan weer het slechte nieuws – opnieuw ter kapsalon moet. De plek waar al je angsten samenkomen in één stoel. Waar de sociale ongemakkelijkheid broeit in je altijd te strak dichtgeknupte kapmanteltje. Waar je je ego, samen met je pony, op de vloer terugvindt.

Enfin, hier komen ze: de problemen van elk kappersbezoek.

Het is met water
Leg uw hoofd maar even naar achteren in deze dodelijke knik. Maar erger: de haarwassing wordt onveranderlijk uitgevoerd door haarwasstagiaires die met hun gedachten nog bij de handen van hun vriendjes zitten en met de blik op oneindig vaag-erotische masseerbewegingen maken op de plek waar ze je hoofd vermoeden. Stage-opdracht één: het water hoort tappelings in beide oren te lopen. Stage-opdracht twee: het water moet óf te heet óf te koud zijn maar nooit precies goed. Stage-opdracht drie: maak de klant krankzinnig met een hoofdmassage. Don’t get me started on de hoofdmassage. Ik heb weleens al mijn moed bij elkaar geraapt en gezegd: ‘Ik hoef dus geen hoofdmassage hoor.’ ‘Prima!’, zei de haarwasstagiaire. En daarna gaf ze tóch een hoofdmassage. Dan staat je leven even stil hoor. Ik ben de dag nabij dat ik opsta, de haarwasstagiaire een draai om de oren geef en zelf in het keukentje mijn haar ga wassen.

Je moet luisteren
Nu snap ik ook wel dat je niet zwijgend in een kappersstoel kunt gaan zitten, je zwijgend omhoog kunt laten voetpompen, je zwijgend kunt laten knippen, je zwijgend naar beneden kunt laten voetpompen en zwijgend af kunt rekenen, maar nu ik het zo opschrijf denk ik: het zou wel mooi zijn, of niet soms!
Mijn ideale kappersconversatie gaat als volgt: de kapster en ik bespreken mijn toekomstige prinsessenkapsel in al heur fascinerende facetten, ik krijg een roddelblad, ik neem een ironische leeshouding aan, ik lees de Story van A tot Z, de kapster knipt mijn haren niet te kort, niet te lang en wel precies goed, ik maak een vriendelijke opmerking aan het eind, de kapster bedankt er beleefd voor, ik zeg doei, de kapster zegt doei-doei.
De realiteit is dat je tijdens een kappersbezoek nog geen seconde alleen bent met je eigen gedachten. Zie kapster T. – en haar vele zusters die er geen been in zien om hun hele verrotte leven over je heen te braken. In mijn fantasie schreeuw ik wel eens door de kapsalon heen ‘HALLO IK KOM HIER VOOR ME WELNESS JA!’ (Wellness is een term waarvoor iedereen ontzag heeft.) Oh, de geschrokken stilte die dan zou vallen, het deemoedig geknik. Een extra cappuccino, die me in stilte door een haarwasstagiaire zou worden overhandigd. Van nervositeit zou ze wat koffie op het schoteltje laten klotsen, ik zou haar minzaam toeknikken.
Ook erg: de conversatie is totaal klantonafhankelijk. Meestal hoor je bij het de deur uitlopen je kapster exact hetzelfde verhaal in exact dezelfde bewoordingen vertellen aan haar volgende klant. Ik snap ook wel dat de kapster geen vierendertig waargebeurde levensdrama’s paraat heeft. Maar goddamn woman, have you no shame?! Wacht dan tenminste tot ik op de fiets zit.

Je moet praten
Ik roep altijd dat mensen alles van me mogen weten, “behalve mijn pincode hahaha!’ – inderdaad een nogal sneue vorm van humor. Anyway, ik wil helemaal niet dat mensen iets van me weten. En zéker mijn kapster niet. De kapster zelf denkt daar over het algemeen heel anders over, die heeft een eindeloze interesse in alles wat groeit en bloeit en een normaal mens niet boeit. Dit leidt tot afschuwelijke conversaties als ‘Hoe is het op je werk?’ (‘Prima.’) en ‘Ga je nog wat leuks doen dit weekend??’ (‘Ja hoor.’) De stilte die hierdoor ontstaat is het soort stilte waarbij je bidt dat er iemand de voorpui ramt met een auto – zodat je tenminste van die ongemakkelijkheid af bent. Meestal gebeurt dat niet.
Pijnlijkste vraag van de kapster: wie er in godsnaam in je pony heeft zitten hakken?! Onveranderlijk was je dat zelf, op een avond waarop de wanhoop heel groot was. En daarna was de wanhoop links groter dan rechts. En dáárna rechts weer groter dan links et cetera. Soms echter ben je vreemdgegaan bij een andere kapster. Net als in het normale leven betrof het hier een zwak moment, je hoopte dat het bij de ander beter zou zijn, hoe dan ook, het is zaak hierover verder te zwijgen, desnoods tot de dood erop volgt.

Er is een spiegel
Je krijgt natuurlijk wel eens vaker een spiegel voorgehouden, maar meestal is dat op Kantoor dus dat kun je dan gewoon schaterlachend wegwuiven. Zo niet bij de kapper. Wie is die vrouw in die heksencape en dat platgeslagen macraméhaar? Fuckaduck, je bent het zelf. De spiegelconfrontatie is nogal enfin confronterend, ikzelf ben bijvoorbeeld op mijn naakst als mijn haar net gewassen is en op een schaal van nul tot tien heb ik dan een uitstraling van nul. Of, met iets meer welwillendheid beschouwd: die van een Staphorster boerinnetje, op zoek naar een kapsel waar de oorijzers als het ware zo in weg kunnen blenden.
De spiegel is moeilijk dus. Heel moeilijk. Het enige wat je ermee kunt, is het oefenen van nieuwe gezichtsuitdrukkingen die mogelijk nog eens van pas kunnen komen. Ik suggereer de sympathieke glimlach, de verbaasde wenkbrauwlift (voor in de Kantoortuin) en het ongelovig-geschokt wangzuigen (idem). Ik kom persoonlijk niet verder dan de geslagen hond met weinig uitzicht op een beter leven en ik zou haast medelijden met mezelf krijgen, als het er niet zo overdreven zielig uitzag.

Je wordt vergeten
Word je het ene moment nog totaal sufgeluld, het andere moment zit je alleen met je eigen ellendige haar. Je bent inmiddels een schitterend ongeluk, een vogelverschrikker met driehonderd stukjes aluminiumfolie in je haar. Dit is de fase waarin knappe mannen de zaak betreden. En met een beetje pech ben je precies voor het raam geposteerd, waar de hele wereld zich aan deze kermisattractie vergaapt. Toch maakt de stilte deze situatie tot een weldadige. Het oorsuizen trekt langzaam weg, je semi-geïnteresseerde gezicht kan zijn normale hangvorm weer aannemen, kortom: je ademt voor het sinds sinds je binnen bent uit.
Het omslagpunt ligt gemiddeld bij de 24ste minuut. Hm. Waar blijft ze? Ruik ik nou iets branderigs? Je schuift wat op je stoel, je buigt eens voorover, je staart van dichtbij in de spiegel naar het folie. Je haar is… wit. Je kijkt om je heen. Niemand ziet je zitten. Je kapster is pleite, waarschijnlijk rookt ze een sigaretje, ze eet een broodje, ze is even winkelen, ze heeft verdomme op staande voet ontslag genomen en is op de bus gestapt, dit dóe je gewoon niet!
Er is maar één oplossing: de fake-hoestbui, hét hulpmiddel voor hen die bang zijn om vergeten te worden.

Je bent failliet
Het is volbracht. Je bent je haar kwijt, je bent geföhnd op de wijze waarop je (vermoedelijk) een poedel föhnt en je gaat strakjes gewoon even een paar weken in bed liggen. Of je nog een shampoo wilt. Nee natuurlijk niet, je hebt thuis namelijk ongeveer dertig flessen shampoo staan voor slap suf dor rusteloos pluizig onhandelbaar vet droog hoogbegaafd gecombineerd probleemhaar. Anderzijds: in theorie is het mogelijk dat uitgerekend deze shampoo het antwoord is op al je persoonlijke problemen. Bijvoorbeeld door de revolutionaire technologie met kussenachtige deeltjes. Kussenachtige deeltjes! Dat zijn dus hoogstwaarschijnlijk precies de deeltjes waar je haar al jaren naar snakte! Maar je haar kon het zelf niet verwoorden. Arm haar. ‘Ik gebruik ‘m thuis zelf ook’, zegt de kapster en als je zo naar haar bizarre haar kijkt, is dat nog bijna aanleiding om je pinpas weer weg te stoppen. Maar je was al verkocht. Want je hébt al zo weinig illusies. En kom op, het was een zware middag.

Dit artikel stond op 21 juni 2014 in Volkskrant Magazine

wouter

Het is altijd een beetje lastig om het als vrouw over vrouwenquota te hebben, want voor je het weet word je weggezet als vrouw die het over vrouwenquota heeft. Maar HALLO ZEG: er zaten welgeteld 0,21 vrouwen in de aflevering van Zomergasten met Wouter Bos. Nul. Komma. Eenentwintig. En dat is weinig hoor, zelfs voor vrouwen. Trouwens: in de fragmenten van de Zomergast van vorige week, theaterregisseur Johan Simons, zaten bij elkaar opgeteld 1,4 vrouwen en ik heb dit uitgerekend op mijn rekenmachine en élke minuut van Zomergasten gekeken dus kom alsjeblieft niet met: ja maar die ene dat was toch een vrouw! Eh nee, dat was ook een man.

Oké dat was het. Misschien kom ik er nog op terug, ik ben ergens toch getergd. Enfin. Ik weet wederom niet zo goed wat ik van deze Zomergast vond, ik heb dat nooit zo helder. Ik had wel vooroordelen, in de middag voorafgaand aan Zomergasten riep ik nog tegen vriendin 1 dat Wouter Bos een glijer en een poseur was. Ik weet eerlijk gezegd niet of ik dat wel van mezelf heb, het verbaasde me dat ik die woorden zo paraat had. Misschien heb ik ze gewoon overgenomen van anderen, want serieus, zo gaan die dingen bij mij soms. Tijdens de uitzending werd ik trouwens wel enorm bevestigd in dat oordeel. Dat lachje. Die volzinnen. Het fronsje. En al mijn Twitter-collegae vonden hetzelfde!

Dus toen gebeurde wat mij altijd gebeurt als we het gezellig met zijn alleen ergens over eens zijn: ik wijzigde mijn oordeel. Vrij irritante reflex en ook niet altijd bijzonder handig. Maar ik las al die tweets over de al dan niet aanwezige authenticiteit van Wouter Bos, over hoe echt hij zijn woorden meende en waarom hij potverdorie zijn kwetsbaarheid niet toonde. Ik dacht twee dingen: 1/ euh zitten we hier soms op de soosjale akademie? en 2/ kutjekrisis wat is er toch up met die overdreven eis naar echtheid?! Ik kan het niet meer horen en ik stel voor dat we de komende tijd, laten we zeggen zéker een jaar, alleen nog maar applaudisseren voor ónechte dingen, puur voor het contrast. Ter compensatie bedoel ik.

Applaus voor Wouter Bos dus. Maar goed, toch nog even over dat verrekte vrouwenquotum. Kijk, want nu zullen sommigen onder jullie zeggen: ja maar HALLO ZEG blijkbaar kon Wouter Bos gewoon ff geen inspirerende fragmenten met vrouwen erin vinden. Of: wie ben jij om te bepalen dat Wouter Bos ook vrouwen in zijn fragmenten moet stoppen?! En: zeg Veldman, we leven hier toch in een vrij land en niet in een zogenaamde vrouwendictatuur of zo?! Maar dan zeg ik: hou eens op met van die vragen aan mij te stellen want ik heb er echt een hekel aan om te worden onderbroken in een betoog waarvan ik zelf ook niet precies weet waar het naartoe gaat. Bovendien: het kan gewoon niet waar zijn dat er geen mooie, leerzame of lachwekkende fragmenten met vrouwen erin te vinden zijn. Die zijn er namelijk heus wel. Wel! En nu de pointe: dat is gewoon leuker voor vrouwen. Want stel, je bent vrouw, dan zie je ook nog eens iemand van je eigen sekse in zo’n programma! Het is heel simpel maar je moet er maar opkomen.

Kijk, het moet natuurlijk ook weer geen verplichting worden! Maar laten we afspreken dat je vanaf nu wel gewoon wordt gearresteerd als je drie uur lang vergeet dat er ook vrouwen op de wereld zijn.

beatrice

Ik had eigenlijk vannacht even een stukje over Zomergasten willen schrijven maar het geval wilde dat het laatste fragment van terrorisme-deskundige Beatrice de Graaf bestond uit: orgelklanken en Psalm 84 (oude berijming). Ik gleed direct weg in een diepe en droomloze slaap – zoals het de ware ex-grefo betaamt. Ik weet niet hoe het andere afvallige kerkgangers vergaat maar ik hoef maar een kerk binnen te lopen (of, for that matter: een man een monoloog zien houden) en mijn bewustzijn schakelt zichzelf als het ware vanzelf uit. Het is werkelijk schitterend hoe het menselijk lichaam de dingen soms oplost.

Nou goed. De rest van de avond was allesbehalve om bij in slaap te vallen. Sterker, er is bijna geen Zomergast geweest bij wie ik zo wakker bleef. Of toch wel, ik herinner me van vorig jaar migrainiste Jolande Withuis, bij wie ik ongeveer hetzelfde gevoel had. Toegegeven: ik ben een sucker voor alles wat met oorlog en terrorisme te maken heeft, maar ook los daarvan was het een schitterend college van drie uur lang. En daarom een Zomergasten volgens het boekje, althans volgens wat in míjn boekje Zomergasten is maar hallo, míjn boekje is gewoon het beste boekje. Met een gast dus die een Plan heeft met de avond en dat plan vastberaden uitvoert, fronst bij domme vragen en gewoon ijskoud haar zinnen afmaakt als ze wordt geïnterrumpeerd, hahaha! En met een presentator voor wie dus uiteindelijk weinig meer overblijft dan fragmenten aangeven, aanmoedigend hummen en netjes de avond afkondigen.

Kortom: Zomergasten zoals het oorspronkelijk in de Bijbel bedoeld was.

puberette (vk)

Wat doet de jeugd van tegenwoordig eigenlijk met al die uren waarin ik vroeger op de knieën bij de stereo klaar zat, met één vinger op REC en één vinger op PAUSE? Ik voel soms nog de stress en de trilvinger. De frustratie, omdat de dj het hele intro had vol geluld. Het verdriet, omdat je broertje in die ene minuut dat jij op de wc zat kans had gezien om Het Smurfenlied op te nemen. Maar had je de tijd om je broertje in elkaar te slaan? Neen. En ook niet om het cassettebandje terug te spoelen, omdat direct daarna je lievelingsnummer kon komen! Zo moest je nog járen Vader Abraham aanhoren. En kun je tegen wil en dank nog steeds heel goed een smurf nadoen. Persoonlijk ben ik na de TDK SA90-jaren direct aan de drugs gegaan. Wat moest je, je was kapot.

Ik weet niet waarom ik daar nou precies aan dacht toen er vorige week twee puberettes de stiltecoupé in kletterden. Het ene wicht hinnikte als een paard, het andere klonk als een geit. Maar het meest aanwezig was iemand die er helemaal niet bij was: ene Ricardo die nooit had gereageerd op de whatsapp van pubermeisje 1. Maar dat had waarschijnlijk dieperliggende redenen.  “In zijn karakter bedoel je!!!”, riep de geit. “Nee ik denk dat ze phone kapot is!!!”, schreeuwde het paard.

En ik dacht: wát als ik nu opstond, de handen in de zij zette en met overslaande stem “KUTJEKOLA EN NU WENS IK STILTE!!!!” zou schreeuwen? En wat als ik daarna die twee gifroze pubermeisjesrolkoffers door het gangpad zou smijten? De pubermeisjes zouden stilvallen en hun hand voor de mond slaan. Dociel hun spullen bij elkaar rapen. En plechtig beloven  voor eeuwig te zwijgen, Ricardo uit de whatsapp te gooien en zich alvast te oriënteren op een vervolgstudie.

Maar ik schraapte mijn keel. Ik telde tot tien. En ik sloeg een kruisje, want voor je het weet gooien ze je uit het raam hè. Ik draaide me om. “Ehm, dit is een stiltecoupé hoor”, zei ik. Heel even was het stil. Eigenlijk exact zo stil als het behoort te zijn in een stiltecoupé. Toen viel het ene pubermeisje met haar hoofd op het tafeltje. Er klonk een gedempt gemekker. Daar moest het andere pubermeisje van hinniken. Hier moest het ene pubermeisje weer  van mekkeren. En daar moest het andere pubermeisje dan weer van hinniken.

Ik herinner me vaag dat zoiets wel een uur kan aanhouden. Dus met de inspanning van al mijn krachten draaide ik me naar het raam en ik nam de berustende pose van een bejaarde aan.

deze column stond op 11 mei in de Volkskrant

cursus vrouw (vkmag)

Soms hoor je iets en dan zit je zó weer in je jeugd. Dat gebeurde mij toen ik onlangs las dat Mammaloe dood is. De actrice die haar speelde dan – ik mag hopen dat Mammaloe zelf nooit echt heeft bestaan, puur omdat Pipo de Clown dan ook echt moet hebben bestaan en dat vind ik een eng idee. Los daarvan kreeg ik een wee gevoel van vaag verdriet in mijn buik en katapulteerde alleen al het lezen van haar naam mij naar vervlogen tijden.

Naar het eind van de jaren zeventig, om iets specifieker te zijn. Toen nostalgie nog iets van de toekomst was en iedereen nog naar de maan wilde. Het zou nog maar een paar jaar duren voordat ik mijn kapsel ging touperen en ineens  tegen kernwapens was. En dáárna duurde het niet zo gek lang meer voordat ik me wanhopig door de vacaturebank van het arbeidsbureau zou ploegen. Maar vooralsnog zat ik op zaterdagavonden met natte haren en de wilde frisheid van limoenen in pyjama op de bank, met mijn particuliere chipsbakje op schoot. Terwijl mijn vader haast stikte van het lachen om André van Duin, stak mijn moeder zuchtend een sigaret op. Mijn broertje gaf me een duw. Ik gooide mijn broertje van de bank.

Mammaloe dus. De absolute tegenpool van Pipo. De vrouw over wie ik soms peinsde hoe gruwelijk haar wakker schrikken elke ochtend moest zijn. Maar ook de vrouw die ons jonge meisjes en passant alvast leerde dat vrouwen vaak een stúk volwassener in het leven staan dan mannen. Ik hoefde alleen maar naar mijn broertje te kijken om te begrijpen dat dat hartstikke waar was.

Denkend aan Mammaloe gleden mijn gedachten als vanzelf naar al die andere vrouwen die een grote rol in mijn jeugd speelden en van wie ik van alles opstak – maar waar je eigenlijk nooit iemand over hoort. Niet salonfähig genoeg, waarschijnlijk. Neem Nijntje, formeel gezien een van mijn allereerste rolmodellen. Tika, de stoere dochter van Tita Tovenaar. Oprah toen ze nog dik was. Truus de Mier, desperate housewife avant la lettre. De onvolprezen Anita Meyer. Tante Til uit de Familie Knots, een waarlijk vrije geest. Die knotsmalle Joop ter Heul die zich liet temmen door haar echtgenoot. En in dit kader wil ik ook even Smurfinnetje noemen, die haar leven moest slijten in een dorp met alleen maar mannen.

Maar mijn tien állergrootste rolmodellen, dat zijn toch eigenlijk wel deze.

Rolmodel 1: Barbie
Let wel, we hebben het over de echte, ik bedoel dus de pop. Ik vermoed dat ik in mijn jeugd voornamelijk slappe aftreksels van de officiële Barbie tot mijn beschikking had, maar dat maakt in feite niet zoveel uit. Alle Barbies waren hetzelfde: wespentaille, pronte borsten, benen tot in de oneindigheid en zelfverzekerd tot en met, maar dat zou ik ook zijn als ik er zo uitzag. En zo zat je dus als zesjarige met een seksueel volgroeide vrouw te spelen. Of wat daar voor door moest gaan dan, want niemand van de seksueel volgroeide vrouwen die ik in mijn leven ben tegen gekomen, leek ook maar in de verste verte op Barbie. Of het plastic wicht in haar eentje verantwoordelijk is voor de eeuwige onvrede van alle vrouwen over de hele wereld met de staat van hun lichaam, durf ik niet direct te zeggen. Maar het is natuurlijk wel zo.
Mijn buurmeisjes en ik speelden uit het leven gegrepen gezinsdrama’s na met onze Barbies, al dan niet geflankeerd door mijn geduldige cavia Harry die elke familieopstelling gelaten onderging. Ik beleefde met Barbie mijn allereerste kapperstrauma, nadat ik in een opwelling haar haren eraf had geknipt. Dit bleek onomkeerbaar. En ik kreeg ook geen nieuwe Barbie, want ik dacht toch niet dat mijn vader en moeder het geld op de rug groeide hè. Het was een goede opmaat voor alle kappersdrama’s die nog zouden gaan volgen. Een vrouwenleven gaat niet over rozen en dat kon je maar het best zo jong mogelijk leren.

Rolmodel 2: Annika
Zus van Tommy. Het geweten van Pippi Langkous. Die zich van Annika’s benauwde “Oh nee niet dóen, Pippi!” overigens nooit ook maar ene fuck aantrok, maar dat past natuurlijk ook wel bij gecombineerde probleemkinderen. Of vrije zielen, want is maar net welke naam je het beestje geeft natuurlijk. Waar voor andere kinderen Pippi een soort rebelse heldin was, kon ik persoonlijk niet wachten tot bureau jeugdzorg Pippi eindelijk eens in een jeugdinrichting zou gooien. Eén van mijn dwangmatig terugkerende gedachten: hoe lang zou het duren om Villa Kakelbont helemaal op te ruimen? Als iedereen nu eens een middag flink de handen uit de mouwen stak, dan moest je toch een eind kunnen komen. Dwars daar doorheen dacht ik: oh Pippi, waarom kun je niet gewoon eens een keer een mooi bóek gaan lezen of zo!?
Voor mijn soort meisjes was er gelukkig iemand om je mee te identificeren: de nerveuze Annika. Waar Pippi onbekommerd lol had, zat Annika nooit echt lekker in the moment. Maar ja, we kunnen niet allemaal ongediagnosticeerde adhd hebben, natuurlijk. En iémand moet in de gaten houden of deze of gene spontane actie wellicht kon resulteren in gebroken ledematen, brand, of Veel Erger. Het waren dus vooral zorgen die Annika dreven – zorgen én de onbedwingbare aandrang tot het uitwassen van kleding. Zelfs als ze tegen wil en dank werd meegesleurd op een avontuurlijke bootreis naar Taka Tukaland (“Pippi, geef me je broekje!”). Zelf had ik trouwens ook een ministrijkplankje, want dat kon nog in die dagen. Met strijken verdwijnen al je zorgen, vond ik als kind al.

Rolmodel 3: Mary Ingalls
Oudere zuster van Laura Ingalls, hoofdpersonage in het tergend stichtelijke Little House on the Prairie, dat momenteel voor de vierendertigste keer een re-run beleeft op de Nederlandse televisie. Stond als braverik altijd in de schaduw van haar vermeteler zusje, een soort Pippi Langkous op gereformeerde grondslag. Maar Mary Ingalls was een schoonheid, met een wolk van blonde haren en knalblauwe ogen. Waaruit ze alras weinig meer zag, want het arme kind werd stekeblind. (“Oh pa, am I going blind?!?” “Yes child.”) De schok, de ontkenning, de loutering, de acceptatie – het ganse scala aan rouwverwerkingsfasen uit de DSM 4 kwam voorbij. Super leerzaam dus. En elke keer weer huilen.
Ik heb, geïnspireerd door Mary, wel eens geprobeerd een week lang als blinde te leven, maar ik moest helaas na drie minuten opgeven. Leerrendement na die drie minuten: vergeleken bij Mary had je het zelf nog best goed eigenlijk! Hoewel zij, eenmaal blind, direct op de tast de liefde van haar leven vond in een eveneens blinde jongeman. Die enige tientallen episodes later trouwens ineens weer kon zien nadat er een balk op zijn hoofd viel. Allemaal waar gebeurd.

Rolmodel 4: Sissi
Klassiek mooie chica. Was aan het begin van de filmreeks een hartstikke hübsche bakvis maar werd nadat ze het aanlegde met keizer slash moederskindje Franz Joseph al snel een schim van zichzelf. Als Sissi ons één ding leerde, dan was het wel dat je maar beter de havo kon afmaken want keizerin zijn, dat is dus ook niet alles. Maar bovenal liet ze ons zien dat tegen de ware liefde geen kruid is gewassen. Ontzettend jammer eigenlijk, want je gunde Sissi gewoon een warmbloedige Oostenrijkse boer. Opdat ze haar hele leven schaterend van berghellingen kon rollen. En gezellig in de buurt van haar vader en moeder kon blijven wonen. Maar nee, het moest en zou de kaiserige melkmuil worden. Met zijn vermanende “Aber Sissi!”. Zeiksnor.

Rolmodel 5: Annifrid
Van Agnetha. Ook wel: de donkere van Abba. Eeuwige tweede want tegen de mysterieus-afstandelijke blonde Agnetha kon natuurlijk niemand op. De exacte onderlinge verhoudingen tussen de twee zijn me altijd wat duister gebleven, hoezeer ik op de televisie ook zocht naar sporen van animositeit tussen de twee. Maar je zag nooit echt zichtbare haat en nijd, of van het podium-geduw. En hoewel ‘Frida’ mij om onduidelijke redenen mentaal de sterkste van de twee toescheen, had ik toch altijd vaag medelijden met haar. Natuurlijk, ze had de knapste vent (de immer goedgemutst op zijn keyboard spelende Benny), terwijl Agnetha het moest doen met Björn (eveneens een prima kerel doch gruwelijk lelijk). Maar later verfde Annifrid heur haar knalrood en knipte het kort. Oei. Dat is bij vrouwen vaak een teken van woede. Maar zoals ik al zei: we kunnen niks hard maken.
Soms, op feestjes, voel je je ineens heel erg een Annifrid. Naast een minder knap iemand gaan staan helpt. Of je haar blonderen.

Rolmodel 6: Olijfje
Ook wel: Olivia Newton-John. Vrijwel alleen beroemd door haar rol van Sandy in de musical Grease, de eerste en laatste musical die de moeite waard was, wegens bemoeienis van de onvolprezen gebroeders Gibb. Sandy was bij aanvang een preutse, lang-gerokte maagd, met verheven ideeën over de liefde en sluik naar buiten geföhnd haar. Aan het eind van de film volgde de schokkende transformatie tot woest getoupeerde rockchick, gehuld in zwart leer en op hoge hakken. Uit de mond bungelende sigaret: present. Sandy leek me in elk geval ineens niet meer iemand met wie ik vriendin zou kunnen zijn.
Leermoment voor een hele generatie meisjes: pas als je je kleedt als een hoer, krijg je de man van je dromen. In dit specifieke geval John Travolta, dus dan had je ook wat. Tweede leermoment: mannen zijn hersenloze sukkels die op verrassend simpele wijze door vrouwen kunnen worden gemanipuleerd.

Rolmodel 7: Brooke Shields
Teen mom. Soort van oermeisje met zware wenkbrauwen. Strandt als piepjong deerntje op een onbewoond eiland met een eveneens piepjong manneke dat ras uitgroeit tot tarzaneske hunk (Christopher Atkins). Enfin, elk meisje wilde Brooke Shields wel zijn in de tijd van The Blue Lagoon. Zeker toen het allemaal een beetje eilandporno begon te worden. Het betrof hier in feite twee jonge wilden, dus je zou denken: hatsee. Maar nee. Zelfs bij ontstentenis aan seksuele opvoeding, mijlenver van het juk der beschaving (en hallo: onbewoond eiland) krijgt Brooke ineens een all American aanval van preutsheid als ‘hij’ er op zekere leeftijd zin in begint te krijgen. Terwijl zij dan alláng ontluikende borsten heeft. Natuurlijk laat ze zich uiteindelijk overhalen, want nou ja, onbewoond eiland dus en verder geen ruk te beleven. Maar de boodschap was helder: nette meisjes zeggen eerst altijd nee. Ook op een eiland.

Rolmodel 8: Sue Ellen Ewing
Melodrama-vrouw in Dallas. De verpersoonlijking van het battered woman syndrome. Kon ook prima overweg met negatieve spiralen. En ze zou ook zomaar de onofficiële grondlegster kunnen zijn van het passive agressive met de lip trekken. Sue Ellen had dan ook een eikel van een vent (JR Ewing) en een kwezel van een schoonzus (Pamela Ewing, een Stepford Wives-achtige tuthola met grote borsten en zonder noemenswaardige karaktertrekken). Vergeleken bij haar was Sue Ellen dan tenminste nog chronisch ontevreden en ongelukkig.
En niet te vergeten: aan de drank. Als Sue Ellen eenmaal in de olie was, dan bleef er van dat passieve ineens een stuk minder over. In mijn herinnering gooide ze wel eens een whiskyglas stuk tegen een spiegel. Páts. Schrok je toen wel van.

Rolmodel 9: Dolly Dots
Zes rolmodellen voor de prijs van één. Beenwarmers galore. De meest bereikbare meidengroep aller tijden, of eigenlijk niet echt maar soms fantaseerde ik dat er eentje haar been had gebroken en ik in moest vallen. Er zaten twee Angela’s in, maar die ene sprak je uit als Ansjééla (Sjeel). Verder zijn er over de meiden nauwelijks interessante feitjes te vertellen. Maar het geheel is meer dan de som der delen: de Dolly Dots vertegenwoordigden de droom van die ongelofelijk gezellige vriendinnengroep, die je in je eigen leven maar niet voor elkaar kreeg. Pyjamaparty’s, elkaars haren vlechten, ruzietjes die weer werden bijgelegd, de héle mikmak. Heerlijk.

Rolmodel 10: Penney de Jager
Last but not least. Want iedereen die oud genoeg is, kent Penney de Jager. Het is de vrouw van wie we thuis altijd zeiden: “Hee daar heb je de Pennywafel”, als ze gepassioneerd en in rook gehuld aan kwam zweven in Toppop. In een legging, een lange doorschijnende rok en een turnpakje. En met een bijzonder wild getoupeerde bos haar natuurlijk. Soms, als de artiest an sich te saai was of te belazerd om voor drie minuten playbacken naar de studio te komen, vertolkte Penney het betreffende nummer gewoon in haar eentje, via de internationale taal van de dans. Als kind voelde je haarscherp aan dat ze de essentie van het liedje heel kunstzinnig en intuïtief aanvoelde. Met liefst grootse en weidse gebaren die op minder ingevoerde kijkers wellicht wat bruusk konden overkomen. Hoe dan ook, Penney wist de eventueel ook aanwezige popster in kwestie behoorlijk naar de achtergrond van het podium te dringen.
Ik vond haar altijd wat apart, een soort van kruising tussen Kate Bush, die ik ook een beetje apart vond en buikdanseres Yonina (uit de Willem Ruis-show), die ik ook een beetje apart vond. Maar Penney leerde ons ondertussen maar mooi dat het lichaam een soort van instrument kan zijn, in plaats van een dood (of nou ja, levend) gewicht dat je nu eenmaal met je mee moest slepen. Penney’s levensles: je moest gewoon één zien te worden met de muziek en dan voelde je vanzelf aan hoe je moest bewegen.
Desalniettemin dansten wij uit angst voor sociale uitsluiting op schooldisco’s toch liever gewoon met onze tasjes op een hoop in het midden. En moet ik nog steeds heel, heel erg dronken worden voordat ik zo durf te dansen als Penney de Jager.

[Dit verhaal verscheen op zaterdag 9 maart 2013 in Volkskrant Magazine]

"hier baal ik dus best wel van."

rolmodel

Ik zag deze week een film over Jane Austen op tv en het viel me wederom op dat vrouwen in die tijd eigenlijk vrij weinig deden behalve uit het raam of naar de navel staren. Contempleren, zo u wilt. De dingen helemaal tot op het bot kapot analyseren. Konden ze verder niet veel mee. Ja, zuchten. En eens in de zoveel tijd zo’n beetje gevat uit de hoek komen –  zo lang het maar wel in de privacy van hun eigen home gebeurde dan. Niemand die het amusant vond als vrouwen dat en plein public deden. Wat een afschuwelijke tijd hè. Aan de andere kant, soms denk ik: kon ik maar gewoon een jurk aantrekken en de hele dag verplicht gaan zitten contempleren in een erker. Maar waarschijnlijk zou ik er dan tóch te pissed off voor zijn. Ik kan echt slecht tegen onrecht, zeker onrecht tegen vrouwen. Vrouwen zijn mijn lievelings. Ik zou bijna zeggen: ALLE VROUWEN KIESRECHT! Enfin, als je in een dergelijke verhitte state of mind geraakt, dan is de beer los. Contempleert niet rustig. Kun je net zo goed naar Kantoor gaan en patience opstarten. Terug naar Jane. Het enige lichtpuntje was dat er eens in de zoveel tijd een redelijk goed uitziende kerel op een galopperend peerd aan kwam nou ja galopperen dus. En die had er dan, hoe voorspelbaar, wel zin in. Eind goed al goed!

Ook de rest van mijn vrouwelijke rolmodellen kwam de afgelopen weken over het scherm rollen. Ik noem een Annika (“NEE PIPPI, NIET DOEN!!!), ik noem een Sissi (“ABER BITTE FRANZJOZEF of hoe heet je precies”), ik noem een Sylvie van der Vaart Truus de Mier (“TUUT TUUT TUUT TUUT”). Maar graag vraag ik nog even jullie speciale aandacht voor mijn rolmodel der rolmodellen: de arme, arme Mary Ingalls, die op de rand van 2012 in de 892ste re-run van het prachtige Little House on the Prairie (SBS6) weer eens blind wordt:

huilmary

Ja, Mary, dat zeg ik net. Blijf er ff bij oké.

Héérlijke aflevering. Ik denk eigenlijk wel de beste. Hoewel, don’t get me started on de hele serie. Schitterend. Ik kan er een boek over schrijven. Hoe dan ook: Blinde Mary wordt na een korte episode van trek mij maar door de wc als het zo moet —> een volcontinu ontroerd glimlachende heilige, een staat die ik ook nog eens hoop te bereiken maar: ik ben aardig op weg al zeg ik het zelf! Voor de bezorgde lezer: gelukkig loopt Mary geblindeerd en al direct in de armen van een medeblinde die er ook wel zin in heeft!

Meer blinde Mary (twitter) > De oogarts brengt het slechte nieuws, Charles Ingalls hoort het slechte nieuws en Mary Ingalls, du moment dat ze blind wordt.