vakantie (vkmag)

Het was op de vierde dag dat ik ermee was begonnen mijn toenmalige vriend dood te zwijgen. Na driehonderd kilometer bergklimmen had hij moeten toegeven dat dit “misschien toch inderdaad niet de bejaardenroute” was. Ik had de lippen op elkaar geperst. Ik prikte zwijgend zeven blaren door. Mijn vriend haalde zijn schouders op. Hij blies zijn sigarettenrook weg op de wijze van mannen die vrouwen haten. De zon was heet, de stilte koud en het uitzicht was op zich wel prima. Per ongeluk kruisten onze blikken elkaar. Gauw keken wij naar de lucht. Een adelaar vloog boven ons, het kan ook een duif zijn geweest. Vaak weet je achteraf feilloos aan te wijzen wanneer een liefdesrelatie nou eigenlijk precies is geëindigd en ik begreep direct dat dít later dat moment zou worden.

Enfin, van alle mensen en dieren die je op vakantie tegenkomt is Je Toekomstige Ex misschien wel de meest pijnlijke. Maar er zijn natuurlijk wel meer vakantionele archetypes. Een kleine greep.

De Genieter
Also known as de blije eikel. Meestal is de genieter een gesandaliseerde man, die op een rots gaat staan en met de handen in de zij nét iets te lang en te nadrukkelijk van het uitzicht geniet. Mitsen en maren zijn de genieter onbekend, hij vindt de temperatuur perfect, kwallen fascinerend en zeeziekte “een intense piekervaring”. De genieter is dus feitelijk niet te genieten. Maar hoewel je soms met overslaande stem zou willen roepen: als je nog één keer zegt hoe fantástisch het hier is, sla ik je uit je kano – nee, dát kun je gewoon niet zeggen in dit tijdsgewricht waarin de geluksmaffia het voor het zeggen heeft. Wat kun je dus tegen een genieter beginnen? Niks. Nou ja, héél goed insmeren – om alle positiviteit van je af te laten glijden.

De Verhuurder
Zelfs als de verhuurder van het vakantiehuis slechts een conceptueel mailpersonage is, is hij toch feitelijk altijd aanwezig. Hoezo heeft hij de bedden tegenover elkaar gezet!? Is dat zijn dochter die hier op de wc hangt of zou het zijn veel te jonge vrouw zijn? Waarom staan er alleen maar boeken over wapens?! En wat heeft hij hier voor een raar houtje neergelegd, ik gooi het weg.
Lastiger is het als de verhuurder echt blijkt te bestaan en je “cottage met ongekende privacy” verstoort door dagelijks het gras te komen maaien. Of door intiem op de bedrand zittend te informeren of alles nog steeds naar wens is. Maar waar hebben jullie in godsnaam het essentiële warmwatervoorzieningshoutje gelaten?!?! Voor je het weet, heb je ruzie met de eigenaar en hij zóu dus wapens kunnen hebben.
Echt vervelend wordt het als blijkt dat het huis van de verhuurder pal naast of tegenover het vakantiehuis is gesitueerd. Bij alles wat je doet, zie je jezelf met de argusogen van de eigenaar. Je eet alleen nog met mes en vork. Je stikt haast in het nietruziemaken met je partner. Je praat alleen nog fluisterend. Niet bevorderlijk voor het echte vakantiegevoel. Dus van lieverlee vlucht je elke dag naar een andere vulkaan, terwijl: als je er één gezien hebt pfff.

De Klager
Het negatief tegenovergestelde van de genieter. De klager ziet óveral opportunities voor onvrede. Het is hier wel 35 graden! Het is hier maar 35 graden! Het eten is niet binnen te houden, er is te veel eten, er is te weinig eten, er is precies genoeg eten!?%&!?!?? De klager is alomtegenwoordig, maar pik ze er maar eens uit. Soms kom je op dag één van je vakantie in een cafeetje iemand tegen, je vraagt nietsvermoedend hoe het hem hier bevalt en na drie kwartier slof je katsdepressief naar je appartement en schopt vloekend een schurftige zwerfkat (zie verderop) van je bed. Dikke kans dat je dan geïnfecteerd bent met een klager. Veel drinken is het enige.
Erger is het nog als de klager zich in je eigen reisgezelfschap bevindt. In Nederland een prima kerel maar du moment dat je in het vliegtuig stapte begint het gedonder. Het enige voordeel is dat jij zelf karaktertechnisch gunstig afsteekt bij een klager – en dat is natuurlijk ook wel eens een keer leuk. Het nadeel is dat je weinig tegen een klager kunt zeggen dat hem op andere gedachten brengt. “Flikker toch op” is bijvoorbeeld niet handig gekozen: de klager zou namelijk best graag eerder naar huis gaan, want dan kan hij klagen over een te korte vakantie.
Noteer dat veel notoire klagers het echt niet kunnen helpen. Hun klaagdrang hebben ze geërfd van hun klaagvader of zeurmoeder en er is ze dus gewoon niet geleerd wat je anders zou moeten zeggen de hele dag. Wat, iets genuanceerds?! Beláchelijk woord.

De Authentieke Autochtoon
Ik ken mensen die naar het buitenland gingen en bij terugkomst trots vertelden over de fantástische culturele dans die daar ze hadden geleerd. Doe hem eens voor dan? Deden ze. Bleek de Vogeltjesdans. True story. Zaken waarvoor we in het eigen land de neus voor ophalen, is in een ander land ineens folklore en – komt dat woord – authentiek. Dat geldt voor tandeloze dronkaards (“ach kijk, een clochard”), in zichzelf pratende oude vrouwtjes (“zou dit nu de dorpsoudste zijn”) en flirtende Italiaanse gladjakkers (“wat zijn de mannen hier nog galánt hè”). De authentieke autochtoon, je zou hem bijna mee naar huis nemen. Ware het niet dat hij daar dus totaal niet tot zijn recht komt.

Het Echtpaar
Soms is het geheel iets heel anders dan de som der delen. Men neme: een sympathieke man. En: een invoelende vrouw. Maar zet ze samen op een tandem en het is freakin’ hommeles. Waar het ongelukkige duo de rest van het jaar op flexe wijze uit elkaars vaarwater weet te blijven, is dat op vakantie natuurlijk volslagen onmogelijk. En iedereen weet: een gestrand huwelijk is altijd erger als je op een strand ligt.
Je hebt echtparen die in stilte vechten, zoals mijn katten soms doen, dan hoor je achter de bank een soort van zacht gehijg, terwijl de haren omhoog je nek in dwarrelen. Andere stellen zijn de schaamte allang voorbij. In Italië hoorde ik een vrouw op klare toon tegen haar man zeggen: “Houd je bek, gore hufter.” (Het was rustig op de camping, het hele veldje had net zijn eten op, iedereen hield zijn adem in, de bomen hielden op met ruisen. Na een tijdje begonnen we maar weer te praten, want je moet toch door met leven.)
Bij sommige echtparen bid je voor een nét niet dodelijk kabelbaanongeluk waardoor man en vrouw ineens weer begrijpen waarom ze ooit et cetera. Maar er is een treuriger variant voor wie zelfs onze lieve heer niets meer kan betekenen. Dat is het echtpaar dat het geen zak kan schelen of de ander dood neervalt ja of nee. Je ziet wel eens mannen op het strand zitten en alles aan hun rug vertelt je dat ze hopen dat hun vrouw door een golf wordt verzwolgen. En sommige vrouwen kijken naar hun man met die typisch afwezige blik die je hebt als je je afvraagt hoe duur een huurmoordenaar zou zijn. Divorce Hotel-materiaal.

De Zwerfkat
Het is een wetmatigheid dat zo tegen dag twee van elke vakantie de zwerende zwerfkat zijn opwachting maakt. Meestal ligt hij blasé op het terras tijdschriften te lezen tot je terug bent van het zwembad, om vervolgens extreem emotioneel behoeftig (riiight) op schoot te springen. Kan ook zijn dat hij al op je bed ligt en zijn vlooien daar heeft uitgelaten. Hoe dan ook: de gevolgen van bonding met een zwerfkat moeten niet worden onderschat, zeker niet als er vrouwen in het spel zijn. Als het tegenzit, draait binnen twee dagen alles om de kat en mogen uitstapjes niet al te lang meer duren, “want anders is het katje zo alleen.” “Ehm het is een díer hoor.” “DIEREN ZIJN OOK MENSEN KLOOTZAK!”
De zwerfkat kan ook een hond zijn. Tel er dan poot-op-arm-leg-situaties bij op, voeg smekende blik toe en je mag wel vast plek in de koffer gaan maken.

De Prater
Het maakt de prater geen zak uit of er een tsunami zit aan te komen, als hij of zij maar even iets mag zeggen. De mannelijke prater is vaak een verstokte betweter, een soort levende Wikipedia. Het is de man die je, direct als je des ochtends je tent openritst, vertelt dat zeeën die slechts een nauwe toegang hebben tot de oceaan slechts een zeer beperkte eb en vloed kennen. Het is ook de man die tijdens een museumexcursie aan de lopende band vragen stelt en ze vervolgens zelf ook maar even beantwoordt. Hoe anders is de vrouwelijke prater. Van hen hoor je over het algemeen geen feiten die men zo op het wereldwijde webje zou kunnen opzoeken. De vrouwelijke prater en het spijt me voor het feminisme praat voornamelijk over niets. Of nou ja, over details van details, en daar dan de finesses van.
Waar praters zijn, zijn natuurlijk ook slachtoffers. Meestal sub-assertieve mensen die in the end geen andere mogelijkheid zien dan acht minuten onder water blijven of zich achterover van een muurtje laten vallen als er eentje komt aanlopen. Menige spoorloze-vakantieverdwijning kan dan ook rechtstreeks op het conto van een niet te stuiten prater worden geschoven.
De muzikale variant van de prater is overigens de gitaarspelende backpackhipster. Het type dat dan wel light travelt maar te pas en te onpas een gitaar uit de zwembroek weet te toveren. En dan is het de bedoeling dat je eerbiedig luistert naar deze gevoelige blablabla oh man hou toch je kop!!!

Jezelf
Moeten we het niet ook nog even hebben over de vrij gezellige vrijgezel? Het kutterige kutkind? De behendige handdoeklegger? Nou eh, laten we het nú maar eens over jou hebben. Want als het goed is, kom je ook jezelf wel een keer of wat tegen tijdens je vakantie. Met je gejank als je drie kilometer moet lopen. Je heimwee naar je dode kat Boris V. in de freaking middle of een regenwoudje. Je WIFI-humeur. Ik zeg het niet graag, maar er moet ernstig rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat ándere mensen op hún beurt vanaf hún handdoekje boude uitspraken over jóu doen. “Die blonde vrouw die altijd vloekend een telefoon in de lucht houdt, die spoort volgens mij ook niet echt.” “Nee dat dacht ik in het vliegtuig al.” Ik schrijf dit nu wel op maar het is onverteerbaar. Dit kan niet waar zijn. Dit klopt gewoon niet. Die mensen zijn gek. Ik wil naar huis.

Dit artikel stond op zaterdag 5 juli 2014 in Volkskrant Magazine

reinbert

Ik kende Reinbert de Leeuw totaal niet, maar mijn indruk was dat het wel een lieve man was. Alleen al omdat hij in zijn voorstukje op bijna verontschuldigende toon meldde: “Dit jaar ben ik één van de Zomergasten” (mijn cursivering), als om maar aan te geven dat er ook nog vier andere zouden zijn. Nu ik dit overlees, slaat het niet echt ergens op, maar toen ik het zag sloeg het wel ergens op. Ik moest namelijk direct denken aan de voorvorige Zomergast, Jim Taihuttu, die nogal terloops, en passant & langs de neus weg keihard probeerde te beklemtonen dat hij vagelijk meende de jongste Zomergast ooit te zijn. Jonge mensen zetten graag overal hun geboortedatum achter, om daarmee te zeggen: kijk, ik ben nog maar zó jong en toch heb ik dit bereikt, hoe schattig ben ik! Grow up ettertje, denk ik dan, maar goed ik heb gewoon een hekel aan jonge mensen omdat ik zelf oud ben.

Terzake. Een zekere bescheidenheid leek dirigent Reinbert (mag ik Reinbert zeggen / liever niet ik ben namelijk even oud als je vader / oké ik doe het toch) te tekenen en dat nam mij voor hem in. Ware het niet dat ik zo stom was om vlák voor het begin van Zomergasten gisteravond nog even een groot portret over de man te lezen. Dat was niet overal even positief en ik ging er daardoor niet blanco in. Alsof je een date hebt met iemand over wie het hardnekkige gerucht gaat dat hij een serial killer is. Liever had je die voor-info niet gehad want zo fiets je toch net iets minder onbevangen met hem mee naar zijn huis om zijn stickerverzameling te gaan bekijken. Tuurlijk, je blijft op je qui vive en daardoor misschien in leven. Maar toch vind je het leuker om je ergens met hart en ziel in te storten.

Zo verging het mij met Reinbert ook: dwars door zijn muziekhistorische college en dwars door zijn enthousiast zwaaiende armen dacht ik steeds, met mijn armen over elkaar en een half dichtgeknepen linkeroog: eh ja, alles goed en wel maar je bent dus wel een beetje een POTENTAAT OKE. En een links-radicaal. Kan ik niet tegen, linksradicalen. Ook niet tegen rechtsradicalen trouwens. Of radicaal stoppen met suiker. Mensen, zoek toch alsjeblieft een beetje de middenweg.

Hoe graag ik mij dus ook zonder terughoudendheid in het college van Reinbert gestort had, dit is niet gelukt. Geregeld dwaalden mijn ogen af naar mijn ene kat die eerder deze week van drie hoog uit het raam gedonderd is en niets mankeert maar met dezelfde verbolgenheid als daarvoor het leven beziet. Het kan zijn dat de inhoud van Reinberts college daar ook iets mee te maken had. Niet met de kat, maar wel met het afdwalen. Misschien een mooie gelegenheid om de term gapende afgrond eens een keer te gebruiken, want het college van Reinbert ging mij totaal boven de pet. Ik luisterde naar teksten en ik dacht: oké. Ik hoorde muziek waarvan ik dacht: oké. En ik wist dat ik beide pas op waarde zou kunnen schatten als ik meer context zou kennen. Maar ik ken die wereld niet. Mijn context in de muziek is gevuld met muziek die hippere mensen tegenwoordig guilty pleasures noemen maar waarvan ik in de auto begin te dansen als Sky Radio het draait. Ik heb dan wel een muzikale achtergrond maar die bestaat eruit dat ik vroeger op de bruiloften en partijen covers stond te zingen die ik hier niet met name kan noemen. En ik kan serieus allevier de jaargetijden van Vivaldi feilloos mee-dirigeren, maar die hele Vivaldi is zoiets als een klassieke-wereld-guilty pleasure en dus zéker, ik herhaal zéker niet iets waarmee je voor de dag zou moeten willen komen.

Het is altijd een vreemde en fascinerende gewaarwording als je ergens zó weinig van snapt dat je er niet eens een mening over kunt hebben. Kun je nagaan, ergens geen mening over hebben, het lijkt wel 1984 of zo, hahaha! Ik moest gisteravond een paar keer denken aan projecten waarbij ik ooit en tegen mijn wil betrokken raakte en waar door de aanwezigen een taal werd gebezigd die ik niet sprak. Gewoon niet sprak. En de rest wel. Het was een rare taal, hij zat vol met woorden die eigenlijk niet konden en en ergens vermoedde je dat er misschien wel een hele hoop bullshit werd gezegd – maar je had véél te weinig achtergrond om ook maar iets anders te willen dan zo snel mogelijk naar huis gaan en in bed te gaan liggen met deze of gene serial killer.

Speaking of which: ik moest gisteravond dus met gapende afgrondgevoelens gaan slapen. Als ik zelf Reinbert de Leeuw was geweest, had ik misschien in de voorbereiding van zijn Zomergasten-avond gedacht: nou, misschien dat lang niet iedereen het snapt en dat het te hoog gegrepen is of zo, dus laat ik er ook nog wat fragmenten in gooien die voor dat soort mensen leuk zijn, anders zitten die de hele avond zo’n beetje sip naar de televisie te staren en daar voel ik me dan weer een beetje vervelend over want het zou leuk zijn als iedereen het naar z’n zin heeft!

Maar nee hoor, niks daarvan. Wat een potentaat.

freek

Halverwege Zomergasten stootte Freek de Jonge een glas water om en heel even flakkerde de hoop op dat er iets vreselijk mis zou gaan. Zo is de mens in dit tijdsgewricht, of althans: zo ben ik zelf in dit tijdsgewricht: tuk op een relletje, een sucker voor dingen die van de trap escaleren en waar je dan vervolgens iets ingehoudens maar retweetbaars over op de twitters kunt zetten.

Maar goed. Freek de Jonge stootte halverwege zijn Zomergasten een glas water om, hij veegde het water met zijn hand van de tafel, hij ging met diezelfde hand door zijn haar en een steek ging door me heen wegens jaloezie ten aanzien van mensen die hun haar bezitten in plaats van andersom. Er kwam een vrouw met een doekje. “Dat is wel een héél klein doekje”, zei Wilfriend de Jong en als om dat te onderstrepen, gooide hij zijn koffiekopje om. Het doekje was nu zéker te klein. Het gesprek ging verder, rechts onderin het beeld zagen we een vrouwenhand met het kleine doekje van links naar rechts gaan over de tafel en ik dacht: zou die vrouw nu vannacht de uitzending terugkijken om haar eigen hand te zien debuteren op live tv? Het is toch een momentje. Een wel héél klein momentje, maar toch.

Los van dit incident ging er dus niets mis tijdens Zomergasten met Freek de Jonge, of het zou moeten zijn dat al mijn oordelen over de man op de helling moesten. Dat was even slikken, ik had het al twee dagen stikheet gehad, de hele wereld stond op zijn kop en ik was er echt aan toe om enorm te worden bevestigd in mijn gelijk. Dat is dus niet gebeurd. Freek (mag ik Freek zeggen, ach doe eens gek) toonde zich een aimabele man met een paar mooie gedachten over de kunst en het lijden. En met zelfinzicht en relativeringsvermogen – en ik ben een sucker voor zelfinzicht en relativeringsvermogen. Maar het belangrijkst: Freek had alleen maar steengoeie fragmenten! Die ik hier zéker niet ga zitten oplepelen want daar heb ik totaal geen zin in, het kost tijd en zo. Maar neem het maar van me aan. Schitterende fragmenten.

Eén puntje van aandacht. Toen ik op Twitter de hashtag #zg14 checkte, bleken een aantal Freek-quotes wel érg populair. Ik kan daar niet goed tegen, hoe meer likes dingen krijgen, hoe stompzinniger ze worden – maar het kan zijn dat mijn calvinistische inborst me hier parten speelt. Bovendien krijg ik er een Paolo Coelho-gevoeletje bij en zie ik in mijn hoofd twitteraars die heel zelfgenoegzaam in bed stappen en nee, dit is niet goed. Kom op mensen, laten we nu ook weer niet doen alsof Freek de Jonge een soort van opgestane weet ik veel is. De man viel gewoon honderd procent mee.

Puntje 1b: Freek werd mij net iets te veel getwiteerd door coaches en ander gespuis. En dát is een vuile daad van toeëigening, zou mijn dode vriendin Els hebben gezegd, als ze nog leefde. Enfin, nu zij niet meer leeft, zeg ik het eens in de zoveel jaar.

jezus

De zoon van God en ik gaan way back – als ik mijn jeugd zou moeten beschrijven, dan was het alsof Hij de hele dag bij mij achterop de bagagedrager zat. Of tegenover me aan tafel. Onder mijn bed. Boven aan de trap. Nou ja, om het even samen te vatten: in mijn jonge jaren was Jezus C. mijn allerbeste imaginary friend. Ik kende hem uit de Bijbel en hij was een zachtaardige jongen die dingen had gedaan die best op het randje waren. Zo hing hij met hoeren en tollenaars (iets wat ik zelf dus nóóit zou durven, maar het zou sowieso ook niet mogen van mijn vader en moeder), hij ramde eens een hele tempel in elkaar (idem) en hij genas met de regelmaat van de klok melaatsen, zodat die weer gewoon in hun eigen comfortzone konden wonen in plaats van op een afschuwelijk eiland met alleen maar etterende mensen. Hij praatte nooit iemand naar de mond, zoals alle andere volwassenen die ik kende. Want het mooiste aan Jezus was wel dat hij altijd net dat antwoord gaf waarvan je dacht: nou daar zou ik dus zelf nóóit op zijn gekomen om het zo aan te pakken maar hij heeft wel een punt!

Alleen al daarom won Jezus het glorieus van zijn Vader, die ik me eerder voorstelde als een soort Kapitein Von Trapp – een toornig heerschap met een opvliegend karakter dat eigenlijk een lachgrage vrouw nodig had om een beetje te ontdooien. En Jezus won het al helemáál van het instituut kerk in het algemeen, waartoe ik elke zondagochtend opnieuw veroordeeld was. Het begon al met het orgelspel bij binnenkomst, dat ervoor zou zorgen dat ik de rest van mijn leven bij de eerste klanken van een orgel in een diepe, snurkende slaap zou geraken. Dan de stilte na het orgelspel, het gereformeerde gekuch er doorheen. En dan het állerergste: de preek die zeker vier dagen duurde en alleen werd opgeluisterd door de dolbysurroundeske geluidservaring van rollen King pepermunt die voor je, achter je en naast je werden opengescheurd. De verveling was met geen pen te beschrijven, je kreeg serieus zin in het einde der tijden. Ik bedacht vaak wat er zou gebeuren als ik nu keihard zou gaan gillen. Soms deed ik mijn mond al open. Ik hoefde alleen nog maar het geluid aan te zetten. Maar dan keek ik naar mijn vader en daarna keek ik naar mijn moeder en dan leek het me toch meer iets voor volgende week zondag.

Wat ik maar wil zeggen: in mijn hele freaking geloofsleven was Jezus het enige lichtpuntje. Ik zou graag willen zeggen dat ik op míjn beurt ook Jezus zijn lichtpuntje was, maar ik ben bang dat dat iets complexer lag. Ik stelde hem bitter vaak teleur, vaak zag ik hem in mijn verbeelding het hoofd schudden, met zo’n gekruisigde blik van nee Jacq, dít was dus duidelijk niet hoe ik het eigenlijk bedoeld had. For the record: ik probeerde het echt. Ik was een ernstig kind en vervuld van een intens verlangen tot het doen van het goede. Alleen kwam er altijd van alles tussen. Ik was bijvoorbeeld wakker geworden en had direct mijn broertje geslagen. Ik was opstandig geweest tegen mijn moeder. Ik was opstandig geweest tegen mijn vader. Ik had niet zo lankmoedig een  peuter van de schommel geduwd, mijn tong uitgestoken naar een kind van de openbare school (twijfelgeval) en de pest gehad aan vrijwel alle mensen en dieren die ik kende. En ik had mijn broertje nog maar een keer geslagen. En dat was dan alleen nog maar de ochtend.

Zolang het nog licht was, zondigde ik er lustig op los. Maar ’s avonds in bed begon het prakkizeren. Als ik het zo allemaal bij elkaar optelde, was het wel duidelijk hoe het met mij zou aflopen: ik kwam in de hel. Ik kon me maar nauwelijks een voorstelling maken van hoe afschuwelijk het zou zijn om daar te moeten wonen. Waarschijnlijk zou je ergens aan vast worden gespijkerd  en dan werd er een lucifer onder je afgestreken. Je kon nergens naartoe. Je zat heel ongemakkelijk. En los daarvan: het zou heel warm worden. Ik zou er totaal niet passen, links en rechts van me in de hel zouden voornamelijk vloekende en tierende moordenaars en kinderlokkers kronkelen en dat is gewoon geen omgeving voor een meisje. Ik zou me er net zo eenzaam voelen als die keer dat ik op de camping was verdwaald en zeker had geweten dat ik mijn vader en moeder nooit meer zou terugzien. Daar kwam nog bij dat mijn hele familie naar de hemel ging. En hoewel ik me soms druk maakte over de look & feel van het paradijs – in mijn fantasie was de hemel een eindeloze picknick met muziek en dans, maar als ik mijn familie zo bij elkaar zag kon ik me eigenlijk niet voorstellen dat ze dat leuk zouden vinden – ik kon het niet maken om weg te blijven. Of het nou gezellig zou worden of niet.

Er was maar één  uitweg: de bekering. Zeker een paar keer per week klom ik onder mijn dekbed vandaan en zonk op de blote knieën naast het bed – vrijwel alle dingen zijn beter in Kleine Huis op de Prairie-style. Bovendien wist je nooit of God daar extra punten voor gaf. Ik vouwde mijn handen, ik gaf een samenvatting van mijn zonden, ik vroeg om vergeving, ik wachtte op een stem uit de hemel, de stem was… niet bijzonder goed hoorbaar, maar toch. Duizelig van bekeerdheid rende ik naar de overloop, daalde van de trap af en deelde het nieuws mee aan mijn vader en moeder. Reageerden die in eerste instantie nog verrast op mijn aankondigingen een Geheel Nieuw Leven te beginnen, naarmate mijn bekeringen talrijker werden, werd de respons lauwer. Van lieverlee bleef het bij reacties in de trant van “Ja welterusten en doe het traplicht even uit” en als ik daarmee geen genoegen nam:  “GA!! SLAPEN!!!”. Als born again christenkind zijn dat niet exact de reacties waarop je hoopt. Maar goed, je bent net bekeerd, je hart is vol van liefde voor je medemens dus je kunt feitelijk geen kant op met je woede. Gelukkig had ik Jezus aan mijn zijde. Minimaal tot halverwege de volgende ochtend – als het tenminste een beetje mee zat met mijn karakter.

Later groeiden Jezus en ik wat uit elkaar. Ik fietste kilometers verder naar een bibliotheek waar je onopgemerkt de volwassenenafdeling op kon. Hij kreeg een musical. Ik ging heidense dingen doen, hij trok dat verdrietige hoofd voor de honderdmiljardste keer. Dus ik nam hem nog steeds wel overal mee naartoe maar ik liet hem meestal buiten wachten. En een paar jaar later hadden nog wel een soort van lijntje, maar het leek op het type contact dat je aanhoudt omdat je elkaar al je hele leven hebt gekend. Op het laatst zeiden we allebei alleen nog maar dat het wel goed ging. Gewoon om er vanaf te zijn.

Ik vloek nog steeds op de besmuikte manier van een gereformeerde – en ik kijk dan altijd even over mijn schouder of Jezus er niet toevallig aan komt. Ik zie hem eigenlijk nooit meer opduiken. Dus ik doe maar wat en niemand zegt mij meer of het goed of fout is. Maar ik vraag me nog wel eens dingen af, zoals je je wel vaker dingen afvraagt over vrienden die je uit het oog verloren bent. Leeft zijn Vader eigenlijk nog? Doet hij die truc met die vijf broden en twee vissen nog wel eens? Hij is binnenkort jarig, bedenk ik me. Dat zijn dan van die data die je nooit vergeet, net als de verjaardag van je eerste vriendje. Die vergelijking was per ongeluk, maar wat is per ongeluk. In a way ben ik nog steeds een beetje op Jezus. En ik zou graag willen zeggen dat Jezus op zijn beurt ook nog steeds een beetje op mij is – maar ik ben bang dat dat iets complexer ligt.

 

 

En dan nu: 5 LEVENSLESSEN, IN DE GEEST VAN JEZUS C. 

1. Keer je vijand de andere wang toe.  

Direct al moeilijk. Tegenwoordig word je direct naar een therapeut gestuurd als je niet genoeg voor jezelf op komt. En er is inderdaad niets zo heilzaam als iemand direct een ram terugverkopen als je wordt aangevallen. Maar: Jesus says no. Niet terugslaan. Niet direct allerhande vuiligheid uit die scherpe slangentong van je spuwen, Jacq. Veldman! Gewoon een keer het schier ondenkbare doen en níet reageren. Addendum: ik vertrouw erop dat Jezus het toekeren van de andere wang absoluut niet passive-agressive bedoelde, maar ik raad met name vrouwen aan toch een beetje uit te kijken. Trek niet het soort gezicht waarbij je wang in drie seconden alle fasen van de lijdensweg van Christus doorloopt. Wekt eerder agressie op dan dat de ander ervan bij zinnen komt.

2. Loop over water.  

Ik moet zeggen dat ik als kind al dacht: dat heeft zo’n jongen toch niet nodig! Voor mij had het niet gehoeven, ik vond Jezus ook al leuk toen hij nog gewoon Jezus was en gezellig bij zijn vader en moeder op bezoek ging. Maar goed, hij had natuurlijk nog een andere Vader en die zat hem waarschijnlijk nogal op de nek. Doe een wonder Jezus. Doe! NU! Een wonder! Dus daar ging Jezus. Als het een film was geweest, had je gezegd: beetje over the top, die special effects. Waar ik ‘loop over water’ zei, bedoel ik eigenlijk: stap eens uit je (oh god, gaat ze het woord gebruiken!? – ja, in naam van Jezus C.) comfortzone en kijk gewoon wat er gebeurt. Zelf probeer ik wel eens iets te doen wat ik van tevoren onmogelijk had geacht. En dan mislukt het, want het was inderdaad onmogelijk. En dan verdring ik het, want zo ga ik dan zelf met dingen om. Culinair alternatief: verander water in wijn.

 3. Verniel eens een tempel.  

Wat de meeste heidenen niet weten, is dat Jezus ooit een keer een hele tempel in elkaar heeft geramd. Hij was serieus boos. Iets met geld en kapitalisten. Totáál out of character inderdaad, ik zie die plaatjes van een woest rauzende Jezus nog zo voor me in de kinderbijbel en ik kon alleen maar denken: zo zo, dus dat was die jongen van die andere wang?! Lekker dan. En wie moet die troep straks weer opruimen? (Waarschijnlijk een vrouw.) Enfin, wat kunnen wij met deze levensles, in onze tempelloze tijden? Wel, schop eens een heilig huisje omver, want die zijn er nog genoeg. Eigenlijk gaat het om alles waarvan je bij voorbaat denkt: dit zég je gewoon niet. En dan tóch zeggen. Die gekwetste hoofden! Hilarisch! NB je houdt misschien vrij weinig mensen over die nog met je om willen gaan.

4. Ga aan een kruis hangen.  

Zeg nou zelf, is het niet enorm bevrijdend om eens een keer de schuld van een ander op je te nemen!? Haha geen idee, ik heb het nog nooit gedaan namelijk. Hoewel, ik cover occasioneel wel eens een fout van een collega, maar dan in de veronderstelling dat die collega de zaak direct even publiekelijk rechtzet, zodat ik er zelf goed op sta. Dit gebeurt meestal niet, ook niet als je dwingend opzij kijkt. Of diegene met je balpen in de arm prikt. Nog bedankt collega S.! Het is verbijsterend hoe graag mensen een ander de schuld geven. Dit wordt dus een lastige. Doe eventueel iets anders nuttigs met spijkers en een stuk hout.

5. Wees een barmhartige samaritaan

Het doen van goede daden ligt vrij ingewikkeld. Want wanneer is iets een goede daad? Als je er zelf niks mee opschiet. Maar je voelt je tóch direct pedant tevreden over jezelf na het doen van een goede daad. En dan was die goede daad ook niet een écht goede daad. Dus dat ik al mijn kledingmiskopen uit de goedgunstigheid van mijn hart schenk aan arme mensen in de derde wereld – ik zie de Here Jezus alweer bekommerd nee schudden. Over hoe verdorven ons altruïsme feitelijk is, daarover kunnen gereformeerden uren discussiëren. Het gevaar is dat je nooit meer van de bank komt en dat is ook weer niet de bedoeling. Dus: raap gewoon eens iemand op. Koop een daklozenkrant. Rem eens een keer voor een oud vrouwtje. Ik deed het gisteren, en haar dankbare blik gaf mij een inténs geluksgev… oh wacht. Never mind.

 

dit artikel stond op zaterdag 14 december in Volkskrant Magazine

dikke pret (vkmag)

Ik tilde gisteren mijn buikvet omhoog, ik schudde het zo’n beetje op en ik zei schouderophalend: “Och.” Dat kwam niet omdat ik zo’n geringe hoeveelheid buikvet heb of zo, dat zit hem in programma’s als Obese die mijn perceptie van overgewicht aangenaam hebben verruimd. Het eigen vet verbleekt immers nogal bij de lichaamsomvang van mensen voor wie zelfs de categorie zwaargewicht nog een te luchtige aanduiding is.
Ik kan mijn lol wat dat betreft wel op, deze dagen. Niet eerder in de geschiedenis van de Nederlandse tv was er zoveel lillend vet op te zien als dit jaar. Waarheen je ook zapt, érgens staat altijd wel iemand met vierhonderd vetrollen gespannen op een weegschaal. De SBS-versie heet The biggest loser en verbindt een wedstrijdelement aan het groepsgewijs afvallen. De AVRO zendt momenteel het wat militair en oudhollandsch aandoende Operatie NL Fit uit. Maar het grootste dikkemensenprogramma is de RTL4-kijkcijferhit Obese. Een nieuwe serie is in de maak en dit najaar had het programma zelfs een spin-off: Obese, hoe is het nu met …? Het programma Obese is niet alleen erg populair, het heeft ook veruit de dikste kandidaten: mensen met morbide obesitas die nauwelijks meer uit de voeten kunnen en voor wie het “vijf voor twaalf” is – een uitspraak die presentator Wendy van Dijk aan het begin van elke aflevering herhaaldelijk en op onheilspellende toon doet. De Obese-kandidaat krijgt een jaar om de helft van zijn huidige gewicht te verliezen en wordt begeleid door fitness-, voedings- en mental coaches.

De ongezond dikke medemens moet zijn vet kwijt. En wij vréten dat, al dan niet met een zak chips binnen handbereik. Waarom? Vijf verklaringen.

1. Het is een horrorfilm.
Laten we het hebben over Danny (40 jaar, 270 kilo). Danny ligt in bed. Hij zal later Mister Obese worden genoemd, een dubieuze geuzentitel die hij evenwel dankt aan zijn succes: hij valt met behulp van het programma in een jaar tijd 155 kilo af. Nóg een jaar later is hij overigens weer bijna terug bij af, maar daarmee lopen we danig op de zaak vooruit.
In de openingsscène van Obese ligt Danny in bed – want dat is de vaste openingsscène van elke aflevering. Hij wordt wakker en worstelt zich overeind. Hij draagt alleen een boxershort. Hij zit. Hij rust uit. Moeizaam staat hij op, traag beweegt hij zich richting een passpiegel die in zijn slaapkamer staat. De camera begint bij Danny’s voeten en glijdt langzaam naar boven. De lange scène eindigt met een overzichtsshot, terwijl we zien hoe Danny zichzelf langdurig in de spiegel observeert.
Deze scène geeft ons als kijker ruimschoots de tijd om op onze beurt deze observatie te observeren en het lichaam van Danny in ons op te nemen. Het ziet er… niet prettig uit. Dit soort lichamen zie je normaal nooit. Ze zijn een uitzondering, zeker in een tijd waarin vrijwel alles draait om (Facebook)image en om die ene goed gelukte selfie die we wel met de wereld willen delen. Om ons heen zien we steeds vaker mensen die er beter uitzien dan… enfin, dan ze éigenlijk zijn. In Obese toont men ons de afwijkers van de norm: dit zijn mensen die hun imago letterlijk totaal niet onder controle hebben. Deze veel te dikke mens heeft zich overduidelijk niet kunnen houden aan de geldende wetten en is misschien wel de letterlijke uitvergroting van onze grootste angst: hoe vreselijk het uit de hand loopt als je de controle verliest. We kijken er met gefascineerde walging naar. En tegelijkertijd gaan we opgelucht nóg iets meer van onszelf houden – wij hebben de zaak duidelijk beter op de rit dan deze Danny. Breng me meer Dorito’s.

2. Er gaat iemand kapot.
De manier waarop Obese zijn kandidaten in beeld brengt, is op zijn minst vernederend. Kermis-tv, zouden we kunnen zeggen, de vrouw-met-de-baard all over again. Het terugkerende bed- en spiegelritueel in Obese is vanzelfsprekend een compleet geconstrueerde situatie. Picture this: iemand spoort de kandidaat aan op klaarlichte dag halfnaakt in bed te gaan liggen, de kandidaat kruipt onder zijn dekbed, doet alsof hij wakker wordt en werkt zich moeizaam uit het drijfzand dat zijn bed heet, naar een grote spiegel. Het is fake, evenals het nagespeelde binge-eten waarmee de kandidaat nog even moet laten zien hoe hij in het verleden stiekem naar de McDonald’s reed. Geeft de redactie hem het geld voor die twee Happy Meals die hij dan in de auto opeet? Eet de crew buiten beeld mee? (“Kan het iets sneller, het moet wel een vréétbui zijn hè.”)
Maar ook verder is het programma vanaf het eerste moment keihard voor de kandidaat. Wie de queeste naar “een gezond lichaam” leidt? Niet de kandidaat natuurlijk. Die heeft immers bewezen daartoe absoluut niet in staat te zijn. Dus: “We nemen deze mensen bij de hand”, aldus Wendy Van Dijk in haar intro. En “Daar zijn we! Je redding!”, juicht ze bescheiden bij de ‘overval’ die alle kandidaten tot nu toe dermate overrompelt dat ze niet meer in staat zijn coherent te reageren. Hélemaal van hun stuk, en zo blijft het ook. In Obese doet niemand alsof de kandidaat zelf ook nog iets te zeggen heeft. Ook de kandidaat weet wat hem te doen staat, hij levert zich met huid en haar over aan de wetten van het programma.
De redding lijkt in eerste instantie meer op een boetedoening dan op gered worden. Kijk maar naar het genadeloze script. De vergelijking met het lam en de slachtbank móet wel opdoemen wanneer de kandidaat, slechts gekleed in een enorme badjas, door een kale, lange ziekenhuisachtige gang naar de kijker toe strompelt – of eigenlijk in de richting van het cachot: een enorme weegschaal. “Dat is 222 kilo Michel.” “Ja dat is niet goed.” “Nee Michel.” Voor de kandidaat het weet ligt hij onder een klimrek in een kinderspeeltuintje (!) in zijn eigen buurt (!) voor de beruchte begintest van afgetrainde fitnesscoach Radmilo. Dan wordt ook duidelijk wat ‘tot de grond toe afbreken’ letterlijk betekent. De kandidaat die niet reeds bij het idéé van een work-out ineen zijgt, kan rekenen op lauwe enthousiasmeringen in de trant van “Kom op. Je kan het wel. Jawel. Jawel.” Maar de kandidaat kan het natuurlijk niet. Smekend blikt hij vanuit het zand omhoog. Radmilo glimlacht flauwtjes. Hij steekt zijn hand uit. De kandidaat grijpt de hand van Radmilo, de vijand. Nee, de vriend. Het is al met al een bijzonder diffuse deal: in ruil voor zijn redding levert de Obese-kandidaat zijn eigenwaarde in. Maar voor het inleveren van die eigenwaarde krijgt hij, straks iets terug, namelijk zijn… eigenwaarde. Hm.

3. Er zijn sowieso 24 huilmomentjes.
Wie wil veranderen, moet dus eerst kapot. En alleen als je er keihard voor werkt, gaat het je lukken. Van die boodschap is Obese doordrenkt. “Het roer moet hélemaal om”, noemt Wendy van Dijk dat geregeld. De kandidaten zien het net zo, ze zijn stuk voor stuk toe aan “het tweede deel van mijn leven” en bereid “een andere afslag” te nemen. Combineer dat met de uitgestoken hand van Messias Radmilo en het begint te lijken op een bekering uit de tijd van Jezus Christus – maar het is gewoon het ons vertrouwde bijbeljargon van de make-over-industrie en de populaire (zelfhulp)psychologie.
Want niet alleen fysiek moet er iets gebeuren: de uitdrukking “Er moet een knop om” wordt door zowel Wendy van Dijk, de coaches als alle kandidaten veel gebruikt. Hij lijkt te suggereren dat de Obese-kandidaat niet alleen moet stoppen met zo veel eten maar ook de zaak van een totaal andere kant moet gaan bekijken. “Het kwartje moet vallen”, aldus een coach. “Het kwartje is gevallen”, zegt een kandidaat. Niemand spreekt uit wat die knop dan is en wat het vallen van zo’n kwartje precies behelst – het zijn uitdrukkingen die slechts met een hug (Wendy van Dijk) of high-five (fitnesscoach Radmilo) hoeven te worden beloond.
Het mag duidelijk zijn: er wordt bijzonder veel gepsychologiseerd in Obese. De psychologe in de aflevering met Amanda: “Er zit veel onverwerkt verdriet bij Amanda en dat heeft een negatieve invloed op het afvalproces. De psychologe in de aflevering met Michel: “Het lijkt wel of er een soort van basisonzekerheid bij Michel zit.” Maar ook de kandidaten zelf duiden geroutineerd hun gewicht in de taal van de therapeuten. “Ik eet om niet te voelen”. “Ik moest mezelf vanaf mijn jeugd bewijzen.” “Dit geeft me een heel naar onderbuikgevoel.” “Het inzicht dat je het koppelt aan emoties, het eten.” ”Vet op mijn lichaam kweken was een soort bescherming.” Dat soort uitspraken doet vermoeden dat de kandidaten al een aardig hulpverleningsverleden achter de rug hebben – iets waarover het in Obese verder niet gaat, wellicht om het contrast tussen hun ‘oude’ en ‘nieuwe’ leven zo scherp mogelijk te houden.
Al die soul searching zorgt voor vele, vele huilmomentjes in Obese. Maar gelukkig is er dan altijd nog Wendy van Dijk en haar troostende hand/arm/hele lichaam. En als het meezit een cirkelredenatie die zijn weerga niet kent: “Ik denk dat jij terug moet naar je eigen ik, en als je je eigen ik weer herkent of herinnert en daar de liefde voor voelt en misschien wel jezelf vergeeft, en omarmt en liefhebt, dat dan die liefde voor jezelf weer terugkomt. En dat dan het afvallen uiteindelijk wel komt.” Kandidaat Danny: “…. Ja.”

4. Het is een klassieke tragedie
De race begint. En eerst gaat het redelijk, dan goed, daarna gezwind en tegen die tijd vóel je het drama naderbij komen. Want in elke aflevering van Obese, zo tegen het tweede reclameblok, dreigt álles hélemaal fout te gaan. En ja. De muziek wordt droeviger, de camera schiet donkere wolken die zich samenpakken en voice-over Wendy van Dijk gaat een octaaf omlaag: “Het vele trainen kost Stanley steeds meer moeite. Dan… gaat het mis. Hij krijgt een enorme vreetbui en geeft eraan toe. Hij laat zich hélemaal gaan.” Stanley, vanachter zijn webcam: “Ik hield het gewoon niet meer uit!!!”
Hallo, daar is het terugvalmoment! Het moet zorgen voor enige spanning in de verhaallijn die anders niet veel meer zou zijn dan de saaie plot waarin de kandidaat kilo’s kwijtraakt, nog eens kilo’s kwijtraakt, nóg eens kilo’s kwijtraakt en uiteindelijk zijn streefgewicht bereikt. Het terugvalmoment zorgt voor het competitie-element dat in principe ontbreekt als je een show met maar één persoon doet: “Je bent zelf je grootste vijand”, aldus Wendy van Dijk. Een stukje klassieke tragedie is het gevolg, met een heuse strijd tussen goed en kwaad, of zo u wilt God en de duivel. Allemaal verenigd in één obese persoon.
De Terugval met een hoofdletter overigens was natuurlijk die van Mister Obese, Danny. In het terugkijkprogramma Obese, hoe is het nu met …? bleek in september dat “onze fantastische droomkandidaat” inmiddels keihard downhill gaat naar zijn oude startgewicht. Kwartjes die ooit vielen, kunnen dus blijkbaar ook weer terugvallen. Er wordt vooral veel gepraat – niet over het klaarblijkelijke falen van reddingsoperatie Obese, trouwens. Niemand lijkt te weten hoe nu verder. Danny krijgt een verdrietige Wendy van Dijk op bezoek. “Ja maar waarom heb ik dit nou gekregen dan?”, zegt Danny wanhopig. “Ja dit is klaarblijkelijk jouw weg”, zegt Wendy van Dijk. Ergens begint iemand op een panfluit te spelen (oké, in mijn hoofd).

5. WTF, je raakt… bekeerd.
Pak hem beet tot driekwart van een aflevering van Obese kunnen we ons laven aan de wetenschap dat wij er stukken beter aan toe zijn dan deze mensen. En dat wij geslaagd en zij een fail zijn. Maar mét het vet dat van de kandidaten wordt geschraapt, verdwijnt langzaam maar zeker ook ons superioriteitsgevoel. Zo tegen het eind van elke aflevering, als de kandidaat griezelend (!) een enórme pantalon uit zijn vorige leven voor zich houdt, overvalt mij in elk geval een lichte onvrede over, enfin, mezelf. Want wanneer in mijn miezerige leven heb ik ooit zoiets groots gedaan? En als déze mensen dít kunnen, waarom ben ik dan niet eens in staat tot het verliezen van vijf kilo? Wat ben ik eigenlijk voor een pathetische loser?! Kortom: zo rond het moment dat Wendy van Dijk triomferend de arm van de leeggelopen dikkerd omhoog trekt en The Eye of the Tiger wordt ingestart, ben ik rijp voor mijn eigen bekering. De knop is om, het kwartje is gevallen: morgen begint deel twee van mijn leven.

[Dit artikel stond op zaterdag 9 november 2013 in Volkskrant Magazine]

wouter

Het is altijd een beetje lastig om het als vrouw over vrouwenquota te hebben, want voor je het weet word je weggezet als vrouw die het over vrouwenquota heeft. Maar HALLO ZEG: er zaten welgeteld 0,21 vrouwen in de aflevering van Zomergasten met Wouter Bos. Nul. Komma. Eenentwintig. En dat is weinig hoor, zelfs voor vrouwen. Trouwens: in de fragmenten van de Zomergast van vorige week, theaterregisseur Johan Simons, zaten bij elkaar opgeteld 1,4 vrouwen en ik heb dit uitgerekend op mijn rekenmachine en élke minuut van Zomergasten gekeken dus kom alsjeblieft niet met: ja maar die ene dat was toch een vrouw! Eh nee, dat was ook een man.

Oké dat was het. Misschien kom ik er nog op terug, ik ben ergens toch getergd. Enfin. Ik weet wederom niet zo goed wat ik van deze Zomergast vond, ik heb dat nooit zo helder. Ik had wel vooroordelen, in de middag voorafgaand aan Zomergasten riep ik nog tegen vriendin 1 dat Wouter Bos een glijer en een poseur was. Ik weet eerlijk gezegd niet of ik dat wel van mezelf heb, het verbaasde me dat ik die woorden zo paraat had. Misschien heb ik ze gewoon overgenomen van anderen, want serieus, zo gaan die dingen bij mij soms. Tijdens de uitzending werd ik trouwens wel enorm bevestigd in dat oordeel. Dat lachje. Die volzinnen. Het fronsje. En al mijn Twitter-collegae vonden hetzelfde!

Dus toen gebeurde wat mij altijd gebeurt als we het gezellig met zijn alleen ergens over eens zijn: ik wijzigde mijn oordeel. Vrij irritante reflex en ook niet altijd bijzonder handig. Maar ik las al die tweets over de al dan niet aanwezige authenticiteit van Wouter Bos, over hoe echt hij zijn woorden meende en waarom hij potverdorie zijn kwetsbaarheid niet toonde. Ik dacht twee dingen: 1/ euh zitten we hier soms op de soosjale akademie? en 2/ kutjekrisis wat is er toch up met die overdreven eis naar echtheid?! Ik kan het niet meer horen en ik stel voor dat we de komende tijd, laten we zeggen zéker een jaar, alleen nog maar applaudisseren voor ónechte dingen, puur voor het contrast. Ter compensatie bedoel ik.

Applaus voor Wouter Bos dus. Maar goed, toch nog even over dat verrekte vrouwenquotum. Kijk, want nu zullen sommigen onder jullie zeggen: ja maar HALLO ZEG blijkbaar kon Wouter Bos gewoon ff geen inspirerende fragmenten met vrouwen erin vinden. Of: wie ben jij om te bepalen dat Wouter Bos ook vrouwen in zijn fragmenten moet stoppen?! En: zeg Veldman, we leven hier toch in een vrij land en niet in een zogenaamde vrouwendictatuur of zo?! Maar dan zeg ik: hou eens op met van die vragen aan mij te stellen want ik heb er echt een hekel aan om te worden onderbroken in een betoog waarvan ik zelf ook niet precies weet waar het naartoe gaat. Bovendien: het kan gewoon niet waar zijn dat er geen mooie, leerzame of lachwekkende fragmenten met vrouwen erin te vinden zijn. Die zijn er namelijk heus wel. Wel! En nu de pointe: dat is gewoon leuker voor vrouwen. Want stel, je bent vrouw, dan zie je ook nog eens iemand van je eigen sekse in zo’n programma! Het is heel simpel maar je moet er maar opkomen.

Kijk, het moet natuurlijk ook weer geen verplichting worden! Maar laten we afspreken dat je vanaf nu wel gewoon wordt gearresteerd als je drie uur lang vergeet dat er ook vrouwen op de wereld zijn.

beatrice

Ik had eigenlijk vannacht even een stukje over Zomergasten willen schrijven maar het geval wilde dat het laatste fragment van terrorisme-deskundige Beatrice de Graaf bestond uit: orgelklanken en Psalm 84 (oude berijming). Ik gleed direct weg in een diepe en droomloze slaap – zoals het de ware ex-grefo betaamt. Ik weet niet hoe het andere afvallige kerkgangers vergaat maar ik hoef maar een kerk binnen te lopen (of, for that matter: een man een monoloog zien houden) en mijn bewustzijn schakelt zichzelf als het ware vanzelf uit. Het is werkelijk schitterend hoe het menselijk lichaam de dingen soms oplost.

Nou goed. De rest van de avond was allesbehalve om bij in slaap te vallen. Sterker, er is bijna geen Zomergast geweest bij wie ik zo wakker bleef. Of toch wel, ik herinner me van vorig jaar migrainiste Jolande Withuis, bij wie ik ongeveer hetzelfde gevoel had. Toegegeven: ik ben een sucker voor alles wat met oorlog en terrorisme te maken heeft, maar ook los daarvan was het een schitterend college van drie uur lang. En daarom een Zomergasten volgens het boekje, althans volgens wat in míjn boekje Zomergasten is maar hallo, míjn boekje is gewoon het beste boekje. Met een gast dus die een Plan heeft met de avond en dat plan vastberaden uitvoert, fronst bij domme vragen en gewoon ijskoud haar zinnen afmaakt als ze wordt geïnterrumpeerd, hahaha! En met een presentator voor wie dus uiteindelijk weinig meer overblijft dan fragmenten aangeven, aanmoedigend hummen en netjes de avond afkondigen.

Kortom: Zomergasten zoals het oorspronkelijk in de Bijbel bedoeld was.

nelleke

Zit er tegenwoordig nog wel eens iemand in een sekte? Dat vroeg ik me af bij Zomergasten, tijdens een fragment van een documentaire over de Bhagwan. Ik heb op de havo minstens twee keer een werkstuk gemaakt over sekten, dat was toen een ontzettend geliefd onderwerp. Dagenlang zat ik in de studiezaal van de bieb, met een knipselmap die ‘sekten en bewegingen’ heette. Ik las over hoe sekten precies werkten en hoe ze je zover kregen dat je je hele leven opgaf, van school ging en in een soort van tentenkamp oid ging wonen met heel veel andere mensen die ook hun hele leven hadden opgegeven. Ze zouden je pakken op je zwakste eigenschappen. Ik dacht lang na over mijn zwakste eigenschappen, het waren er best veel. Ik staarde naar plaatjes van sekteleiders. Sommige van hen hadden lange baarden, andere sekteleiders waren heel aantrekkelijk, met halflang krullend blond haar, ik denk eigenlijk een beetje zoals Jezus in zijn goeie tijd.

Ik was in die tijd best bang dat ik een keer op een wankel moment in een winkelstraat zou worden benaderd door ontzettend vriendelijke meisjes en jongens, geen nee zou durven zeggen en daags erna gehersenspoeld zou zijn. Daarna zou je dan het hele traject krijgen dat mijn familie me ging opsporen en op slinkse wijze uit de sekte zou kidnappen. Ik zou onthersenspoeld moeten worden. Het leek me een hele toestand en mijn vader en moeder zouden er waarschijnlijk nooit meer helemaal van herstellen. Ik zou in onze familie een zwart schaap blijven en uiteindelijk ergens op een NS-station eindigen als een soort van Christiane F., met een injectienaald in mijn lekgeprikte ader.

In werkelijkheid werd ik nooit ook maar één keer benaderd door sekteleden, iets dat mij tot mijn verbazing licht krenkte. Was ik niet goed genoeg om te worden gehersenspoeld, et cetera.

Enfin, dat spookte dus door mijn hoofd tijdens de aflevering van Zomergasten met Nelleke Noordervliet. Het was dus een avond waarin je best tussendoor zo je eigen gedachten kon hebben. Een onderhoudende avond, maar niet meer dan dat. En ik geloof ook niet dat ik iets nieuws heb geleerd. Maar: soms is er sprake van een uitgesteld leren dus ik houd nog een slag om de arm. Ik verlang soms best een beetje terug naar de tijd dat ik nog twitterloos Zomergasten keek en gewoon helemaal geen idéé had wat ik ervan vond. Dat je weken rondliep met een halve mening, een kwart mening, of totaal geen mening. Want: je had gewoon Zomergasten gekeken en dat was dat. Verder niks. En in plaats van het via Twitter declameren van een visie in de trant van JEZUS IK SCHEI ERMEE UIT WAT EEN BAGGER TV, had je dan daags na Zomergasten een koffieautomaat-conversatie die ongeveer zo verliep:

– Heb jij nog Zomergasten gezien gisteravond?
– Ja, met die baviaan!
– Ja, die baviaan!!
– Apart of niet.
– Zeer zeker wel apart!
– Nou ik ga weer wat doen.
– Ja ik ook doei.

En dan ging een ieder weer zijns weegs. Dingen aan elkaar nieten, nagels vijlen, enfin al die dingen die je toen nog wel eens deed.

schaap (vk)

Schapen zijn de enige wezens die er als baby intelligenter uitzien dan als ze volwassen zijn, bedacht ik toen ik onlangs een schaap in de ogen keek. Ik was van de fiets gestapt. Zodra ik hem op de standaard had gezet, was het schaap aan komen rennen. Alle andere schapen waren stoïcijns doorgegaan met hun werk, een paar hadden met de lege blik van mannen die benzine aan het tanken zijn voor zich uit gestaard. Drie lammetjes keken peinzend naar hun moeders. Kennen wij die vrouw ergens van? Nee. Wat één zo’n schaap dan bezielt om wél al die moeite te doen, hè. Zeker als je dan halverwege merkt dat verder iedereen is blijven staan – het lijkt mij persoonlijk vanzelfsprekender dat je dan zo’n beetje schaapachtig afremt en doet alsof er niks gebeurd is. Maar goed, ik kan ook niet in het hoofd van zo’n schaap kijken natuurlijk.

Het schaap in kwestie hing inmiddels hijgend tegen het gaas aan. Het keek me dommig en naar mijn indruk enigszins loensend aan. “Hoi hoi”, zei ik tegen het schaap. Het schaap zweeg. Ik trok wat gras uit enfin het gras. Het schaap snuffelde aan het bosje, trok er één spriet uit, proestte zo’n beetje en liet de spriet op het gras vallen. “Heb je soms liever een patatje speciaal of zo en ben je dan van het type ketchup, of liever curry ”, zei ik want het is echt supersneu wat mensen tegen de dieren zeggen als er verder niemand bij is. Aan de andere kant: ik heb ooit eens een groot geheim aan een loslopende poedel verteld en het was een enorme opluchting.  In elk geval tot aan het moment dat bleek dat zijn bazinnetje in het belendende portiek stond mee te luisteren.

Bij het woord patat was het schaap zo’n beetje opgeveerd. Maar patat lijkt me niet gezond voor een schaap en dat zei ik ook. “Zelf eet ik ook haast nooit patat”, voegde ik eraan toe. Wel pizza, dacht ik, maar dat zei ik er niet bij.

Ik kreeg een beetje  zin om het schaap wat over mijn leven te vertellen. Je wilt er immers je vrienden ook niet altijd mee lastig vallen. En ze zijn ook niet altijd thuis. Hoewel het licht dus wel brandt. Maar ik dacht aan de poedel, ik beet op mijn lip, ik stak mijn hand uit en ik aaide het schaap over de rug. Elke keer weer een teleurstelling om een schaap over de rug te aaien. Een schaap voelt nooit zo aan als een schaap aan zou moeten voelen, wat ontzettend jammer is dat toch.

deze column stond op 9 mei in de Volkskrant

puberette (vk)

Wat doet de jeugd van tegenwoordig eigenlijk met al die uren waarin ik vroeger op de knieën bij de stereo klaar zat, met één vinger op REC en één vinger op PAUSE? Ik voel soms nog de stress en de trilvinger. De frustratie, omdat de dj het hele intro had vol geluld. Het verdriet, omdat je broertje in die ene minuut dat jij op de wc zat kans had gezien om Het Smurfenlied op te nemen. Maar had je de tijd om je broertje in elkaar te slaan? Neen. En ook niet om het cassettebandje terug te spoelen, omdat direct daarna je lievelingsnummer kon komen! Zo moest je nog járen Vader Abraham aanhoren. En kun je tegen wil en dank nog steeds heel goed een smurf nadoen. Persoonlijk ben ik na de TDK SA90-jaren direct aan de drugs gegaan. Wat moest je, je was kapot.

Ik weet niet waarom ik daar nou precies aan dacht toen er vorige week twee puberettes de stiltecoupé in kletterden. Het ene wicht hinnikte als een paard, het andere klonk als een geit. Maar het meest aanwezig was iemand die er helemaal niet bij was: ene Ricardo die nooit had gereageerd op de whatsapp van pubermeisje 1. Maar dat had waarschijnlijk dieperliggende redenen.  “In zijn karakter bedoel je!!!”, riep de geit. “Nee ik denk dat ze phone kapot is!!!”, schreeuwde het paard.

En ik dacht: wát als ik nu opstond, de handen in de zij zette en met overslaande stem “KUTJEKOLA EN NU WENS IK STILTE!!!!” zou schreeuwen? En wat als ik daarna die twee gifroze pubermeisjesrolkoffers door het gangpad zou smijten? De pubermeisjes zouden stilvallen en hun hand voor de mond slaan. Dociel hun spullen bij elkaar rapen. En plechtig beloven  voor eeuwig te zwijgen, Ricardo uit de whatsapp te gooien en zich alvast te oriënteren op een vervolgstudie.

Maar ik schraapte mijn keel. Ik telde tot tien. En ik sloeg een kruisje, want voor je het weet gooien ze je uit het raam hè. Ik draaide me om. “Ehm, dit is een stiltecoupé hoor”, zei ik. Heel even was het stil. Eigenlijk exact zo stil als het behoort te zijn in een stiltecoupé. Toen viel het ene pubermeisje met haar hoofd op het tafeltje. Er klonk een gedempt gemekker. Daar moest het andere pubermeisje van hinniken. Hier moest het ene pubermeisje weer  van mekkeren. En daar moest het andere pubermeisje dan weer van hinniken.

Ik herinner me vaag dat zoiets wel een uur kan aanhouden. Dus met de inspanning van al mijn krachten draaide ik me naar het raam en ik nam de berustende pose van een bejaarde aan.

deze column stond op 11 mei in de Volkskrant

keuken-geluk (vkmag)

Hallo, ik heb dus een woonkeuken, had ik dat al eens verteld? Ik heb een woonkeuken en het kloppende hart van die woonkeuken is een robuuste houten tafel waaraan mijn geliefden en ik de maaltijd vieren. Er is altijd plek voor goede vrienden die spontaan komen aanwaaien voor een simpele pasta met pure ingrediënten. En met wie we na een volle week tot in de late uurtjes genieten van een goed glas wijn, terwijl we onze hectische levens doorspreken.

Maak u geen zorgen, met mij is alles goed. Ik parafraseerde de interieurtijdschriften, die overigens blóedserieus zijn als ze in dit soort gezwollen termen over de keuken spreken. De keuken is dan ook nogal een dingetje tegenwoordig. Move over woonkamer, het is de keuken waarmee je punten scoort. Mensen hebben bakken met geld over voor hun droomkeuken. En dan gaat het niet om kookfanaten; ik ken mensen die nog geen ei tot een goed einde kunnen brengen en desalniettemin een keuken hebben waarin een chefkok likkebaardend de messen zou slijpen. De keuken is niet langer de plek waar je zo’n beetje suf voor je uit staat te wokken. Het is een ‘totaalbeleving’ van ‘thuiskomen’, ‘rust’ , ‘de maaltijd delen’ en ‘een heleboel warmte’.
Tenminste, zo lezen we het in woonbladen als Eigen Huis & Interieur, VT Wonen en 1001 Woonideeën. Want die doen hun uiterste best ons de weg te wijzen naar dat ultieme keukengeluk. Of misschien wel naar méér dan dat. Want de keuken, hij is groter dan zichzelf geworden. Het is een sociale arena, waarin niet alleen op zijn masterchefs moet worden gekookt maar waarin vooral ook wordt bepaald wie zijn leven het meest op orde heeft en sociaal geslaagd is. De tien lessen van de interieurtijdschriften.

LES 1
INTUÏTIE IS EEN WERKWOORD.
Time flies. Nog maar een paar jaar geleden shopte je in een willekeurige woonwinkel een eettafel met een set van zes bijpassende stoelen bij elkaar en daarna at je Zweedse balletjes. Tegenwoordig zit overal paard in en is het woord ‘set’ ten strengste verboden.
Maar verder valt het wel mee. Sterker nog: we hebben meer vrijheid dan ooit als het gaat om het inrichten van ons huis, zeggen de woonbladen. Inrichten gaat namelijk niet meer over hoe het hóórt, schreef VT Wonen dit voorjaar, “maar over hoe je curator wordt van je eigen stijl.” Zie ons curatoren dobberen in een oceaan van vrijheid! Je enige inspirator ben je zelf! Je enige roer is je intuïtie! Welke eettafel en stoelen zullen we kiezen? No problem, dat is “een intuïtief verzamelfeestje”.
Is het echt zo makkelijk? Haha, natuurlijk niet. Intuïtie is een werkwoord en je “eigen stijl” kent aardig wat voorschriften en restricties. Zo is “de totaal naar jouw eigen unieke smaak vormgegeven eettafel” (overigens de basis voor úrenlang tafelplezier) in de woonbladen buitengewoon vaak een oude, verweerde tafel met “verrassende bolpoten”, een verzameling verschillende stoelen en een paar stoere lampen. Ook in het intuïtief verfmengen zit een beperkend element: let op het kleurpalet (één!). En kies vooral voor sloophout, eikenhout of steigerhout, want “allemaal geven ze de keuken de juiste robuuste uitstraling”. Volg lekker hélemaal je eigen gevoel, zeggen de woonbladen. Maar dan wel op ónze manier want anders wordt het niks.

LES 2
GEK DOEN IS HET NIEUWE NORMAAL DOEN.
Voor de slomerd die het gemist had: “Natúúrlijk wil je van je huis geen eenheidsworst maken”, memoreren de woonbladen her en der fijntjes. Het nieuwe gebod is ‘mix and match’. Het resultaat ervan is een soortement van… best wel raar geheel. Maar dat is juist goed! Want waar je vroeger alleen in de smoezelige huizen van kattenvrouwtjes een curieuze ratjetoe van stijlen tegenkwam, is dat anno nu in de woonbladen een geuzenterm. “Het is een mengelmoes van stijlen, eclectisch zeg ik altijd”, zegt ene Chantal over haar keuken. “Ik houd van strak, industrieel maar ook van een gek legohoofd op een hertje van porselein met een cactus erin.”
Lekker gek dus. Want de woonbladen zijn dol op alles “kriskras door elkaar” gebruiken. Maar spontaniteit heeft wel zo zijn regels. Eén of twee designstoelen zijn prima, schrijven de woonbladen voor. Doch plunder ook geregeld de kringloopwinkel. Vind een stoel op straat. En zorg voor minstens één onalledaagse en licht obscure bronvermelding, bijvoorbeeld als het om de (robuuste) eettafel gaat. Die haal je bij voorkeur uit het buitenland, een weeshuis in Roemenië om maar iets te noemen.
De kringloop, de designwinkel, het oostblok for crying out loud: de ware eclecticus maakt zo door het jaar heen heel wat kilometers. Maar: hou het cool en voor het oog moeiteloos. Want: “Het is ook weer niet zo dat we nou speciaal moeite doen om er een eclectisch geheel van te maken.”
Enfin, wat leren we? Eén: mixen, mixen, mixen. Twee: blijf cool tijdens het mixen. Drie: die kattenvrouwtjes waren zo gek nog niet.

LES 3
STAP IN EEN TIJDMACHINE
Authentiek is het nieuwe gezellig. Eén verlangen echoot voordurend door de bladzijden van alle woontijdschriften: de zucht naar vroeger tijden, toen de vergeten groenten nog moesten worden uitgevonden en het leven nog oorspronkelijk, waarachtig en snurkbarend puur was. Want natuurlijk is je keuken een walhalla van vooruitstrevende high-tech, maar dwars daar doorheen, overheen en achterlangs is nostalgie meester. Wilden onze ouders liefst door niets meer worden herinnerd aan vervlogen en benauwende tijden, tegenwoordig heeft vroeger de toekomst. Respect gaat om veel grotere dingen dan opstaan voor bejaarde vrouwtjes in de bus: “eerbied voor de historie” vooral, toen moeder natuur nog et cetera.
Het is, tegenstrijdig genoeg, keihard werken om de originele sfeer van de keuken te bewaren. Soms moet je er zelfs muren voor wegbreken, ook al stonden ze er al eeuwen. Verder is het vooral een kwestie van “gevoel hebben voor wat echt is”. In elke editie van ieder interieurtijdschrift vindt dus wel iemand een vintage grutterskastje op de zolder van een vergeten oudtante. Meer tips om duurzaam je vrienden te imponeren: gebruik schrootafval om eigenhandig een keuken te bouwen. Maak een wand van een oude kerkvloer. Hang potten en pannen aan een stalen buis boven de tafel. Gooi een verzameling houten snijplanken op het werkblad. Trek net zolang behang tot “oude stijlelementen” er ineens weer zijn (niet proberen in vinexwijken). En heb je geen oude tantes, fake ze dan toch, verdorie: “Schuur geschilderde stoelen lichtjes op en je hebt meteen die doorleefde look te pakken.” Niet vergeten: de brocantemarkt (liefst in Frankrijk).
Ook heel authentiek: een oud kerkbankje voor bij de eettafel. Zit voor geen meter en zorgt voor gruwelijke orgelflashbacks, maar zelfkastijding is natuurlijk ook wel weer een mooi en puur gevoel van vroeger. Een kar die ratelt op de keien. Bring on de biologische spruitjes.

LES 4
BESEF DAT JE KEUKEN EEN MENS IS.
De keuken is het kloppende hart van het huis, en als we dat nog niet wisten, dan zeggen de woonbladen het nog wel even driehonderd keer. Soms geven gerecycled hout en een betegelde wasemkap de keuken “net wat meer persoonlijkheid”. Elders wordt de keuken vergeleken met een krachtige persoonlijkheid die weet wat hij waard is, “maar niet per se op zijn strepen hoeft te staan.”. Wat we hieruit leren, is dat je niet zomaar een Histor-kleur op de muur kunt kwakken. Dat zou de keuken wel eens zeer kunnen doen immers. Het is belangrijk dat de ruimte zélf ook mag spreken, want het huis, hallo, dat heeft óók verlangens: “Bij iedere stap die we moesten zetten, hebben we het huis laten bepalen wat wel en niet mogelijk was.”
Het wordt nog ingewikkelder als we lezen dat meubels ook nog eens “een ziel moeten hebben”. Houdt het dan nooit op?! Welke concrete eisen zoiets aan je eettafel stelt, wordt er overigens niet bij verteld maar de oplettende lezer vermoedt dat hij niet bij Ikea moet zijn. Hint: Roemenië, weeshuis (zie les 2).

LES 5
ZOEK VRIENDEN.
Wie geen vrienden verzamelt om zijn keukentafel, die kan eigenlijk maar het best direct dood neervallen. De interieurbladen gaan er vanuit dat je continu vrienden over de vloer hebt. Niet zomaar vrienden. Lieve vrienden. Goede vrienden. Intieme vrienden. Oude vrienden. Veel naar voren geschoven attribuut: “een handig bankje”, want zo kan er makkelijk een spontaan aanwaaiende vriend mee-eten. Eveneens alomtegenwoordig: het pleidooi voor een ruime of eventueel uittrekbare eettafel, voor vrienden natuurlijk. Lekker lang aan tafel zitten? Dat is leuk voor een fijne zondagslunch die je voor – oh god, duik achter de bank want daar zijn ze weer – je vrienden maakt.
Zonder vrienden is je leven dus zinloos. Maar je keuken ook. Een belangrijke functie van een mooie keuken is immers: er de ogen van je vrienden mee uitsteken. “Iedereen die hier binnenkomt, zegt iets over die tafel.”

LES 6
YIN-YANG EROP LOS
“In de eetkamer worden drie stijlen gecombineerd: een antieke spiegel en schouw, designstoelen en een grafische lamp. Een spannende mix”, schrijft Elle Decoration. Ja, of een zooitje natuurlijk, maar zooitjes zijn dus het nieuwe ‘spannende mix’. De spannende mix keert eindeloos terug in de bladen. Meestal als een combinatie van zaken die feitelijk compleet tegenstrijdig zijn. “Zo wordt het spannend én ontstaat er een gevoel van geborgen zijn”. Keukens zijn “stoer en subtiel tegelijk”. Robuust én elegant. Strak maar levendig. En dan lijkt het toch vooral een yin-yangdingetje te zijn, waarin contrasten elkaar aanvullen, opheffen of gewoon helemaal niks met elkaar te maken hebben, maar: misschien ben je zelf gewoon te dom om het te snappen. Hoe dan ook, helder. En tegelijkertijd ook… wazig. Maar doe er vooral je voordeel mee.

LES 7
KNIPOOG.
Je bent dus continu één op één aan het brainstormen met je huis en ondertussen speur je de straathoeken af naar eclectische shizzle. Klinkt er nog wel eens een hartelijke lach tijdens het pompoen klieven, bijvoorbeeld om de betrekkelijke sneuheid van dit alles? Wel, de term ‘knipoog’ komt geregeld in de woonbladen voorbij. Maar helaas, ook de knipoog is strikt professioneel-inrchtingstechnisch bedoeld. Denk aan het hergebruiken van de originele wandtegels van de keuken in het nieuwe ontwerp, “als een knipoog naar de functie die deze ruimte ooit had”. Haha, hilarisch inderdaad.
Ander voorbeeld. Er zijn mensen die de slang van de afzuigkap expres niet verbergen.“Het is immers juist léuk om dingen te laten zien!” Wink! Wát er precies leuk aan is, blijft onduidelijk, maar dat is natuurlijk met veel artistieke dingen zo. Respect in elk geval. (En even voor de helderheid: mocht in uw eigen keuken per óngeluk de afzuigkapslang te zien zijn, dan is dat niet oké. Haal er als de donder een onderhoudsmannetje bij.)
Trouwens, de één zijn knipoog is soms de ander zijn superioriteitsmomentje. “Bouwvakkers namen deze oude kranen mee als grapje, maar konden ze meteen installeren als keukenkraan”, schrijft VT Wonen in een reportage. Ooit een veelzeggender illustratie van het botsen van lagere en hogere cultuur gezien? De les: een beetje een ontwikkeld mens ziet dingen die het plebs ontgaat. Kunnen die mensen natuurlijk ook niet helpen.

LES 8
NEEM EEN VOORBEELD AAN JEZUS.
Natuurlijk, de ingrediënten waarmee je kookt, behoren van een linksdraaiende totalitaire puurheid zijn. En de tafel liefst van finaal kapotgereclycled hout. Maar keuken-feelgood krijgt óók een boost van dingen buiten de keuken. Van arme mensen die héél ver weg wonen, bijvoorbeeld en die ervoor zorgen dat jij een stukje globale maatschappelijke betrokkenheid kunt laten zien. In de vorm van het kopen van een sisal keukenmat bijvoorbeeld, die is gebreid door vrouwen uit Colombia. Of met behulp van een kleed dat is gemaakt door de weduwes van Srebrenica-slachtoffers. Zelfs via je keukenschort kun je een beter mens worden: “Elk Ali Lamu schort is uniek, handgemaakt van zeildoek en beschilderd door lokale vissers in Kenia die in plaats van te vissen nu in het team van Ali Lamu werken.” Een klassiek gevalletje win-winsituatie: “Ze hebben hierdoor een vast inkomen en jij kunt koken zonder op de spetters te letten. (kost 75 euro).” Niet zeuren, als je geld hebt voor een designkeuken, dan kan zo’n schort er ook wel af. Ook leuk om cadeau te geven.

LES 9
ZOEK EEN BEVRIENDE KUNSTENAAR.
Aankleding is everything. En een poster van een paard boven de keukentafel kan zo verschrikkelijk niet, dat het, nou ja, dat het natuurlijk bijna weer wél kan! Maar hoe kleed je je keuken een beetje fatsoenlijk aan? Wel, een beetje een interessant mens heeft in zijn vriendenkring ook “een bevriende kunstenaar”, een artistieke veelproduceerder waaraan je voortdurend refereert bij je andere vrienden en wiens werk je al in de hal tegemoet springt. Bij voorkeur gaat het om enorme schilderijen, bijvoorbeeld van naakte vrouwen. Of mannen. Of mannen en vrouwen. Hoe dan ook: naakt, want je bent een bevrijd mens. Tip: laat niet jezelf schilderen, want dat kan eventueel je eetlust bederven.

LES 10
EXPLOÏTEER JE KINDEREN.
Je keuken moet een stukje jou vertegenwoordigen. Of, zoals een ontwerper het in Residence heel helder en concreet omschrijft: “Het is een expressie van jezelf die aangeboord moet worden om zichtbaar te worden.” Right. Hoe dan ook: persoonlijke input geeft je keuken een “intieme touch”. Dit heeft niks met vaginale probleemsituaties te maken. Wie klein grut kent of heeft, moet niet terugdeinzen voor een stukje kinderarbeid. Want kindergefröbel mag er dan onder ons gezegd en gezwegen nogal infantiel uitzien, zo’n “kinderkunstwerk” heeft ook wel wee iets heel puurs, als je je ogen een beetje dichtknijpt dan. (zie ook les 3). Contrasteert bovendien helemaal prima met de koele uitstraling van je koelkast. Mochten Rover en Heks weigeren te tekenen, kies dán voor een activiteit die je zelf kunt doen. Maak collages van oude familiefoto’s, zodat men ziet dat je in elk geval niet alleen geboren bent. Wie beide zaken weet te verenigen, krijgt zoiets moois als dit: “Op de fuchsiaroze schouw hangt een bonte collage van familiefoto’s en kinderkunstwerken”. Keukengeluk in optima forma.

[Dit is de extended versie van het artikel Het universum Keuken dat op zaterdag 9 mei 2013 in Volkskrant Magazine stond]

cursus vrouw (vkmag)

Soms hoor je iets en dan zit je zó weer in je jeugd. Dat gebeurde mij toen ik onlangs las dat Mammaloe dood is. De actrice die haar speelde dan – ik mag hopen dat Mammaloe zelf nooit echt heeft bestaan, puur omdat Pipo de Clown dan ook echt moet hebben bestaan en dat vind ik een eng idee. Los daarvan kreeg ik een wee gevoel van vaag verdriet in mijn buik en katapulteerde alleen al het lezen van haar naam mij naar vervlogen tijden.

Naar het eind van de jaren zeventig, om iets specifieker te zijn. Toen nostalgie nog iets van de toekomst was en iedereen nog naar de maan wilde. Het zou nog maar een paar jaar duren voordat ik mijn kapsel ging touperen en ineens  tegen kernwapens was. En dáárna duurde het niet zo gek lang meer voordat ik me wanhopig door de vacaturebank van het arbeidsbureau zou ploegen. Maar vooralsnog zat ik op zaterdagavonden met natte haren en de wilde frisheid van limoenen in pyjama op de bank, met mijn particuliere chipsbakje op schoot. Terwijl mijn vader haast stikte van het lachen om André van Duin, stak mijn moeder zuchtend een sigaret op. Mijn broertje gaf me een duw. Ik gooide mijn broertje van de bank.

Mammaloe dus. De absolute tegenpool van Pipo. De vrouw over wie ik soms peinsde hoe gruwelijk haar wakker schrikken elke ochtend moest zijn. Maar ook de vrouw die ons jonge meisjes en passant alvast leerde dat vrouwen vaak een stúk volwassener in het leven staan dan mannen. Ik hoefde alleen maar naar mijn broertje te kijken om te begrijpen dat dat hartstikke waar was.

Denkend aan Mammaloe gleden mijn gedachten als vanzelf naar al die andere vrouwen die een grote rol in mijn jeugd speelden en van wie ik van alles opstak – maar waar je eigenlijk nooit iemand over hoort. Niet salonfähig genoeg, waarschijnlijk. Neem Nijntje, formeel gezien een van mijn allereerste rolmodellen. Tika, de stoere dochter van Tita Tovenaar. Oprah toen ze nog dik was. Truus de Mier, desperate housewife avant la lettre. De onvolprezen Anita Meyer. Tante Til uit de Familie Knots, een waarlijk vrije geest. Die knotsmalle Joop ter Heul die zich liet temmen door haar echtgenoot. En in dit kader wil ik ook even Smurfinnetje noemen, die haar leven moest slijten in een dorp met alleen maar mannen.

Maar mijn tien állergrootste rolmodellen, dat zijn toch eigenlijk wel deze.

Rolmodel 1: Barbie
Let wel, we hebben het over de echte, ik bedoel dus de pop. Ik vermoed dat ik in mijn jeugd voornamelijk slappe aftreksels van de officiële Barbie tot mijn beschikking had, maar dat maakt in feite niet zoveel uit. Alle Barbies waren hetzelfde: wespentaille, pronte borsten, benen tot in de oneindigheid en zelfverzekerd tot en met, maar dat zou ik ook zijn als ik er zo uitzag. En zo zat je dus als zesjarige met een seksueel volgroeide vrouw te spelen. Of wat daar voor door moest gaan dan, want niemand van de seksueel volgroeide vrouwen die ik in mijn leven ben tegen gekomen, leek ook maar in de verste verte op Barbie. Of het plastic wicht in haar eentje verantwoordelijk is voor de eeuwige onvrede van alle vrouwen over de hele wereld met de staat van hun lichaam, durf ik niet direct te zeggen. Maar het is natuurlijk wel zo.
Mijn buurmeisjes en ik speelden uit het leven gegrepen gezinsdrama’s na met onze Barbies, al dan niet geflankeerd door mijn geduldige cavia Harry die elke familieopstelling gelaten onderging. Ik beleefde met Barbie mijn allereerste kapperstrauma, nadat ik in een opwelling haar haren eraf had geknipt. Dit bleek onomkeerbaar. En ik kreeg ook geen nieuwe Barbie, want ik dacht toch niet dat mijn vader en moeder het geld op de rug groeide hè. Het was een goede opmaat voor alle kappersdrama’s die nog zouden gaan volgen. Een vrouwenleven gaat niet over rozen en dat kon je maar het best zo jong mogelijk leren.

Rolmodel 2: Annika
Zus van Tommy. Het geweten van Pippi Langkous. Die zich van Annika’s benauwde “Oh nee niet dóen, Pippi!” overigens nooit ook maar ene fuck aantrok, maar dat past natuurlijk ook wel bij gecombineerde probleemkinderen. Of vrije zielen, want is maar net welke naam je het beestje geeft natuurlijk. Waar voor andere kinderen Pippi een soort rebelse heldin was, kon ik persoonlijk niet wachten tot bureau jeugdzorg Pippi eindelijk eens in een jeugdinrichting zou gooien. Eén van mijn dwangmatig terugkerende gedachten: hoe lang zou het duren om Villa Kakelbont helemaal op te ruimen? Als iedereen nu eens een middag flink de handen uit de mouwen stak, dan moest je toch een eind kunnen komen. Dwars daar doorheen dacht ik: oh Pippi, waarom kun je niet gewoon eens een keer een mooi bóek gaan lezen of zo!?
Voor mijn soort meisjes was er gelukkig iemand om je mee te identificeren: de nerveuze Annika. Waar Pippi onbekommerd lol had, zat Annika nooit echt lekker in the moment. Maar ja, we kunnen niet allemaal ongediagnosticeerde adhd hebben, natuurlijk. En iémand moet in de gaten houden of deze of gene spontane actie wellicht kon resulteren in gebroken ledematen, brand, of Veel Erger. Het waren dus vooral zorgen die Annika dreven – zorgen én de onbedwingbare aandrang tot het uitwassen van kleding. Zelfs als ze tegen wil en dank werd meegesleurd op een avontuurlijke bootreis naar Taka Tukaland (“Pippi, geef me je broekje!”). Zelf had ik trouwens ook een ministrijkplankje, want dat kon nog in die dagen. Met strijken verdwijnen al je zorgen, vond ik als kind al.

Rolmodel 3: Mary Ingalls
Oudere zuster van Laura Ingalls, hoofdpersonage in het tergend stichtelijke Little House on the Prairie, dat momenteel voor de vierendertigste keer een re-run beleeft op de Nederlandse televisie. Stond als braverik altijd in de schaduw van haar vermeteler zusje, een soort Pippi Langkous op gereformeerde grondslag. Maar Mary Ingalls was een schoonheid, met een wolk van blonde haren en knalblauwe ogen. Waaruit ze alras weinig meer zag, want het arme kind werd stekeblind. (“Oh pa, am I going blind?!?” “Yes child.”) De schok, de ontkenning, de loutering, de acceptatie – het ganse scala aan rouwverwerkingsfasen uit de DSM 4 kwam voorbij. Super leerzaam dus. En elke keer weer huilen.
Ik heb, geïnspireerd door Mary, wel eens geprobeerd een week lang als blinde te leven, maar ik moest helaas na drie minuten opgeven. Leerrendement na die drie minuten: vergeleken bij Mary had je het zelf nog best goed eigenlijk! Hoewel zij, eenmaal blind, direct op de tast de liefde van haar leven vond in een eveneens blinde jongeman. Die enige tientallen episodes later trouwens ineens weer kon zien nadat er een balk op zijn hoofd viel. Allemaal waar gebeurd.

Rolmodel 4: Sissi
Klassiek mooie chica. Was aan het begin van de filmreeks een hartstikke hübsche bakvis maar werd nadat ze het aanlegde met keizer slash moederskindje Franz Joseph al snel een schim van zichzelf. Als Sissi ons één ding leerde, dan was het wel dat je maar beter de havo kon afmaken want keizerin zijn, dat is dus ook niet alles. Maar bovenal liet ze ons zien dat tegen de ware liefde geen kruid is gewassen. Ontzettend jammer eigenlijk, want je gunde Sissi gewoon een warmbloedige Oostenrijkse boer. Opdat ze haar hele leven schaterend van berghellingen kon rollen. En gezellig in de buurt van haar vader en moeder kon blijven wonen. Maar nee, het moest en zou de kaiserige melkmuil worden. Met zijn vermanende “Aber Sissi!”. Zeiksnor.

Rolmodel 5: Annifrid
Van Agnetha. Ook wel: de donkere van Abba. Eeuwige tweede want tegen de mysterieus-afstandelijke blonde Agnetha kon natuurlijk niemand op. De exacte onderlinge verhoudingen tussen de twee zijn me altijd wat duister gebleven, hoezeer ik op de televisie ook zocht naar sporen van animositeit tussen de twee. Maar je zag nooit echt zichtbare haat en nijd, of van het podium-geduw. En hoewel ‘Frida’ mij om onduidelijke redenen mentaal de sterkste van de twee toescheen, had ik toch altijd vaag medelijden met haar. Natuurlijk, ze had de knapste vent (de immer goedgemutst op zijn keyboard spelende Benny), terwijl Agnetha het moest doen met Björn (eveneens een prima kerel doch gruwelijk lelijk). Maar later verfde Annifrid heur haar knalrood en knipte het kort. Oei. Dat is bij vrouwen vaak een teken van woede. Maar zoals ik al zei: we kunnen niks hard maken.
Soms, op feestjes, voel je je ineens heel erg een Annifrid. Naast een minder knap iemand gaan staan helpt. Of je haar blonderen.

Rolmodel 6: Olijfje
Ook wel: Olivia Newton-John. Vrijwel alleen beroemd door haar rol van Sandy in de musical Grease, de eerste en laatste musical die de moeite waard was, wegens bemoeienis van de onvolprezen gebroeders Gibb. Sandy was bij aanvang een preutse, lang-gerokte maagd, met verheven ideeën over de liefde en sluik naar buiten geföhnd haar. Aan het eind van de film volgde de schokkende transformatie tot woest getoupeerde rockchick, gehuld in zwart leer en op hoge hakken. Uit de mond bungelende sigaret: present. Sandy leek me in elk geval ineens niet meer iemand met wie ik vriendin zou kunnen zijn.
Leermoment voor een hele generatie meisjes: pas als je je kleedt als een hoer, krijg je de man van je dromen. In dit specifieke geval John Travolta, dus dan had je ook wat. Tweede leermoment: mannen zijn hersenloze sukkels die op verrassend simpele wijze door vrouwen kunnen worden gemanipuleerd.

Rolmodel 7: Brooke Shields
Teen mom. Soort van oermeisje met zware wenkbrauwen. Strandt als piepjong deerntje op een onbewoond eiland met een eveneens piepjong manneke dat ras uitgroeit tot tarzaneske hunk (Christopher Atkins). Enfin, elk meisje wilde Brooke Shields wel zijn in de tijd van The Blue Lagoon. Zeker toen het allemaal een beetje eilandporno begon te worden. Het betrof hier in feite twee jonge wilden, dus je zou denken: hatsee. Maar nee. Zelfs bij ontstentenis aan seksuele opvoeding, mijlenver van het juk der beschaving (en hallo: onbewoond eiland) krijgt Brooke ineens een all American aanval van preutsheid als ‘hij’ er op zekere leeftijd zin in begint te krijgen. Terwijl zij dan alláng ontluikende borsten heeft. Natuurlijk laat ze zich uiteindelijk overhalen, want nou ja, onbewoond eiland dus en verder geen ruk te beleven. Maar de boodschap was helder: nette meisjes zeggen eerst altijd nee. Ook op een eiland.

Rolmodel 8: Sue Ellen Ewing
Melodrama-vrouw in Dallas. De verpersoonlijking van het battered woman syndrome. Kon ook prima overweg met negatieve spiralen. En ze zou ook zomaar de onofficiële grondlegster kunnen zijn van het passive agressive met de lip trekken. Sue Ellen had dan ook een eikel van een vent (JR Ewing) en een kwezel van een schoonzus (Pamela Ewing, een Stepford Wives-achtige tuthola met grote borsten en zonder noemenswaardige karaktertrekken). Vergeleken bij haar was Sue Ellen dan tenminste nog chronisch ontevreden en ongelukkig.
En niet te vergeten: aan de drank. Als Sue Ellen eenmaal in de olie was, dan bleef er van dat passieve ineens een stuk minder over. In mijn herinnering gooide ze wel eens een whiskyglas stuk tegen een spiegel. Páts. Schrok je toen wel van.

Rolmodel 9: Dolly Dots
Zes rolmodellen voor de prijs van één. Beenwarmers galore. De meest bereikbare meidengroep aller tijden, of eigenlijk niet echt maar soms fantaseerde ik dat er eentje haar been had gebroken en ik in moest vallen. Er zaten twee Angela’s in, maar die ene sprak je uit als Ansjééla (Sjeel). Verder zijn er over de meiden nauwelijks interessante feitjes te vertellen. Maar het geheel is meer dan de som der delen: de Dolly Dots vertegenwoordigden de droom van die ongelofelijk gezellige vriendinnengroep, die je in je eigen leven maar niet voor elkaar kreeg. Pyjamaparty’s, elkaars haren vlechten, ruzietjes die weer werden bijgelegd, de héle mikmak. Heerlijk.

Rolmodel 10: Penney de Jager
Last but not least. Want iedereen die oud genoeg is, kent Penney de Jager. Het is de vrouw van wie we thuis altijd zeiden: “Hee daar heb je de Pennywafel”, als ze gepassioneerd en in rook gehuld aan kwam zweven in Toppop. In een legging, een lange doorschijnende rok en een turnpakje. En met een bijzonder wild getoupeerde bos haar natuurlijk. Soms, als de artiest an sich te saai was of te belazerd om voor drie minuten playbacken naar de studio te komen, vertolkte Penney het betreffende nummer gewoon in haar eentje, via de internationale taal van de dans. Als kind voelde je haarscherp aan dat ze de essentie van het liedje heel kunstzinnig en intuïtief aanvoelde. Met liefst grootse en weidse gebaren die op minder ingevoerde kijkers wellicht wat bruusk konden overkomen. Hoe dan ook, Penney wist de eventueel ook aanwezige popster in kwestie behoorlijk naar de achtergrond van het podium te dringen.
Ik vond haar altijd wat apart, een soort van kruising tussen Kate Bush, die ik ook een beetje apart vond en buikdanseres Yonina (uit de Willem Ruis-show), die ik ook een beetje apart vond. Maar Penney leerde ons ondertussen maar mooi dat het lichaam een soort van instrument kan zijn, in plaats van een dood (of nou ja, levend) gewicht dat je nu eenmaal met je mee moest slepen. Penney’s levensles: je moest gewoon één zien te worden met de muziek en dan voelde je vanzelf aan hoe je moest bewegen.
Desalniettemin dansten wij uit angst voor sociale uitsluiting op schooldisco’s toch liever gewoon met onze tasjes op een hoop in het midden. En moet ik nog steeds heel, heel erg dronken worden voordat ik zo durf te dansen als Penney de Jager.

[Dit verhaal verscheen op zaterdag 9 maart 2013 in Volkskrant Magazine]