kutkwaliteiten

“Nou, wat is je gevoel bij deze auto”, zei ik tegen automonteur Wim.

Het was niet dat dit ergens op sloeg of dat ik mijn woorden ook maar remotely meende, ik kon gewoon mijn mond niet houden. We stonden samen onder de motorkap te kijken, automonteur Wim vanwege beroepsmatige interesse, ik vanwege dat ik het onbeleefd vond om ergens anders naar te kijken. Automonteur Wim zweeg. Het was stil, even los van de oorverdovende herrie verderop in de garage. Het klonk alsof iemand probeerde een auto totaal in elkaar te stampen. Ja jezus, zo kan ik het óók, dacht ik hoofdschuddend. De oorverdovende herrie hield abrupt op. En toen werd het pas echt stil. Zo stil dat alle woorden die ik in de afgelopen honderd jaren in mij had verzameld, erom schreeuwden eruit te worden gegooid, zo hatsee voor de voeten van automonteur Wim.  Ik keek naar zijn handen die van het soort nooit meer schoon te krijgen zwart waren.

“Wat is mijn gevoel bij deze auto”, zei automonteur Wim.

En daar hield hij het bij.

Zwijgzaamheid – soms nét even adequater dan altijd en overal je mond opentrekken. Vijf andere kwaliteiten die óók wel toe zijn aan een stukje herwaardering.

 

1. bescheidenheid

Direct lastig. Want áls de term bescheidenheid al valt, dan horen de mensen hem vaak als beschetenheid. Een veelbetekenend misverstaan – het is these days namelijk volkomen normaal om de wereld aan de lopende band te laten weten welke fantástische dingen je allemaal aan het doen bent. Wie kijkt er nog van op als anderen hatseflats in het rond smijten met materiële verworvenheden,  intellectuele succesverhalen en dan ook nog eens een amazing gezinsleven? Antwoord: niemand eigenlijk. Sterker nog,  van mensen die níet opscheppen, denken we dat ze gewoon een heel ongelukkig leven leiden. Is natuurijk helemaal niet zo. De bescheiden man/vrouw  weet zijn of haar talenten juist heel goed op waarde te schatten – en zwijgt er daarom vaak wijselijk over. Wie een beetje gevoel voor perspectief heeft, snapt immers dat hij er zelf niet zo héél veel toe doet.

Tip voor opscheppers die nu tot inkeer komen: zegt u alstublieft nooit relativerend: “Ach, ik ben nu eenmaal onder een gelukkig gesternte geboren”. Want hoewel u daarvan zelf vast een zogenaamd dankbaar traantje moet wegpinken: het hele universum erbij halen, dat klinkt dus óók nogal opgezwollen.

 

2. wankelmoedigheid

Krijgt u bij de term wankelmoedigheid ook direct de associatie met zwikkende enkels en van daaruit weer met vrouwen die op veel te hoge hakken lopen? Nou, dat slaat dus echt nérgens op, want daarmee heeft wankelmoedigheid helemaal niks te maken. Hoewel: de wankelmoedige is een hinkerd, op minstens twee maar misschien wel zeventien gedachten. Een twijfelaar dus, die wikt en weegt en van wie men niet moet verwachten dat hij/zij ooit enige knoop van betekenis doorhakt. Denk hierbij aan het boeken van een vakantiechalet, het uitkiezen van greepjes voor de keukenkastjes of het organiseren van wereldvrede.

De reden dat besluiteloosheid zo belangrijk is: niemand zit erop te wachten. We zijn wel érg dol op stevige stellingnames – en waar ik zeg ‘een beetje’ bedoel ik eigenlijk dat we er een gewoonte van zijn gaan maken om in termen van volmondig ja of volmondig nee te denken. Terwijl de meeste zaken des levens natuurlijk oneindig complex zijn en bij nadere bestudering veel meer dan één à twee kanten bevatten. Wie ten volle beseft hóe ontzettend veel kanten er aan dingen zitten, die gaat met een kussen over zijn hoofd in bed liggen en komt er niet meer uit. Dus laten we wel wezen, in een wereld vol besluitelozen is iedereen ontzettend uitgerust doch komen we nooit een steek verder. Maar ondertussen moeten ze er wel gewoon zijn. Wankelmoedigheid is dus een onmisbare rotkwaliteit – en overal toepasbaar, behalve dan bij brand in de woning. Het komt het allermooist tot zijn recht in vergaderingen waarin omhooggevallen managers véél te snel knopen doorhakken. Het niet-aflatende “Ja, maar aan de ándere kant…” van de wankelmoedige drijft hen tot waanzin en dat is natuurlijk altijd schitterend om te zien.

 

3. negativiteit

Ik hoop niet dat ik nu een illusie stuk sla voor een aantal mensen, maar als er één ding is dat ik heb geleerd over het leven dan is het wel dit: het loopt dus slecht af. Jawel. Nee, echt. Het is eigenlijk verwonderlijk dat wij, in het besef van de eindigheid van ons leven, toch gewoon elke dag weer opstaan, naar Kantoor gaan en veel te bewerkelijke Ottolenghi-recepten uitproberen.  Aan de andere kant: 923 ingrediënten voor een simpele tarte-tatin leiden de gedachten natuurlijk wel heel effectief af van onze naderende kuch dood. En daar is het natuurlijk allemaal om te doen. Wel zo gezellig.

Toch zou je denken dat het vooruitzicht van Het Einde bij tijd en wijle zorgt voor enfin, een stukje memento mori. Zuchtneigingen. Een gevoeletje van gatver. Een vleugje milde depressie, zo u wilt. Geen onwaarschijnlijke sentimenten – zeker sinds we ook niet meer echt aan kunnen op het bestaan van een hiernamaals waar het pas écht leuk gaat worden. Bovendien, laten we wel wezen: een beetje zwartgalligheid kan de zaken juist zo enorm opfleuren! Nee, niet de bedoeling. De mens wordt geacht een blij ei te zijn. En dus positief te denken, optimisme uit te stralen en happy te zijn met alles wat het leven hem biedt. Terwijl mensen van het type  #lovemylife feitelijk zó dodelijk vervelend zijn dat je jezelf in hun bijzijn nog het liefst uit een raam zou willen werpen #zinin. Maar nee, mag dus niet.

Zo ongeveer de enige hint naar de dood die is toegestaan, is het populaire motto ‘leef elke dag alsof het je laatste is’ – maar voorspelbaar genoeg gaat het ook in dat motto over álles behalve de naderende dood. Terwijl je je kunt voorstellen dat je op zo’n laatste dagje dus juist even níet gaat sky-diven of welke andere activiteit er nog onafgevinkt nog op je bucketlist stond. Voor je het weet val je te pletter en dan heb je nóg weer een dag minder. En het leven duurt al zo kort. Zucht.

 

4. passiviteit

Toen mijn collega H. tijdens het wat-kom-jij-hier-halen-rondje van onze zoveelste training de vraag kreeg wat hij wilde bereiken, gaf hij in zijn paniek het mooiste antwoord aller tijden: “Ik wil eigenlijk gewoon verder met leven.” Ik heb zelden zo hard gelachen op Kantoor – vooral van opluchting. Zelf had ik tijdens het rondje alleen maar zitten zweten, in afwachting van mijn beurt. Wat ging ik in gódsnaam nu weer willen bereiken?! Het liefst wilde ik gewoon eens een keertje op tijd naar bed, wat dat betreft ontlopen mijn collega H. en ik elkaar niet veel. Maar ik verzon in de laatste seconde een of ander sneu persoonlijk trainingsdoeletje, want zo ga ik er dan zelf altijd mee om.

Passiviteit is misschien wel de allergrootste antikwaliteit van deze tijd. Het is dan ook het tegenovergestelde  van hetgeen waarmee we volcontinu druk zijn (danwel veinzen druk te zijn): je vooral níet bij de zaken neerleggen. Meer specifiek gaat het om het vormgeven van de eigen particuliere levensloop. Daarvan wordt verondersteld dat die, behalve naar een onvermijdelijke dood (zie hierboven, #gezellig), ook nog ergens anders toe moet leiden. Want het leven is dan wel een feestje – je krijgt het niet cadeau. Nooit zijn we eens een keertje klaar met onszelf. Het kan altijd beter, ook als je zelf eigenlijk denkt: nou lieve mensen, ik zit aan m’n plafond pffff!! Nee, stilstaan is geen optie, laat staan gewoon eens een jaartje uitvieren.  Het is eigenlijk te gek voor woorden. Dus nu zat ik zo te denken: zou het nou niet leuk zijn om tijdens ons eerstvolgende wat-kom-jij-hier-halen-rondje  gewoon allemaal “Niks” te zeggen? Of gewoon niet komen opdagen, want dat is misschien nog grappiger. Oké we doen het. Eh, waar ik ‘doen’ zei, bedoel ik natuurlijk ‘laten’.

 

5. lafhartigheid

Kom maar door met het clichébeeld van de wild-spartelende drenkeling – waar dan een aantal omstanders zo’n beetje schaapachtig bij staat te koekeloeren. Wat een rótzakken heb je toch ook! Eh ja, onder jezelf en je beste vrienden dan, want het bystander effect is gewoon een wetenschappelijk dingetje waaraan maar weinigen ontsnappen. Moed en heldendom, zeg maar het tegengestelde van een laffe levenshouding, zijn logischerwijs een stuk populairder. Maar onze hele samenleving is erop ingericht risico’s en gevaar te elimineren. Dus waar kunnen we heden ten dage nog laten zien hoe moedig we eigenlijk zijn? Ons dagelijks spreken erover is in elk geval nogal lafjes. Zo is iemand die een mooi boek heeft geschreven al snel een held. Cupcakes gelukt? “Held!” En gewoon gezegd wat je ergens van vond? “Moedig, heel moedig.” Maar ook op een ernstiger niveau gaat het mis – neem de onhebbelijke neiging om mensen die niet doodgaan aan een ernstige ziekte te prijzen voor hun ‘moed’ die hen ‘de vijand’ heeft doen ‘overwinnen’. Ergens kunnen we het misschien gewoon niet handelen om overgeleverd te zijn aan de grillen van het lot – iets wat ons dus verder nog maar nauwelijks gebeurt. Nou mensen, hier zijn we nog láng niet over uitgeprakkiseerd maar let wel, de drenkeling heeft niet echt tijd voor dit soort boeiende overwegingen. Dus spring in vredesnaam dan maar krijsend van angst de gracht in. Heeft de wetenschap ook weer iets om over na te denken.

Persoonlijk ben ik trouwens wel echt laf, in de ware zin van het woord. Zo probeerde ik eergisteren een andere auto in te halen – maar de bijna-ingehaalde gaf een dot gas zodat ik mij achter hem terug moest laten zakken. En nu komt het, ik zette een verkeerstechnische handeling in die ik nog nooit eerder had ingezet : ik strekte de middelvinger en bracht hem omhoog. Maar toen bliksemde het door me heen: de ingehaalde zou me klemrijden, uitstappen en mij in een sloot gooien. En mijn auto erbij. Automonteur Wim zou een uur zwijgend naar een druipende auto gaan zitten kijken. Beroepsmatige interesse. Ik zou zwijgend met hem gaan zitten meekijken, omdat ik het onbeleefd zou vinden om ergens anders naar te kijken. Alles in mij zou schreeuwen dat ik even in de zijspiegel zou willen checken of mijn haar dat was bedoeld als vallende ter linkerzijde, niet per ongeluk rechts was gaan vallen en of mijn haar dat was bedoeld als vallende ter rechterzijde, niet per ongeluk enfin u begrijpt het. Maar zelfs dáár zou ik te laf voor zijn. Dus toen bracht ik mijn middelvinger naar mijn neus, ik pulkte er een denkbeeldig snotje uit en ik liet hem zakken in mijn laffe, laffe schoot.

Wat leert deze sneue anekdote ons? Wel, dat het bijproduct van lafheid soms dus ook een stukje beschaving is. Eind goed, al goed.

Dit artikel stond op 5 december 2015 in Volkskrant Magazine

 

Advertenties

vervelio’s

Ik had de gezusters Vervelio – alleen heetten ze toen nog niet zo – in de nieuwsbrief van het dierenasiel zien staan en ik had direct gebeld en ze achteruit laten leggen. Het leek de ideale match: twee notoire binnenkatten aan de ene kant, mijn benepen dakterras aan de andere kant. Bovendien was er direct na het bekijken van hun foto een gedachte in mij opgekomen. De gedachte was: hmmm.  Een goed teken; tot dusverre had ik bij elke foto van elke dierenasielkat gedacht: allemachtig, wát een lillek mormel.

Dat betrof een stukje loyaliteit naar mijn dode kat Boris V., bij wie elke potentiële vervangkat al bij voorbaat dom en belachelijk afstak. Een beetje onrechtvaardig naar al die arme asielpoezen toe natuurlijk, want van een foto kun je niks écht aflezen, hè. Het gaat meer zo: je neemt er eentje, je kijkt het een paar dagen aan, je zegt op een gegeven moment hallo, kom eens naast me liggen, hij gaat beleefd naast je liggen, jij denkt er het jouwe van, hij denkt er het zijne van en na verloop van tijd zit je op Kantoor en denk je: god, hoe zou het ondertussen met die kleine zijn dan. En dan kom je thuis en dan heeft hij precíes op het vloerkleed zitten kotsen en hij doet zijn kop schuin en jij zegt: dit was dus niet de bedoeling en hij snapt je bedoeling. Hij snapt eigenlijk altijd de bedoeling en de zeldzame keren dat hij je bedoeling niet snapt is het een flauw geintje van hem en daarna lach je er samen om.  En je vertelt over je kutcollega die altijd nét van die kutwoorden gebruikt waardoor jij dus hélemaal de pan uitflipt en hij weet over wie je het hebt en hij vindt het ook een lul de behanger. Dus dan ga je met je hoofd op zijn rug liggen zodat je het spinnen hoort en hoewel hij bijna stikt, gaat hij nog liever dood dan dat hij zou zeggen: yo bitch ik stik, haal je hoofd van me af.

En voor je het weet is zo een Boris V. dan zeventieneneenhalf en moet je hem laten inslapen.

Kortom, ze hadden geen idéé tegen welk Icoon in het hiernamaals ze zouden moeten opboksen, de gezusters Vervelio. Maar zo heetten ze natuurlijk nog niet toen ik ze aantrof, stijf tegen elkaar aangedrukt in een kooitje en met die typisch asieleske blik die je wel vaker ziet bij asieldieren. “Pak ze maar in”, zei ik hees. Dus zo lagen ze diezelfde dag nog op mijn bank waar ze direct in een diepe slaap vielen die ongeveer drie weken duurde. Daarna keken ze wat om zich heen, met die beleefd-verveelde blik van Open Huizen Dag-bezoekers die al direct hebben gezien dat dit hem niet gaat worden. “Hallo, kom eens naast me liggen”, zei ik na een maand tegen zus één.  Ze staarde me aan, zonder ook maar één keer te knipperen. Het was alsof ze in de krochten van mijn miserabele persoonlijkheid keek – en wat ze zag, beviel haar niet. Zus twee reageerde op mijn toenaderingen zoals ik zelf reageer als ik in de trein word lastiggevallen door een dronkaard: alsof ze een bekende in een andere coupé zag.

Nee, geheel normaal bleken de gezusters Vervelio niet te zijn. Beiden vlogen tegen het plafond als je een tissue uit de doos trok. Bleven in diepe slaap als er op straat een honderdduizendklapper werd afgestoken. De één wilde per se worden ingebakerd in een fleecedekentje. De ander fipte de pan uit als je een imitatie van clown Bassie deed. Overdag sloegen ze elkaar halfslachtig dood. Ze snurkten als ze wakker waren en stopten met snurken zodra ze in slaap vielen. Gingen tijdens mijn verhalen op de kattenbak. En des nachts leek het duo op te leven  – hoe váák ik niet rechtop in bed heb zitten luisteren naar hoe de gezusters Vervelio heftig discussiërend iets wat alleen maar een IKEA-kastje kon zijn in elkaar aan het zetten waren.

Er waren dagen dat ik ze zo in een vondelingenluik had willen duwen. Maar toen kreeg ik een telefoontje. Er was er eentje uit het raam gedonderd. Van twee hoog naar beneden. “Welke”, riep ik ademloos. “Welke is het!” Maar nog voordat ik hoorde dat zus één geheel ongedeerd uit de struiken was komen slenteren, met die typisch arrogante blik van nou ja ik moest hier toch net zijn – nog vóórdat ik dat allemaal hoorde, wist ik het al: ik kon ze geen van beiden missen. Want je hebt het niet door, maar zo gaat dat dus.

synchroonzusterscollage

Deze column stond in het kerstnummer van 2015 van Volkskrant Magazine

kantoorknaapjes

Het was in die dagen dat er een mail uitging van de hoogste bazen van kantoor: we mochten een nieuwe laptop! Dansend van vreugde stond ik bij de ICT-helpdesk, maar dit is overdrachtelijk bedoeld want ik stond zo’n beetje te bezwijken onder het gewicht van mijn oude laptop, nog uit het bakstenen tijdperk. “Eén nieuwe laptop om mee te nemen svp”, hijgde ik en ik leunde zwaar tegen de balie. “Heb je een bewijs van dat je bent wie je bent etc”, zei de helpdeskman. “Dat niet maar ik ben het gewoon hoor”, zei ik. “Helaas pindakaas Jacq”, zei de helpdeskman. “ik moet een bewijs. Oh, én een uitdraai van de mail. Oh én een paraaf van je manager.” Hij keek bekommerd. “Dude”, zei ik. “Ik weet het, Veldman”, zei hij. En zo stonden we daar dan sámen zo’n beetje te bezwijken – maar nu onder het zware gewicht van de informatiemaatschappij die altijd en eeuwig overal een bewijs van wil hebben terwijl die rotzakken natuurlijk alláng álles vanaf je geboorte tot nu toe van je weten dus het is gewoon treiteren.
Met mijn linkeroog keek ik de helpdeskman strak aan, met mijn rechter focuste ik op de plank achter hem waarop zeker twintig gloednieuwe lichtgewicht laptops stonden te shinen. So close, and yet so far away. De helpdeskman staarde lief terug – en tegelijkertijd een beetje angstig maar dit kan ook vanwege het loensen zijn geweest. Ik was de eerste die opgaf. Deels uit lafheid, maar vooral omdat ik zo’n ongelofelijk zwak heb voor de helpdeskmannen bij ons op Kantoor. Ten eerste omdat ze ontzettend behulpzaam zijn, ten tweede omdat ze je nooit uitlachen, terwijl daar toch alle reden voor is, en ten derde omdat ze supervaak onderhands dingen voor je rege… nou ja dat dan dus niet. Maar dan nog: je wilt ze niet tegen je hebben. De helpdeskman is namelijk de enige man die je écht nodig hebt op Kantoor. De man bij wie, onder ons gezegd en gezwegen, een heleboel andere Kantoormannetjes… nou ja, gewoon ráár afsteken. Want oh mensen, er zítten ertussen! Een greep.

De Cool Guy
Hm, wat ruik ik? Aha het is gebakken lucht! Aan de tandenknarsende collega’s herkent men de cool guy. Zie hem lopen met zijn verende tred, zijn montere oogopslag en zijn neiging om je bij het begroeten nadrukkelijk bij de naam te noemen. Elke afdeling heeft zijn cool guy, maar je zou hem met gemak ook de player, de glijer of de toekomstige fraudeur kunnen noemen. Het zal hemzelf worst wezen hoe hij genoemd wordt – er is maar weinig wat hem deert. Het moeilijkste aan de cool guy is dat alles maar dan ook álles hem gemakkelijk afgaat. Wat hij dan zoal doet? Wel, voornamelijk dus totaal niets van betekenis, maar hij kan daar dan toch altijd héél veel over vertellen. Totale onzin natuurlijk, maar je bent al catatonisch van ontzetting voordat je je mond kunt opentrekken. En op het verbijsterd zwijgen van de massa gedijt de cool guy.
De cool guy klaagt nooit – en is daarom de lieveling van elke manager. Krijgt dus het snelst promotie en heeft een flitscarrière: als je één keer met je ogen knippert, is hij alweer een schaal omhoog gegaan. Hoe dóet die jongen dat? Vuile charme. Vooral voor glazenplafondvrouwen en gestage harde werkers die niet graag opsnijden over hun talenten is de cool guy een onverdraaglijke entiteit. Gelovige collega’s hopen op een hiernamaals waar alles zal worden rechtgezet. Maar voor nu, in het aardse tranendal: je staat erbij en je kijkt ernaar.

De Man met de Baard
Niet te verwarren met: álle andere bebaarde mannen op Kantoor. De baard van de man met de baard slaat vooral op zijn verhalen over vroeger, toen de wereld tenminste nog een beetje normaal was. De senior kan het weten, want hij werkt al minstens honderdtwintig jaar op Kantoor, is ook een beetje op het gebouw gaan lijken en je komt er nooit meer vanaf. Soms is dat ontzettend handig, want als je nog iets wilt weten over het Oude Systeem, dan moet je dus bij “pensionado Wim” wezen. Dat is de enige die de oude computertaal kent waarop stiekem nog de helft van alle systemen is blijven werken toen een of andere innovatie halverwege bruut werd afgebroken, “wegens voortschrijdend inzicht” (het geld was op).
De man met de baard is feitelijk het negatief tegenovergestelde van de jonge hond. Die is óók hijgerig, maar dat komt niet van jarenlang naar hartenlust roken achter zijn bureau, want daar ging je toen nog niet van dood. Bovendien is de jonge hond op een uiterst vermoeiende manier óveral voor in en de senior is helemaal nérgens meer voor in. Hij heeft elke vernieuwing al vierendertig keer meegemaakt en zien mislukken, ziet dus patronen die anderen nog niet opvallen en is daarom begrijpelijkerwijs belast met de zogenaamde been there, done that-oogopslag. Soms lacht hij ineens bulderend, zodat iedereen opschrikt uit zijn Wordfeud. Kwam dat geluid van de intercom? Nee het was de Wim die vanuit de stervende Kantoorplant een anekdote uit 1923 vertelt. Maar op de meeste andere momenten is de senior cynisch, uitgeblust en hij schudt vaak nee – eigenlijk precies zoals ik mijn vrienden graag heb. Nee, echt.

De Wijsneus
Natuurlijk, vrijwel iederéén denkt wel eens dat-ie het beter weet dan de next guy. Maar zeg nou zelf: eventuele geniale ingevingen die je op maandag kreeg, blijken meestal op dinsdag alweer totaal anti-geniaal te zijn. De menselijke hersens: een moeras waar op gezette momenten een arm uit steekt. Geen probleem, het is niet alsof er op Kantoor ooit iemand naar je luistert. Die waarheid als een koe is aan de wijsneus, alias de betweter, compleet voorbij gegaan. Want die weet gewoon álles áltijd beter en bijt nimmer op zijn lip, in het besef van zijn eigen feilbaarheid. Kan zich niet voorstellen dat een ander een punt heeft en onderbreekt je dus al wijsneuzerig voordat je in staat was zelf je zin lafjes te laten wegsterven. De wijsneus moet altijd winnen, ook als verder niemand wist dat er een wedstrijd aan de gang was. Hij kent een veel béter boek over de Holocaust, heeft de ultieme manier van koffiezetten uitgevonden, had het overlijden van je moeder kunnen voorkomen en slaapt altijd op zijn rug omdat dat nu eenmaal, nou ja… béter is.
Wie bij zichzelf op Kantoor zo snel geen wijsneus kan aanwijzen, zou wel eens in de situatie kunnen verkeren dat hij zélf de betweter van de afdeling is. Dat is even schrikken hè, want het is direct het enige waarover u minder wist dan de rest. Rustig blijven ademen, proberen een plekje te geven, en maandag fris beginnen met een knijper op de lippen.

De Zweverd
Ook wel: de inspiratieman. Praat in spreuken. De muur naast het bureau van de zweverd annex de kantoorgoeroe bevat vaak sfeervolle posters van a) een hele oude boom, b) een steen die kringen maakt in het water of c) een heel groot oog dat je de hele dag zo indringend aanstaart dat je er bijna van aan het werk zou gaan. Hoe dan ook een groot contrast met je eigen whiteboard waarop helemaal niets staat, behalve het onuitwisbare ‘WERKZWEER’ (per ongeluk verkeerde stift gebruikt).
De zweverd komt, maar hoe kan het ook anders, Kantoor binnenzweven op momenten die voor hemzelf gewoon lekker zen voelen. Niet zo héél vaak dus. Maar helaas, áls de zweverd present is in het hier en nu, dan ís hij er ook. Gesandaliseerd en wel en vastbesloten om her en der wat van zijn spirituele rijkdom te verspreiden aan onverlicht kantoorplebs zoals jij en ik. Dus nét als je inademt voor je volgende zeer terechte tirade over kantoreske onrechtvaardigheden, orakelt de zweverd Happinez-teksten als “Do good and good will come to you” of het managersvriendelijke “Some things things are not meant to be understood, just accepted.” Je zou collegae voor minder het raam uitgooien – maar een beetje zweverd vliegt natuurlijk net zo makkelijk het raam weer in. Minst handige reactie: “Karma shoarma.” Meest handige reactie: “Heftig.” Dat brengt een zweverd een klein beetje van zijn à propos: hij is niet bekend met het concept ironie maar weet niet helemáál zeker hoe het bedoeld is. Laat ‘m er maar lekker even z’n chakra’s over breken, is het in elk geval een kwartiertje rustig. Namasté.

De Flapdrol
Ook wel: de manager. De flapdrol wordt soms sjiek afgekort tot FD. “Is de FD al gearriveerd, dat jij weet?” “Nee, de FD werkt vandaag thuis.” Dus dit zou dan bij uitstek een dag zijn waarop je de manager gewoon kéihard en voluit een flapdrol kunt noemen, zou je denken – maar een gewoonte is nu eenmaal snel ingesleten hè. En een gezonde dosis paranoia kan geen kwaad. De muren hebben oren en die schroefjes zitten er heus niet “omdat er ooit een schilderij heeft gehangen”. Haha, een schilderij, tuurlijk! Ik lig plat! Maar even serieus, we zijn toch niet gek.
Een béétje competente manager is zelf totaal niet op de hoogte van zijn eigen flapdrolschap en ’s morgens al tijdens het inzepen onder de douche op inspirerende wijze processen aan het stroomlijnen. Eenmaal op Kantoor geeft hij daar dan verder “handjes en voetjes aan”. De meeste mensen op Kantoor ondergaan hun bezielende flapdrol als een kruis dat zij nu eenmaal te dragen hebben. Maar soms is het wel heel moeilijk, zeker als de flapdrol een doorgeschoten cool guy is. Dan is een afkorting als FD een véél te keurige benaming. Even op doorbrainstormen in een volgende sessie, stel ik voor.
Overigens heb ik zelf een geweldig lieve manager, maar dat heeft er in zijn geval ook mee te maken dat ik nog dingen van hem nodig heb. Een paraaf voor m’n nieuwe laptop, om mee te beginnen.

Dit artikel stond op 21 mei 2016 in Volkskrant Magazine

kantoordrama

Het was de derde dag na de vakantie en wij zaten zo’n beetje lief voor ons uit te tijpen toen onze collega van de overkant onze werkkamer binnenvloog. “Die en die doet het met die en die”, zei de collega ademloos. “Joe”, zeiden wij en wij tijpten verder en uit het ritme van ons getijp was klip en klaar af te leiden dat wij dit reeds vóór de zomervakantie hadden geweten, dat het nog nét niet in het kantoorbrede Info Bulletin had gestaan en dat de eerste glans van de geheime affaire er zelfs al weer zo’n beetje af was. Mijn naaste collega tenminste had het overspelige koppel gisteren bekvechtend een lift uit zien komen. En de dag daarvoor had ik met eigen ogen gezien dat zij elkaar passeerden in de wandelgangen en dat zíj, in plaats van blozend de ogen neer te slaan zoals dat hoort, licht onverschillig de wijsvinger had opgestoken. Híj op zijn beurt had haar beteuterd nagekeken want een opgestoken wijsvinger, dat is vaak het begin van het einde hè.

Aarzelend bleef de collega van de overkant in onze deuropening staan. Ze hijgde licht. Ik sloeg een knalharde enter op mijn toetsenbord. Het mens droop af. Een tijdlang tijpten wij onze woorden in vrede en sommige woorden gingen ergens over, andere waren onbegrijpelijk genoeg om mee weg te kunnen komen, en nog weer andere woorden waren slechts bedoeld om iets op te vullen – onder andere het stuk tijd dat nog restte tot aan zeventien uur, nul minuten en nul seconden. Of, als je écht in zijn volle deprimerende omvang zou willen zien: tot aan volgend jaar zomer, als wij eindelijk weer met vakantie zouden mogen.

Kortom: nu al #zinin. Maar ho, zo ver is het dus nog láng niet. Negen typisch kantoreske drama’s die we het komende werkjaar hoe dan ook gaan tegenkomen – en hoe je ze je overleeft.

  1. “En op dag vijf hadden we een soortement van safari”

Uit wetenschappelijk onderzoek door mijzelf blijkt dat echt helemaal niemand zit te wachten op de vakantieverhalen van een ander, maar dat iedereen met belangstellend opgetrokken wenkbrauwen naar elkaars vakantiebelevenissen informeert. Dus ja, dan vráág je er ook om, om de finesses van de fietsvakantie van Jolanda in de Vogezen, het backpackersavontuur van gekke Gerard en de maagdarmproblematiek van de echtgenoot van je leidinggevende. De positieve kant hiervan is dat je nu wel álle gehuchten in en rond de Vogezen kent. Dit kan immers nog best eens van pas komen, bijvoorbeeld in een situatie die zich nooit zal voordoen.

  1. “Er is een onverwachte fout opgetreden”

Je staart naar je beeldscherm, je beeldscherm staart terug en jij bent de eerste die de blik afwendt. Eén-nul voor je computer. Feitelijk zou het wel handig zijn als iemand van ict je computer even thuis komt langsbrengen zodat jij de eerste week na de grote vakantie gewoon in bed kunt gaan liggen wachten tot alle 980106 updates geïnstalleerd zijn. En je je wachtwoord (meestal je dode poes) weer herinnert. Ik heb dit trouwens wel eens geopperd maar nooit iets op teruggehoord.

  1. “Hoi… eh …. “

Het liefst stellen je nieuwe collega’s zich allemaal op dezelfde dag aan je voor, hebben ze allemaal een lange bob en bezitten ze zo op het oog inwisselbare karakters. Dit zorgt ervoor dat je vaak na drie, vier of vijftien maanden nóg niet weet of het nou Janita, Jolanda of Jeanette is, maar dan is het momentum wel zo’n beetje voorbij dat je kunt vragen: “Hé blonde, hoe heet je eigenlijk?” Aan nieuwelingen op Kantoor  zit ook een mooie kant: ze hebben geen idéé wie je bent. Dit gebrek aan een gedeelde geschiedenis biedt je de uitgelezen mogelijkheid jezelf eens van een andere kant te laten zien – of eventueel zelfs een geheel andere persoonlijkheid uit te proberen. Mocht deze bevallen, dan is het zaak hem langzaamaan uit te faseren naar andere gebieden van Kantoor. Mocht het onverhoopt toch te veel energie kosten om zo aardig te doen, keer dan linea recta terug naar je oorspronkelijke persoontje.

  1. “En toen bleek dat ik dus volkómen naakt was!!!”

Hun contemplatief vakantie-gestaar naar de golven/een berg/vijf inhaalseizoenen Game of Thrones heeft maar weinig van je oude collega’s blijvend gelouterd of tot nieuwe inzichten over zichzelf gebracht. Om kort te gaan: je zit gewoon opgescheept met dezelfde idioten als voor de vakantie en zij natuurlijk ook met jou, maar daar hebben we het nu niet over. Het begin gaat nog wel. Je luistert gelaten naar collega S. die zijn droom van de afgelopen nacht vertelt. Je steekt een duim op naar collega H. die als vanouds elk telefoongesprek via de intercomfuntie voert. En dat collega T. de hele tijd mompelt: “Hoe kán zoiets?!? ” en “Dit is gewoonweg niet te gelóven!”, zelfs dát kun je ook nog prima oh fuck off who are you kidding collega T.!!?! Nooit doen: aan collega T. vragen wat er is. Altijd doen: er doorheen zingen.

  1. “Niet omdat je een vrouw bent maar zit de stekker er wel in?”

Elke keer opnieuw die niet geheel ijdele hoop dat de beamer het niet doet. Want gewone vergaderingen zijn een stukje paradijs op aarde vergeleken bij die waarin mensen powerpointpresentaties houden. Mogelijkheid één: de volgetypte sheets worden letter voor letter voorgelezen. Mogelijkheid twee: er staan alleen maar cartoons op en deze zijn om te lachen. Het is zaak te proberen weerstand te bieden aan het verlangen je hoofdhuid van je schedel te trekken en deze in een hoek te gooien. Zo duurt de vergadering immers alleen nóg maar langer. Aanbeveling: zelf nooit presentaties houden, dat scheelt alweer.

  1. “Nou, de pepernoten liggen ook alweer in de winkel”

Waarom is socializen op Kantoor toch zo moeilijk? Waarschijnlijk omdat het met andere mensen is. Ik ken Kantoren waar mensen dag in dag uit de gekste smoezen verzinnen om het lunchmoment te mijden. De lunchtafel kan dan ook een mijnenveld zijn, bijvoorbeeld door gespreksonderwerpen in het genre “Maar ik vind kijk Zwarte Piet is gewoon ook een tradítie” die en passant tot complete afdelingsschisma’s leiden. In mijn vorige kantoorbaan was het mode om thuis samengestelde complexe salades mee te brengen, dit is ook heel moeilijk om mee te moeten maken. Natuurlijk, je kunt in je eentje een wandeling gaan maken. Maar voor je het weet wil iedereen mee (“Ja, zitten is het nieuwe roken hè!”) en dan krijg je zo’n kantoorsliert door de stad. Zo iemand heb je nooit willen worden. Het enige échte alternatief voor sociaal doen is op de cruciale momenten op het toilet te gaan zitten. Neem iets te lezen mee, bijv. van die Knausgard-knakker (lekker dik).

  1. “Jij ook de beste wensen!!!!!!!”

Het nieuwjaarwensen an sich is reden genoeg om te hopen dat de wereld vergaat voordat het 2016 is. Wat zou het toch mooi zijn als je op 4 januari gewoon Kantoor kon binnenstappen met een welgemeend “Joe!”, de computer aan kon zetten en direct een ferme start kon maken met je rondje haatsurfen op beautyblogs. En hoe vaak heb je al niet gefantaseerd over een sticker op je voorhoofd plakken met ‘Liever geen gelukswensen’ erop (en voor je verjaring: ‘Gelieve niet te feliciteren’)! Onder de eeuwige nieuwjaarsdilemma’s als ‘moet ik hem dan ook kússen?’ en ‘moet het dan een hand én een kus zijn?’ ligt een groter probleem: met verreweg de meeste van je collega’s wil je eigenlijk alleen fysiek contact overwegen als  je in een moeras bent gestruikeld en zij bieden aan je eruit te trekken. Eén tip: neem het heft in eigen hand door van ver met uitgestoken hand aan te komen. Werkt bij mij trouwens nooit: voor je het weet zit die hand ergens waar je hem al helemáál niet had willen hebben en dit herinner je je allebei nog jaren.

  1. “Hoe vind je zélf dat het gaat?”

Ik zeg het niet gauw maar je kunt nog beter een menstruatiecyclus hebben dan een personeelsevaluatiecyclus. Je zou zeggen dat het al heel wat is dat je elke dag maar weer komt opdagen. Nope. Het is de bedoeling dat je elk half jaar aantoonbaar nóg beter bent geworden. Terwijl: kun je het dan nóg beter doen dan je het nu al doet?? Waarschijnlijk wel, maar dit was een retorische vraag hè. Ook leuk: op veel Kantoren is het usance om feedback van je collega’s te vragen voor je functioneringsgesprek. Dat leidt tot dubieuze complimenten als “Kortom, ik vind je een geanimeerde collega!!!”, waarmee dan wordt bedoeld: “hou gewoon je kóp eens een keer als je geen idee hebt waar je over bazelt”. Gelukkig heeft je leidinggevende geen idee van passief-agressieve omgangsvormen. Tip: vraag sowieso nooit je vijanden om feedback want die zijn vaak net wat rechtstreekser.

  1. “Ik wil niet zeiken maar MAG IN GODSNAAM HET RAAM DICHT?!!”

Rest ons nog de werkkamer, die vaak catastrofale combinatie van warmbloedige mannen, koudbloedige vrouwen en een plant die elke dag koffie krijgt. Elke dag heeft zijn eigen en toch weer dezelfde problemen als gisteren – zoals dus de gendergeladen verwarmingsdiscussie, de stille strijd om het legen van de papierbak en de voortdurende dreiging van collega’s die zonder blikken of blozen op twee meter afstand deodorant onder de oksels spuiten. Oh én dus het gestage sterven van de Kantoorplant (RIP). Hoe voorkom je dat je zélf niet doodgaat van ellende? Wel, zelf dien ik om de zoveel tijd een verzoek tot overplaatsing in, maar dat gaat “na intensief overleg met de betrokkenen” nooit door. Wel, dán rest er niets anders dan de werkkamer te zien als de prachtige biotoop die hij in feite is – en elke dag blijmoedig uit te zitten tot aan zeventien uur, nul minuten en nul seconden.

Dit artikel stond op 29 augustus 2015 in Volkskrant Magazine. Foto: Ivo van der Bent

genieten geblazen

Mensen die op vakantie zijn, zijn vaak schattig en bloedirritant tegelijk. De vier verwerpelijkste vakantie-uitspraken van de vakantieganger (en wat je er als thuisblijver aan kunt doen).

1 “Het weer is schítterend!” Vroeger loog men er vanuit het vakantieland rustig vijf graden bovenop. Is tegenwoordig lastig te combineren met verwerpelijke nieuwigheden als het internet, waarmee de thuisblijver elke WhatsApp-leugen handig kan pareren. “Hé ik zie anders alleen maar regenwolken als ik weerbericht Ventimiglia intik?” “Ja maar wij zitten in de luwte van de berg hè xxx.” De vakantieganger gaat er vanuit dat de thuisblijver geen zin zal hebben om te checken of er een berg is (nee). Maar hij wéét dat de thuisblijver twijfelt. En dat hij er niks aan kan doen. De situatie wordt… complex. Prima en net goed.

2 “Wat voor weer is het in Nederland??” De vakantieganger veinst interesse. De eigenlijke intentie is verwerpelijk; het draagt enórm bij aan het genot van de vakantieganger om te weten dat het thuis serieus rukweer is. Dus mocht het in Nederland onverhoopt béter weer zijn dan op de duurbetaalde tropische bestemming, dan is de ellende niet te overzien. Gezinsruzies, ijzige huwelijksstiltes, doordrenkt met enfin regen dus. Voor de thuisblijver is het wel zo kies om niet aan de hittegolf in NL te refereren. Toch is het vaak wel grappig om tussen de regels door te laten weten dat je in je bikini naar de Albert Heijn ging. (Niet vergezeld laten gaan van schaterende emoji’s of omhoog gestoken duimen, hoe moeilijk het ook is. Subtiliteit is everything.)

3 “Ik was er echt aan toe!” Ja, wie vanaf half april al zijn kappersconversaties doorspekt ziet met vragen als “Ga je nog op vakantie”, “Heb je al geboekt”, “Wanneer heb jij vakantie” en “Heb je ook zo’n zin om er eens lekker tussenuit te gaan”, die vliegt zo tegen eind juni van ellende tegen het glazen kantoorplafond. Kortom: als je maar vaak genoeg je haar laat knippen, krijg je vanzelf de stellige indruk dat je doodgaat als je niet op vakantie kunt. Of deze indruk waar is, valt te betwijfelen. De vakantie an sich evenals het opstarten ná een vakantie zijn vaak dermate stressvol dat de meeste mensen begin september met volle overtuiging zouden kunnen zeggen: “Ik ben echt aan vakantie toe.” Maar goed, dat zeg je dus niet.

4 “Ik kom hier helemaal tot rust!” Zie hierboven: dat valt dus meestal wel mee. Of tegen. Dit soort opmerkingen moet dan ook met een korrel zout worden genomen en dat geldt al evenzeer voor wanhoops-shout-outs als “Het is echt genieten geblazen!!!” en “Heerlijk, heerlijk.” Vakantie is nu eenmaal een vrij dramatische onderbreking van het dagelijks leven en dat valt niet altijd mee. Serieuze stressoren zijn de keuze van het chalet, het inpakken an sich, de angst om neer te storten en de partnerrelatie die het afgelopen jaar overeind bleef dankzij een bescheiden mate van interactie en ontmoeting. Het kán allemaal fantastisch uitpakken – maar het kan dus ook zijn dat dat alleen voor de koffer geldt.

 

Deze tekst stond op 4 juli 2015 in Volkskrant Magazine

 

reisfolderclichés

Ik weet niet hoe het jullie vergaat, maar ik moet er echt eens even hélemaal uit. Of eigenlijk weet ik wel hoe het jullie vergaat: precies hetzelfde. Waar de gestresseerde mens in andere jaargetijden de tip krijgt nog maar eens op de lip te bijten, is het standaard zomer-advies: op vakantie. En dat was je natuurlijk allang van plan, want de zomervakantie, dat is een afspraak. Het is de jaarlijkse great escape van de sleur van alledag en het leven in de kooi die Kantoor heet. Een ontsnapping waar, ironisch genoeg, vrijwel niemand aan ontkomt. Reisbureaus en websites met ‘travel’ in de naam doen er alles aan om de overtuiging aan te wakkeren dat we niet kunnen wáchten op verlossing van ons doorsnee leven. En ze snijden in hun verleidingstactiek precies onze zwakke punten aan. De 7 clichés van de reisfolder.

Je bent er gewoon ongelófelijk aan toe.
“Jij wilt toch óók ontsnappen aan de dagelijkse stress?” “Ga je eindelijk die verre reis maken die al heel lang op je bucket list staat?” “Wie wil er nu niet uit de dagelijkse ratrace ontsnappen voor een heerlijke vakantie?” “Waar wácht je nog op?” De boodschap is duidelijk: je bent eigenlijk niet helemaal normaal als je niet gek geworden bent van het jaar dat achter je ligt. Een beetje handig reisbureau maakt bij het opporren van de reislust gebruik van de time-hop, het schrijven in de tegenwoordige tijd, die je droomvakantie direct heel dichtbij brengt.“In de avond geniet je van een koel drankje op een van de vele terrassen.” “Je wandelt door slaperige dorpjes.” “Je hoort het ruisen van de zee.” Kortom: je hebt nog niet eens geboekt maar je zit er eigenlijk al.

Ineens heb je het: je wordt ontdekkingsreiziger.
Of nou ja, zítten? Sorry, dát is eigenlijk niet helemaal de bedoeling. Hoewel vakantie vooral bedacht is om te genieten van je “welverdiende rust”, blijkt die rust nogal betrekkelijk. Vrijwel alle reisgidsen juichen dat het tijd is voor “je vólgende enerverende reisavontuur”, waarmee dus direct even is vastgesteld dat het concept ‘avonturen beleven’ in principe een goede gewoonte is. Je krijgt een oproep: “Laten we overal naartoe reizen waar de wind ons brengt.” En direct daarna een belofte: “Je beleeft het avontuur van je leven!”
Elke zichzelf respecterende reisgids brengt dus een zo groot mogelijk contrast aan met het gewone leven. Niet voor niks. Van negen tot vijf op je linkerbil hangen en dingen aan elkaar nieten, dat doe je immers het hele jaar op Kantoor al. Daar komt bij: de moderne mens ziet zichzelf graag als avontuurlijk wezen en vindt het dus fijn om als zodanig te worden aangesproken. Ontluisterend genoeg blijkt dat avontuur bij nadere lezing van de reisgidsen ferm dichtgetimmerd. Wie op “ontdekkingstocht” naar ergens in Italië wil, krijgt bijvoorbeeld “7 of 9 nachten met ontbijt, olijfolie- en wijnproeverij, twee diners, huurauto en vlucht vanaf Eindhoven – ook mogelijk om in termijnen te betalen”.

Je zult steil achterover slaan.
Toch is er de reisaanbieders álles aan gelegen om je in de waan te laten dat je een ontdekkingsreiziger pur sang bent of kunt worden, die vooral “wég van de gebaande paden” wil. Bijvoorbeeld naar een “vrijwel onontdekt gebied in Zuid-Afrika” (dus waarschijnlijk weet alleen de reisorganisatie ervan). Of naar één van India’s “best bewaarde geheimen” (dus waarschijnlijk weet alleen de reisorganisatie ervan). Maar als je leest dat je je “schrap moet zetten voor een cultuurshock”, dan is het onverwachte er natuurlijk al wel een beetje af bij de arrival ter plaatse. En als de “pure, ongerepte stranden van het land nog onontdekte parels z…” – wacht eens even, hoe weet het reisbureau er dan van?! Haha, gotcha!
Als om deze malversaties te verhullen, wordt het twijfelachtige avontuur dat de reisgids ons biedt, ons gepresenteerd als een bijna mythische slash religieuze slash druggerelateerde ervaring. Het is hoe dan ook een onderneming die je met open mond ondergaat. “Je waant je in het paradijs.” “Je zult je verbazen over de graffiti muurschilderingen.” “Je vergaapt je dag in dag uit aan de bezienswaardigheden.” “Je valt van de ene verbazing in de andere.” Bij avonturentaal horen overdrijvingen. Dus zijn er “schier oneindige stranden” en is er sprake van een “ongelofelijk grote schoonheid”. En trouwens: “De zon schijnt er altijd en de mensen zijn ontzettend gastvrij.” Case closed.

Er is gelukkig een to do list.
Nu is het hele leven natuurlijk één grote to-do-list, laten we daar niet kinderachtig over doen. Maar de lijst met dingen die je op vakantie per se gezien, gedaan en beleefd moet hebben, is niet mals. “Een bezoek aan Alcázar mag eigenlijk niet aan je lijstje ontbreken.” “Sla ook zeker de Duomo di San Martino niet over.” “Vergeet niet je wandelschoenen mee te nemen, want dit gebied leent zich uitstekend voor een lange wandeling.” “Nu je je op slechts vijfentwintig kilometer van Luca bevindt, mag je een bezoek aan deze romantische stad niet overslaan.” De termen ‘niet overslaan en ‘vergeet niet’ zijn misschien wel de meest gebezigde frases in de reisbranche. Hallo, het lijkt Kantoor wel! Met allemaal dingen die op tijd af moeten! En duizend regels waar je je aan moet houden! Je zou haast terugverlangen naar die ellendige ratrace waar je net even tweeénhalve week aan was ontsnapt, als we de reistijd eraf trekken dan.
Natuurlijk, deels is de vakantie-to do list een adequate manier om bij thuiskomst sociale afgang te voorkomen. Je moet niet hebben dat je collega’s straks smalend roepen: “WTF JE HEBT DE BIJNA UITGESTORVEN MINIREUZENMARMOT VAN DIT OF DAT EXOTISCHE EILAND NIET GEZIEN?!” (En jij dacht nog: god wat stikt het hier toch van de zwerfkatten zeg.) Op een ander niveau is het interessant dat het avontuur dat vakantie heet blijkbaar van alle kanten moet worden gestut door wegwijzers en reminders. De reisbureaus wekken voortdurend de suggestie dat je zónder het lijstje de essentie van je vakantie mist en het avontuur niet ten volle zult ervaren. Dat is natuurlijk de zaken helemaal omdraaien. Maar eerlijk is eerlijk, het voelt de rest van het jaar ook eigenlijk best veilig om te doen wat een of andere geflipte manager je voorschrijft. En als je wordt gesommeerd “heerlijk te verdwalen” in een of ander oerwoud, dan is één ding in elk geval duidelijk: wát er ook gebeurt, echt verdwalen zul je niet.

Je bent héél ver weg – maar ook weer heel dichtbij.
Om ons er warm voor te maken, presenteren de reisgidsen je “unieke vakantie-avontuur” dus als absoluut tegengestelde van je gewone slaapverwekkende rotleven. Dat kan alleen maar door er een zo groot mogelijke afstand tussen te fabriceren. Maar terwijl de reisfolder dat doet, wordt tegelijkertijd benadrukt hoe dichtbij al dat vreemde is. Over “verre zonvakanties”: “De populairste bestemmingen in het Caribisch gebied zijn onze eigen Nederlandse Antillen.” “Afrikaanse cultuur op slechts 6 uur vliegen.” En mocht het toch allemaal een beetje exotisch overkomen: “Weg van de tempels relax je in één van de nieuwe ‘upmarket’ resorts nadat je bent aangekomen op het strakke, geheel vernieuwde vliegveld.” Pfjew, adem uit: hoe groot de afstand ook is, zó’n enorme stap is het dus ook weer niet. Op een iets andere manier bewerkstelligt de continue benadrukking van de “onvergetelijkheid” en het feit dat je “nog lang zult nagenieten” hetzelfde – het is een subtiele vooruitverwijzing naar als je straks weer veilig thuis bent. Hoe ver je ook weg bent, je eigen huis is altijd dichtbij.

Je komt in een warm bad.
De reisbureaus doen daar zelfs nog een schepje bovenop. Zo wordt al het avontuur dat je te wachten staat steevast gecompenseerd door een ware tsunami aan vriendelijkheid en warmte die heel erg aan thuis doen denken. Soms letterlijk: “Bij het eerste kopje koffie weet u: dit is thuiskomen.” Vaker wordt er verwezen naar de immer “gastvrije bevolking” die elke vakantie tot een “intens genoegen” maakt. Zo moet het raar lopen “als je niet een avond lang met Turken over van alles en nog wat gesproken hebt.” “Het kan een avontuur zijn vol ontmoetingen met vriendelijke mensen die graag een gesprek met je aanknopen.” Of hier, in één zin avontuur en veiligheid op schiterende wijze verenigd: “De vaak woest ogende natuur staat in opvallend contrast met de open en gastvrije bevolking.” Echt gezellig.

Adembenemende vergezichten: check.
Een reisgids is vaak net een ansichtkaarttekst uit de jaren vijftig. Zo heeft elke bestemming “voor elk wat wils”, is het er “heerlijk toeven”, kunnen watersportliefhebbers “hun hart zeker ophalen”, liggen bezienswaardigheden bij voorkeur op “een steenworp afstand” (maar desondanks word je geacht urenlang te “struinen” of “slenteren”. De versteende taal van het reisbureau doet wel wat denken aan… verrek, je opa en oma! Maar het absolute toppunt van verstening zien we in de combinatie-clichés die al sinds jaar en dag dezelfde zijn. Telt u even mee: adembenemende vergezichten, oogstrelende landschappen, witte stranden, weemoedige fadomuziek en zoete druiven. Ravijnen? Duizelingwekkend. Straatjes? Schilderachtig. Vestingmuren: eeuwenoud. Ergens bekruipt ons een gedachte: waarheen we ook gaan, we weten al precies hoe het eruit gaat zien.

Dit artikel stond op 4 juli 2015 in Volkskrant Magazine

musthaaaave

Ik zal maar direct uit mijn walk-in closet komen: mijn vage verlangen om met de mode mee te doen wordt wreed doorkruist door een nog veel groter verlangen: mijn hele leven uitzitten in mijn oversized knalrode joggingbroek. Maar goed, dit dóe je gewoon niet. Hoewel, soms twijfel ik. Hij zit zo fokking lekker. En ik hoor modemeisjes óm de anderhalve zin een term als ‘nonchalant’ en ‘casual’ gebruiken. En gisteren sloeg ik een modeblad open en de term joggingbroek sprong zo van de pagina! Komen dromen dan soms tóch uit? Maar toen ik ademloos verder las, begreep ik dat je er voor een vrouwelijke touch natuurlijk wel killer heels onder zou moeten dragen. En bij het verder bladeren werd de teleurstelling alleen maar groter: ‘casual’ wordt net iets te vaak in één adem met ‘chic’ genoemd. En ‘nonchalant’ – dat blijkt bij nader zien vooral bestudéérd nonchalant. Of, zoals de modebladen zouden zeggen: “quasi lukraak”. Ik weet genoeg. Of eerlijk gezegd: ik volg het niet helemaal maar ik begrijp één ding wel: toedeledokie, joggingbroekdroom.

De fashionmagazines zijn een wereld vól met codewoorden die vaak net iets anders betekenen dan ze lijken te betekenen. Het is een wereld van grafische prints en killer heels. Van klassieke silhouetten en gekke twists. Chunky sieraden, preppy denimbloesjes en “boho zonder poespas”. Nou, over die poespas valt te twisten. Een beknopt lexicon van de modebladen.

MUSTHAVE
Spreek uit : “OMG MUSTHAAAAAVE!!” Je ziet voor je geestesoog direct een heleboel verwend stampvoetende modemeisjes, die zich door niets en niemand laten weerhouden in hun queeste naar dat ene fashion-item dat hun bomvolle kledingkast en leven gaat completeren. De musthave past prima in het verslavingsjargon dat modebladen eigen is. Mocht je nog niet weten of je het wilt: “Je wilt het allemáál.” Mocht je nog last hebben van gezond verstand: “Oké, oké, we geven het toe, eigenlijk zoeken we gewoon allerlei excuses om er eentje te kopen. Ben jij al om?” En mocht je je eigen justificaties nog niet helemaal geloven: “Als je ze volgend seizoen zat ben kun je ze zonder gêne aan je minder modebewuste zus of vriendin geven.” Supersympathiek!
De musthave is, behalve de meest afschuwelijke fashionterm ever, ook een bijzonder afgesleten term: je komt hem inmiddels namelijk in zo ongeveer alle andere settings van het leven ook tegen. Musthave slowjuicer. Musthave oerbroodbakmachine. En kijk nou, de web-etalage van het plaatselijke dierenasiel: “Poes Simba is een lieve schat, echt weer eens een must have cat.” Maar nee hoor, de modebladen zien vooralsnog geen énkele aanleiding de musthave te dumpen.

CONTRAST
De eerste modegod slash stylist die het woord ‘contrast’ niet op het voorhoofd gekerfd heeft staan, moet nog geboren worden. Haal even diep adem, hier komen ze. Een sjieke rok met een stoere trui. Stiekem bloedsexy, die nieuwe degelijkheid. Zacht zijde, maar wel met een ruige rand. Een old time favorite met een gloednieuwe lieveling. Zoete tinten met een rebelse bijsmaak. Stoere boots die contrasteren met een lief jurkje. Oversized strepen die vragen om een bescheiden tegenhanger. Met een kanten jurkje met kittige hakken op een brommer scheuren. Luxe combineren met “een straatgevoel”. En daar is het woord: “Een kermisattractie ben ik nog net niet maar je zou mijn stijl wel kunnen omschrijven als eclectisch.” Soms zit het contrast hem (ook) in de pecunia: koop deze katoenen maxi-jurk (338 euro) en combineer hem met leren kistjes van het Waterlooplein. Inderdaad: “een vervreemdende mix van high en low culture.”
Eenduidigheid is morsdood, dat is duidelijk. Superleuk, toch? Want dankzij het arty contrastenfeestje hebben we veel meer bewegingsvrijheid gekregen. Je kunt lief én stoer zijn. En sexy en superdegelijk tegelijk (hmm?). Aan de andere kant: worden we nú van de weeromstuit geacht om volcontinu een mix van totaal tegenstrijdige signalen uit te zenden? Waar gaat dat naartoe? Neemt íemand de vrouw nog serieus?! Damn, er is ook altijd wat. Even in de gaten houden.
Synoniem van contrast: balans (“je krijgt het door lakleer af te wisselen met zachte breisels”). Ook veelgebruikt: “spanning creëren”. Tot je erbij neervalt dus. Dat brengt ons direct bij het nadeel van de zucht naar contrast: je wordt er wel een beetje moe van.

FAUX PAS
Soms lijkt het alsof de sky the limit is in die malle fratsen-fashionwereld. Niets is minder waar, natuurlijk. Hoewel de modebladen continu suggereren dat je het mix- en matchgewijs hélemaal zelf moet weten, moet je dat wel op deze, deze en deze manier doen. Een faux-pas (de sjieke term voor een blunder) is snel gemaakt. Daarom krijg je op elke bladzijde de helpende hand aangereikt en het verkapte advies om eens goed naar jezelf te kijken. Let wel: dat gebeurt voornamelijk en passant – nergens vind je zulke subtiele voorschriften als in de modebladen, die mikken op de goed verstaander. Zo is print goed, maar wel een uitdaging. Het is zaak dat je zo’n stuk combineert met iets fijns en kleins. En ja, een parka is praktisch maar doorgaans niet per se stijlvol. Dat een hoge hak je benen verlengt, dat wist je al. Hier rockt X de polkadottrend zonder op een circusact te lijken. Kun je het hebben, vooral doen. Deze jurk is sexy, maar niet té. Strapless jurk en zware borsten? Dat doet niets voor je. Dat is allemaal wel héél lief gezegd, lieve modebladen, maar ondertussen pikken we de hint wel op hoor.
Al deze mitsen en maren gelden trouwens niet voor de happy few die de regels aan hun boots mogen lappen. “Het is een beetje een geval van: je oma’s kanten kleedje aangetrokken? Maar als íemand het kan doen, is het Poppy.” Voor natural beauties en stijliconen ligt het allemaal net weer anders namelijk. Die komen overal mee weg. Hoe dat nou weer kan? “Haar geheim is volgens mij dat Carice alles weet te mixen. Bij een lange jurk draag ze gewoon een baseballpetje.” Ja en al ons eigen gemix en gematch dan?! Sorry, nét niet dus. Want wij hebben dus duidelijk niet dat… dat… ja dat je ne sais quoi waarvan dus niemand weet wat het precies is, maar dat elke modejury nederig in zwijm doet vallen.

SIGNATURE STYLE
Zeker, Gerda van de boekhouding heeft in principe óók een signature style, want die komt elke dag naar kantoor in een C&A-spiekerboks met een geruite blouse. Maar nee, dat is dus níet de signature style die de fashionindustrie bedoelt, Gerda! Het idee is dat je je via het eindeloos mixen en matchen een hyperindividuele kledingstijl verwerft die dus “helemaal jij” is. En dan wordt het wazig in de modebladen. Want enerzijds ben je met je je eigen sublieme stijl “de beste versie van jezelf”. Mode is “een expressie van hoe je je voelt”. Je kleding moet je personality onderstrepen, “en zeker niet overstemmen”. Aan de andere kant lijkt mode ook een project te zijn waarmee je jezelf uitvogelt. En zelfs de toegangspoort tot iets béters dan je huidige zelf. “Kleding geeft je zelfvertrouwen. Door stoer gekleed te gaan zeg ik eigenlijk: ik doe waar ik zin in heb.” “Een vrouw met laarzen straalt uit dat er met haar niet te spotten valt.” “Je gaat door de goede kleren aan te trekken zelfs anders lopen en kijken: je wórdt iemand.” En dan ineens is een uitbundige exotische mix van prints áltijd een goed idee, “want het getuigt van lef en creativiteit.” Ja hallo, moeten we onszelf nu wel of juist NIET OVERSCHREEUWEN!? Kortom, wie je precies wordt met kleren aan is niet helemaal duidelijk, en ook niet of je het zélf dan nog wel bent.
Wie trouwens geen idéé heeft wie ze zelf eigenlijk is en hoe dit zich zou moeten vertalen in een particuliere signature style: gelukkig hebben kleren zélf ook karaktereigenschappen – die mens en dier niet zouden misstaan. Zo heb je eigenzinnige materialen, stoer velours, aaibare jassen, lieve breisels en edgy boots. Een beetje mixen en matchen en je verwerft jezelf een scala aan gewenste kernkwaliteiten.
Verwar de signature style trouwens niet met de statementketting. En ook niet met statementteksten op borsthoogte. Die zijn weer helemaal hip maar gelukkig vaak onleesbaar of abstract – en dus kan niemand er aanstoot aan nemen.

VINTAGE
Heel nobel, álle fashion magazines vinden het megabelangrijk dat je vaker je oma bezoekt. Eh ja, om er een oud gehaakt truitje tussen de mottenballen weg te rippen dan, natuurlijk. “Dikke kans op geweldige vintagevondsten.” Geweldige vintage schoenen bijvoorbeeld. Of een geweldig vintage bontvest. Iets van kurk! “Leuk, dat oldschool lapjeskatgevoel!” Mocht je oma al dood zijn, kies dan noodgedwongen voor neppe vintage. Bijvoorbeeld iets dat door de onafgewerkte naden líjkt op vintage. Of denk aan het nostalgische van tweed, dat het “de perfecte kandidaat” maakt voor een authentieke doch compleet gereconstrueerde jarenzestiglook.
Nostalgie is helemaal “van dit seizoen”, aldus de modebladen. Maar er zit wel degelijk een gevaar in al dat geromantiseer van lang vervlogen tijden, namelijk dat je op een kattenvrouwtje gaat lijken. “Wel uitkijken, want anders wordt het te obvious jaren zeventig.” Let dus op dat je er altijd een eigentijdse feel aan geeft. Want alleen dan, en dáár zullen we hem dan eindelijk hebben, is het duidelijk dat je het allemaal slechts met een knipoog naar het verleden bedoelde, hahaha! En zoals de modebladen zelf continu benadrukken: “een beetje humor mag best!” Helemaal mee eens. Want laten we het toch in vredesnaam allemaal niet te serieus nemen.

Dit artikel stond op 14 maart 2015 in Volkskrant Magazine

romantiek

Nog geen vijf minuten later zou er sprake zijn van een huwelijksaanzoek. Maar vooralsnog bevond ik mij samen met mijn goede vriend T. in de betrekkelijke rust van openbaar geroezemoes. Het was een eigentijds restaurant dat dus nadrukkelijk het thema VROEGER ademde. Zo draaide men er volcontinu Frank Sinatra. Aan de muur hingen zwart-witfoto’s van eenvoudige Italiaanse families die het bizar gezellig hadden. En op een schoolbord stond in onhandige letters: Ouderwets Lekkere Soep. Ik moest direct mijn opa denken en dat hij altijd een varkensstaart in de erwtensoep liet meetrekken. Eén van mijn neven gooide op een zondag de varkensstaart in mijn nek. Dat was echt de bloody limit. Gelukkig zie ik die eikel nooit meer.

Een koude windvlaag trok over mijn benen. Even dacht ik dat het mijn opa was die vanuit de geestenwereld et cetera. Maar ik geloof niet in die dingen dus dat zou hij nooit doen. Ik keek op. Drie jongens waren het restaurant binnengekomen. Ze droegen een groot stuk papier boven hun hoofd. In de buurt van ons tafeltje ontstond commotie: een jongen met een dikke kont verhief zich iets van zijn stoel, het meisje tegenover hem slaakte een gil en sloeg de handen voor haar gezicht. Toen las ik wat er op het papier stond: LIEVE EVELIEN WIL JE MET ME TROUWEN?

“Oh god ook dát nog”, zei mijn vriend T. op een toon die suggereerde dat hij zich al de hele dag door huwelijksaanzoeken van derden had heengeworsteld. “Shot de fok op”, zei ik, want ik ben nu eenmaal een sucker voor openbare huwelijksaanzoeken door derden – en dit was mijn allereerste. Evelien hield nog steeds haar handen voor haar gezicht. Het stuk papier klapte half naar voren, de drie jongens van het papier keken er verwachtingsvol overheen. Het hele restaurant hield de adem in. Uitgezonderd Frank Sinatra dan, die wat zeverde over hoe hij voor het eerst in zijn leven iemand had die hem nodig had en die hij ook al zo lang nodig had gehad oid, het klonk mij niet gezond in de oren in elk geval.

Eindelijk haalde Evelien haar handen van haar gezicht en zei iets. Alle mensen in het restaurant applaudisseerden. Er werd geflitst. “Nou, bezint eer ge begint”, zei mijn vriend T. die al een hoop rottigheid met vrouwen heeft meegemaakt. “Gozer, please”, zei ik. Ik zag hoe de jongen met de dikke kont Evelien kuste. En daarna kreeg ze klapzoenen van wat waarschijnlijk zijn drie broers waren want die kerels hadden ook allemaal een dikke kont. Het gezelschap zette zich neer. Er werd een grap gemaakt, er werd om de grap gelachen. Er werd geproost en de jongen met de dikke kont maakte een selfie met zijn broers. Hij leek te zijn gegroeid of in elk geval leken zijn billen nog groter dan zojuist. Ik vroeg me af of het Evelien ook opviel. Hopelijk niet, het leek me iets dat je pas na een aantal jaren huwelijk zou moeten gaan opmerken en dat zou dan het begin van het einde betekenen.

“Sjemig T. zou dat nou niet mooi zijn als jij óók eens een leuke nieuwe vrouw en zo”, zei ik. “Ik heb liever een nieuwe auto eigenlijk”, zei mijn vriend T. die dan wel een hoop rottigheid met vrouwen heeft meegemaakt, maar los daarvan ook gewoon een oppervlakkig ventje is. “Nou…”, zei ik, want een nieuwe auto is ook niet alles. Tuurlijk, eerst ben je er nog vol van. Je stofzuigt dat het een lieve lust is en je neemt de uitgebreide brazilian wax bij Bas Autowas – maar dan kijk je een keer met de ogen van een vreemde naar je eigen auto en dan denk je: wat doen die twee lege jerrycans op de passagiersstoel? Hoe moet ik die zestien doormidden gebroken sigaretten op de vloer duiden? Je schaamt je kapot voor de modder op de vloermat en de doos op de achterbank, vol met klonten kauwgum die je nogal blindelings naar achteren hebt gegooid in de afgelopen jaren. En de laatste grote beurt, je kunt het je niet eens herinneren. Enfin, zo gáán die dingen met een relatie ik bedoel een auto.

Ik gaf T. een klopje op zijn hand. Ik zocht Evelien met mijn ogen. Ze zat er wat stil bij, haar haren waren statisch, alsof ze elk moment kon opstijgen. Vaag glimlachend speelde ze met haar kettinkje. Van stil geluk, nam ik dan maar aan. Of van berusting. Of, en dat kan nu eenmaal niet worden uitgesloten, van totale en ongeëvenaarde paniek, want gezichtsuitdrukkingen zijn soms gewoon ontzettend lastig om te doorgronden.

Deze column stond in het themanummer romantiek (februari 2015) van Harper’s Bazaar.

comfortzone

Soms is er maar één woord voor nodig. “Het idee is dat jullie vandaag lekker hélemaal uit je comfortzone komen”, zei de vrouw die bij ons op Kantoor de workshop ‘Bereik je doelen’ leidde. Ik schoof mijn stoel naar achteren, liep naar voren en gaf de vrouw een enorme knal voor haar hoofd. “Oh jee”, zei mijn collega M. die me had overgehaald om mee te gaan. Een vrouw achter hem sloeg een hand voor haar mond. Maar naast haar begon een man met zwarte krullen te giechelen. Wie er begon met klappen was niet duidelijk. Aarzelend vielen anderen in. Het zwol nogal aan allemaal. Het applaus kreeg een ritme; her en der klapte een aansteller nadrukkelijk langzaam. Ik stak één hand op en liet de menigte bedaren. Daarna nam ik weer plaats in de zaal, wreef mijn knokkels en vroeg me af wat er precies met je zou gebeuren als je daadwerkelijk een workshopleider tegen de grond sloeg. Zou er politie bij worden gehaald eigenlijk? Iemand zou het een keer moeten uitproberen.

Want de comfortzone klinkt súpergezellig – maar hij is dat allerminst. Het akelige van de comfortzone is namelijk dat we net lekker lagen maar dat we er als de sodemieter uit moeten. Jij gaat dood als je voor grote groepen mensen moet spreken? Hatsee, komende dinsdag gewoon doen! Je bent bizar slecht met getallen? Hier heb je een trap onder je kont en een rekenmachine! Het is onduidelijk wanneer de comfortzone precies de oversteek vanuit Amerika maakte maar het mag duidelijk zijn dat we sindsdien geen relaxte dag meer gehad hebben. Als één ding bewijst dat calvinisme van alle tijden is, dan is het wel de comfortzone. Het probleem zit hem in de verwerpelijke overtuiging dat we het áltijd beter moet kunnen dan we eigenlijk kunnen. En, misschien nog wel verwerpelijker: dat het nastrevenswaardig is om dingen te doen waar je je niet echt chill bij voelt. Je gaat met plezier naar je werk? Wacht, daar verzinnen we iets op. Leidinggeven, heb je dat al eens gedaan? Maar hoezó zou je dat niet durven!? Ik kan u Kantoortuinen aanwijzen die zijn vergéven van werknemers die zo hop vanuit hun comfortzone in de shit zijn geraakt – en hele afdelingen hebben meegesleurd in hun ongeluk. Dus laat ik het eens scherp stellen: voor de meeste mensen op aarde is het het beste om helemaal nooit uit hun comfortzone te stappen. Speel liever ’s avonds een potje Risk en ga dan gewoon lekker slapen.
De ‘stap uit je comfortzone’-mythe is maar één van de vele uit het therapeutendiscours overgewaaide voorschriften en inzichten over hoe je het beste kunt leven en een gelukkige staat van zijn bereikt. Die selfhelp-mantra’s zijn op geniepige wijze common sense-gedachtegoed geworden, waarmee de mensen zichzelf en elkaar bij voortduring om de oren slaan. Het punt: veel van die how to’s zijn gewoon… enfin, totale onzin dus. Hieronder nóg vijf geluksmythes, debunked.

Mythe 1 Wees jezelf
Voorstel: Wees minder jezelf
Het is wel verwarrend soms. Werden we zojuist nog gepusht uit onze comfortzone te stappen, aan de andere kant moeten we juist vólcontinu in contact met met onszelf blijven. Een veelgehoorde opdracht die medemensen elkaar geven: “Wees gewoon lekker jezelf”. Een veelgehoorde evaluatie van een date, sollicitatie of cursus origami: “Ik had wel het idee dat ik mezelf kon zijn.” Een veelgehoorde reactie op kritiek: “Euh sorry hoor, ik was gewoon mezelf.”
Omdat je, puur feitelijk, al de hele tijd degene bent die je bent, lijken het overbodige opmerkingen. Zo kun je immers moeilijk iemand aanraden een ander te zijn hoewel het soms best wenselijk zou zijn – maar dit dóe je gewoon niet. Het punt is: als het zó vaak gaat over jezelf zijn, dan is dat niet voor niks. Blijkbaar is het voor de meeste mensen ontzettend belangrijk aan de lopende band hun uniciteit te benadrukken. En van daaruit: hun tevredenheid of onvrede over de rest van de wereld. Ik weet niet of jullie dat wel eens hebben gedaan maar ik heb wel eens ingezoomd op mijn woonadres in Google Maps en daarna dan langzaam uitzoomen. Net zo lang tot je alleen nog maar continenten ziet. Schitterend! En ook schokkend om de dingen in perspectief te zien: OMG, wie bén ik nu helemaal.
Nou ja, mezélf dus. Inhoudelijk gezien stelt dat ‘jezelf zijn’ trouwens teleurstellend weinig voor: de meeste mensen bedoelen ermee dat ze gewoon lekker hun ding willen kunnen doen, zonder te veel gesodemieter en misschien met een blokje kaas erbij, gezellig.

Mythe 2 Ga in je kracht staan
Voorstel: Doe voorlopig even niks.
De mogelijkheden van dit voorschrift zijn schier eindeloos. Telt u even mee. Zo kun je zelf in je kracht gaan staan. Je kunt in je kracht worden gezet. Je kunt anderen in hun kracht zetten. Ook wel eens gehoord: “Nu moet je ervoor zorgen in je kracht te blíjven!” Maar vaak moet je wel eerst even “over je schaduw heenspringen”, voordat je écht in je kracht et cetera.
Wat helder is aan deze zelfhulpmythe: je moet in elk geval niet slecht ter been zijn. Wat niet helder is aan deze mythe: de hele flikkerse rest. Want wat the hell ís het eigenlijk, in je kracht staan?! Waar de mensen die dit soort vaagtaal spreken allemaal prima lijken te weten waar dit over gaat, doemt bij mij altijd het beeld op van iemand die wijdbeens in een bushokje staat. Of in een rij bij de bakker. In je kracht staan, je moet het denk ik eerst snappen en daarna een keertje uitproberen.
Er zijn trouwens wel meer adviezen met een sterk fysieke component en daarvan weet ook niemand hoe het precies zit. “Laat het los”, bijvoorbeeld. Of juist het omgekeerde; zo hoorde ik pas: “Omarm je verkoudheid, dan ben je er sneller vanaf.” Iemand in zijn kracht sláán, is dat ook een optie?

Mythe 3 Volg je intuïtie
Voorstel: Gebruik je verstand.
Wat zo leuk is aan het menselijk ras is dat er hersens bij betrokken zijn, die op zich best complex in elkaar zitten. Toch hoeft er in het gezelschap maar één persoon te zeggen: “Maar dat voel ik nu eenmaal heel sterk” en alle valide argumenten vallen plat voorover neer op tafel, morsdood. Gevoel wint altijd, wie zijn beleving in de strijd werpt, kan rekenen op een respectvolle stilte. Stamt nog een beetje uit de jaren zeventig, toen men begon met propageren dat je niet alleen dicht bij je emoties moest zien te komen, maar dat je ze er vooral ook állemaal uit moest gooien. Maak van je hart geen moordkuil, want straks ga je dood aan opgekropte emoties en dat zou ook weer zonde zijn. Wat blijkt: die mensen houden geen sociale contacten meer over! Want niemand zit te wachten op mensen die nu eenmaal heel sterk de behoefte hadden dit even met je te delen.
Natuurlijk, gevoelens mogen er gewoon zijn, ik bedoel: we hebben ze nu toch. Maar zie ze een beetje in perspectief. Geldt ook voor als je intuïtie, de rekenmachine van gevoelsmensen, zegt dat “er iets niet pluis is”. In realiteit is dat gewoon een klinische optelsom van eerdere ervaringen. Door je hersens dus. En schrééuwt uw intuïtie dat deze man echt helemaal oké is, dan spreek ik u over enige maanden nogmaals. Emotie is in allerhande zaken vervelend genoeg vaak eerder de slechtste raadgever dan de beste. Vandaag voel je dit, morgen voel je ineens dat, enfin, ik hoef u daar niets over te vertellen. Zeg dus eens wat vaker “Ik ga daar nog eens goed over nadenken.” En dan ook echt dóen.

Mythe 4 Geluk is een keuze
Voorstel: Soms heb je gewoon pech.
Het klinkt zo gezellig. Maar slecht nieuws, want het is zonder twijfel de meest tricky mythe, of moeten we het een religie noemen? Varianten van het geloof dat geluk een keuze is: “The sky is the limit” en “Alles lukt, als je het maar wilt.” Centraal daarin staat een moeizame verhouding met de realiteit, want: wat nu als het je toch onverhoopt niet lukt? Oh wacht, dan heb je het gewoon nog niet hard genoeg gewild. Ja, zo kan ik het ook.
Een gevaarlijke denkwijze, omdat hij nogal aanschuurt tegen de orenmaffia, die zelfs vreselijke ziektes ziet als de dodelijke consequentie van verkeerd denken. (Op zich een heel grappige gedachte, als het niet zo ernstig was dan.) Als geluk een keuze is, is ongeluk dan ook een keuze? Ja natuurlijk, en vandaar dat de eigen-schuld- dikke-bult-mythe veel ploeterende mensen erg ongelukkig maakt. Hebben ze dan niet hard genoeg hun best gedaan? Nee hoor, soms heb je gewoon pech en kom je gewoon de goeie mensen niet tegen. En de verkeerde mensen wel. En je hebt je personality natuurlijk ook niet voor het uitkiezen. Al is dat natuurlijk vloeken in de kerk die Totale en Algehele Zelfbeschikking heet. En waar net iets te veel mensen belijdend lid van zijn tegenwoordig.

Mythe 5 Denk in uitdagingen
Voorstel: Denk in problemen.
Iedereen kent wel iemand die bij de geríngste verwijzing naar een kinkje in de kabel bezwerend de hand opheft en met overslaande stem roept: “Dat is geen probléém, dat is een úitdaging.” Nog los van het feit dat dit vaak donders irritante mensen zijn: misschien maakt u zich er zelf ook wel eens schuldig aan. Oh jawel, zou heel goed kunnen. We zijn nu eenmaal gevangenen van een samenleving die het woord probleem nauwelijks meer durft uit te spreken en als door een wesp gestoken reageert als een ander dat wel doet. Let er maar eens op hoe vaak het zinnetje “Dat is wel even een prob… een ding” wordt uitgesproken. Niemand, maar dan ook niemand wil worden geassocieerd met negatief in het leven staan, klagen om het klagen, en blijven hangen in ellende. Blinde positiviteit is het nieuwe ‘och, even aanzien hoe het verder gaat’ en is net iets te vaak totaal gespeend van enige realiteitszin.
Want, en de mensen die er niet tegen kunnen moeten nu maar even hun ogen dicht doen: het leven ís ook gewoon moeilijk. Laten we elkaar niet voor de gek houden, er is toch best een hoop ellende op de wereld. En soms heb je gewoon geen geld en wel een rotjeugd gehad. Dat biedt niet stante pede kansen, nee, dat is gewoon zwaar verdrietig. Het is precies het stilstaan bij de rottigheid die ons steeds lastiger af gaat. Want ergens de schouders onder zetten ziet er nu eenmaal een stuk aantrekkelijker uit dan de schouders laten hangen. Terwijl dat soms wél een adequate reactie is op tegenspoed en ellende. Eerst eens even huilen. Of je kapot schamen. Of spijt hebben – óók al zo’n taboe these days. Het hoeft allemaal niet op Facebook hè, niemand hoeft het te zien. Eerst wonden likken, en daarná krijg je vast nog wel de kans om er hopelijk alsnog iets van te maken. Of niet, want what doesn’t kill you maakt je meestal wel een beetje beschadigder.
Lijkt stilstaan bij uw problemen u desalniettemin lastig omdat u er nog steeds vanuit gaat dat het leven “een feestje” moet zijn? Zie het als een Uitdaging, wordt het direct een stuk leuker van. Niet makkelijker trouwens. Maar enfin.

Dit artikel stond op 14 februari 2015 in Volkskrant Magazine

ouwe jongens

Het moet rond het begin van de jaren tachtig zijn geweest dat ik de poster waarop Björn, Benny, Anni-Frid en Agnetha knus in een helikopter zaten in één ruk van de muur trok en verving door een poster van Robert Smith van The Cure. De man met de lippenstift. De eyeliner. En met het kapsel waarin een hele muizenfamilie een penthouse zou kunnen inrichten. Later die dag staarden mijn vader en moeder naar Robert Smith. Robert staarde mistroostig terug. “Allemachtig, wie is dat”, zei mijn vader die zich als eerste herpakte. “Is die jongen ziek misschien”, zei mijn moeder. Ik snoof, want tussen mijn dertiende en mijn zestiende snoof ik alleen maar tegen mijn vader en moeder.
In eerste instantie was Robert Smith slechts een middel. Doel: het aan de haak slaan van de Oudere Jongen van wie ik wist dat hij een sucker was voor de zwartgallige muziek van The Cure. Werkwijze: het uit het hoofd leren van alle nummers van hun meest misantropische elpee, om zodoende langs de neus weg een paar regels mee te kunnen zingen als ik ooit eens tegelijk met de Oudere Jongen op een feestje zou zijn en ze net op dat moment een nummer van The Cure zouden draaien. De Oudere Jongen zou zijn ogen belangstellend dichtknijpen. Hij zou op me af komen lopen en vragen of ik misschien een vuurtje had. Ik zou hem een vuurtje geven, ik had een aansteker. Direct daarna zouden we nog lang en gelukkig leven.

Maar vooralsnog was het niet zover. Ik was bebrild, om maar één probleem te noemen. En er waren dagen dat Robert Smith me nog meer bereikbaar leek dan mijn Oudere Jongen die volgens de geruchten helemaal nooit naar feestjes ging maar de hele dag in bed lag. Hoewel ik me bij Robert Smith dan weer moeilijk kon voorstellen dat hij op een keer bij mijn vader en moeder zou moeten komen koffiedrinken. Ik wist niet precies wat er dan mis zou gaan, maar dát er dingen mis zouden gaan, daarover bestond geen twijfel. Het was meer de vraag of er wel dingen goed zouden gaan. Waarschijnlijk zou het erop uitdraaien dat ik het huis werd uitgegooid. Maar gelukkig hadden we daarna altijd elkaar nog. Hoewel het niet altijd even makkelijk zou zijn. “Heb je zin om naar de kermis te gaan, Robert?” “Nee ik wil dood.” Activiteiten blíjven aanbieden zou dan het devies zijn.

En dan nu: negen andere mannen uit mijn jeugd, die op de een of andere manier hun sporen hebben nagelaten – of ik dat nou wilde of niet.

WEIRDO: Swiebertje
Landloper. Lowlife. Zou nu een DSM-5-diagnose hebben, iets met problemen op het gebied van de impulsbeheersing. Swiebertje werd omringd door een aantal personen waarvan je pas als volwassene ziet dat het allegorieën zijn. De goudeerlijke keukenmeid, de deftige burgemeester, de boze veldwachter – geen cliché was te gek voor de jaren zeventig. Als kind had je geen idee. Je was dol op Swiebertje, gewoon omdat het de Swiebert was. Nu moet ik erbij zeggen dat ik altijd wel hoopte dat Swiebertje gewoon eens een keer normaal zou gaan doen. En bijvoorbeeld een sociale huurwoning zou accepteren. Nope.

 

CREEP NEXT DOOR: Rick Astley
Zeg nooit: Ashley. De knappe boy-next-door slash ideale schoonzoon met het welluidende stemgeluid. Bij uitstek een nétte jongen ook – en een beetje een melkmuil maar dit zeg ik met liefde. Had een paar hitjes maar is vooral beroemd geworden met ‘Never gonna give you up’. Dat zal ook aan de lyrics van het nummer hebben gelegen, waarin minimaal zeven oprechte intenties omtrent eeuwige liefde zaten. Ik geef het nooit op met je. Ik stel je nooit teleur. Ik zal je nooit verlaten. Nooit aan het huilen maken. Et cetera. Stukje context: we schreven de jaren tachtig, inclusief die vermaledijde Tweede Feministische Golf. Rick Astley was er het levende bewijs van dat ook mannen wel degelijk een stukje gevoelsgebeuren openlijk durfden te uiten. Wat zeg je, Rick? I just wanna tell you how I’m feeling? Snap ik, snap ik, jouw kant is óók belangrijk.
Als jong meisje kon ik deze onvoorwaardelijke overgave wel waarderen. Maar nu, als oude vrouw, denk ik: potverdomme jongeman, dat ís nogal wat, wat je daar allemaal zegt. Laten we wel wezen: wie wil er nou een man die, al voordat je überhaupt getongd hebt, roept dat hij je nooit zal verlaten, nooit zal opgeven et cetera? Hoe weet je zoiets van tevoren man?! Ik krijg geen adem Rick! Creep-alert.

 

HORROR-MAN: Erik Engerd
Een oom van mij zat in een inrichting en zo kwam het dat ik zo’n beetje opgroeide met ijzingwekkende kreten vanachter dikke dichte deuren, verwilderde blikken van verwilderde mannen en blote piemels die me tegemoet renden. Toch lag ik hier als zesjarige geen seconde van wakker. Nee, er waren in mijn vroegste jeugd maar drie dingen waar ik écht bang voor was: God, de valse herder van de overburen en natuurlijk Erik Engerd uit de Stratemaker op Zee Show. Ik keek elke uitzending met een van ontzetting voor de mond geslagen hand. Ik zweer het: alle malloten die ik kende uit de inrichting verbleekten bij Erik Engerd. Dus dan moet hij wel serieus eng zijn geweest. Nog steeds schrik ik soms ’s nachts wakker. Superbedankt, Joost Prinsen.

 

KAUWGOMPUBER: John Travolta
Also known as Danny Zuko uit Grease. Stoere bink die tijdens de schoolvakantie de maagdelijke Sandy opduikelt maar net doet of hij gek is als blijkt dat ze op dezelfde high school als hij zit. Wát een eikel. Of nou ja, een beetje een druiloor. Of eigenlijk een best wel guitig jong. Oké let’s face it, echt een lekker stuk, zoals wij dat in die tijd noemden. En onder ons gezegd en gezwegen: zelf vond ik de havo óók nogal lastig, qua peer pressure.
Het punt was: Danny was in de aard der zaak wel een gevoelige jongen, maar veel te cool om daar iets mee te kunnen. Ja, láter misschien, zo verraadt zijn met gebroken stem gezongen nummer Sandy (“when hi-igh school is done”) maar nu dus even niet. Op het gebied van karakterontwikkeling gebeurde er met Danny Zuko dus niet veel in Grease. Danny was wie hij was en dat was nou eenmaal Danny. Gelukkig zijn vrouwenidentiteiten van oudsher een stuk meer fluïde. Na enig gelamenteer en een hele hoop tranen stak zijn tegenspeelster (Olivia Newton-John) zich in het leer en een sigaret op. Ja, je bent hopelessly devoted of niet, natuurlijk. En zo kwam alles toch nog goed.
Ik heb me wel eens afgevraagd hoe het met Danny en Sandy zou aflopen, na de aftiteling bedoel ik. Het antwoord is: niet goed. Komt door het einde van Grease. Een volwassen Danny had die kauwgom kauwende hoer even goedkeurend van top tot teen bekeken maar direct daarna gezegd: “Hé moppie, dit hoef je allemaal niet te doen, trek gerust je gele plooirok aan, je bent namelijk goed zoals je bent.” Maar Danny grijnsde alleen maar verlekkerd. Wat een eikel. Ik ga ervanuit dat Sandy, na een jaar zichzelf verloochenen, Danny uit het raam heeft gegooid. Morsdood.
Oh wacht, we hadden het over John Travolta. Nou, die leeft zélf nog wel.

 

WIJZE MAN: Meneer de Uil
Dag lieve kijkbuiskinderen, ik weet niet hoe het jullie verging maar er was in de Fabeltjeskrant maar één personage dat ik echt serieus nam en dat was Meneer de Uil. Hij mengde zich niet in de waan van de dag maar bezag als een wijze commentator de gebeurtenissen in het dierenbos. Spannendste moment van de dag: als meneer De Uil het gekrakeel samenvatte en het slotwoord sprak: “Oogjes dicht en snaveltjes toe. Slaap lekker.” Dan was het wachten op de knipoog. En daarna moest je naar bed. “Maar hij heeft niet geknipoogd!” “Jawel.” “Niet.” “Jawel, en slapen nu.” Dus dat deed je dan, want onderhandelen met je ouders zou pas jaren later in de mode komen.
Je wist het nog niet, maar vanaf de Fabeltjeskrant zou je leven alleen maar complexer worden. Had je als kleuter geweten hóe oneindig veel complexer, dan had je misschien wel geprobeerd jezelf te elektrocuteren met de droogkap van je moeder. Maar ja, je was vier en je had geen idee of zoiets technisch mogelijk was.

 

OERVADER: Charles Ingalls
Plaats van handeling: een klein huis, op een prairie. Charles Ingalls werd gespeeld door de sympathieke Michael Landon, die ons veel te vroeg is ontvallen. De oervader der oervaders. Met halflang golvend haar en opvoedende skills waar professionals nog een puntje aan kunnen zuigen: liefdevol, communicatief en een moreel besef waar je jezus christus tegen zegt. Maar het állerbelangrijkst: hij was niet bang om te huilen. Wat zeg ik: van de tranen van Charles Ingalls had men die hele prairie tot een golfslagbad kunnen ombouwen. Dat sommige mannen niet minder man worden van een beetje water uit de ogen, daarvan is Pa Ingalls het levende bewijs. Of nou ja, het dode dus. Jammer, want na Charles Ingalls is er nooit een betere oervader gekomen.

 

ANITHELD: Calimero
Tekenfilm-antiheldkuiken. Niet echt een oerman, want Calimero is vooral bekend van het zielige “Want zij zijn groot en ik is klein en da’s niet eerlijk, oh nee.” En hoewel je soms dacht: OMG grow úp Calimero – ergens was er wel vaak een stuk herkenning. Ik had zelf ook wel eens het gevoel dat de hele wereld tegen me was en dit bleek inderdaad vaak zo te zijn. Maar zielig doen was er niet bij, ik was de oudste thuis en moest altijd overal boven staan, dus ik heb eigenlijk geleerd om de Calimero in mezelf weg te st… oké terug naar Calimero zelf. Die is in zijn eentje verantwoordelijk voor een heuse aandoening: het Calimero Complex, de angst om niet serieus te worden genomen. Schitterend! En als je zoiets voor elkaar krijgt, dan ben je dus eigenlijk een hele grote Calimero.

 

KNAPPE GOEDZAK: Bobby Ewing
De hunk in Dallas. Man van de rondborstige Pamela Ewing met wie hij een respectvolle, communicatieve snurkrelatie had. Bobby Ewing werd aan álle kanten belazerd en de meeste shots waarin hij te zien is, bevatten dan ook een gepijnigde Bobby-blik. Zat zo: Bobby had een goed hart en kon zich maar moeilijk voorstellen dat andere mensen bijvoorbeeld niet eens in het bezit waren van een hart. Terwijl hij toch was opgegroeid met zijn evil brother JR en beter had kunnen weten. Enfin, ik was sowieso Team Bobby, vooral wegens zijn schattige goedzakkerigheid. Precies het type man met wie ik later zou gaan trouwen. De liefde werd iets minder toen Bobby in de serie doodging, maar wegens de daarna instortende kijkcijfers weer tot leven moest worden gewekt. Het was al die tijd… een droom geweest! Ja doei. Nooit meer goed gekomen.

 

TOI TOI TOI-oom: Ted de Braak
Type: de iets te luidruchtige oom die wel altijd vraagt hoe het op school gaat maar nooit luistert naar het antwoord. Toch is het altijd wel gezellig om in elk geval één zo’n oom in de familie te hebben. Ted de Braak presenteerde vooral ‘familiespelshows’ (óók NCRV!) en die waren exact zo truttig als het woord suggereert. Dit gezegd hebbende: het stokvangen! Ze-nuw-slopend! Verder waren de shows vooral pijnlijk-vertederend, zeker bezien vanuit het jaar onzes heren 2014. “Wat is de eindstand Mariëtte?” “Negenenzeuventig gulden en vierenveertig cent.” “ En wat hebben zij NIET gewonnen, Mariëtte? “Deze werkelijk unieke muntenverzameling.” Een múntenverzameling. Als je zoiets anno 2014 in je prijzenpakket stopt, krijg je als presentator een knal voor je harses. Wat zijn we toch verrot geworden.

Dit artikel stond op 8 november 2014 in Volkskrant Magazine

robinson

Ik ben in het geheel geen survivor, ik ben meer een afhaker. Dus als ik me voorstel dat ik mee zou doen aan Expeditie Robinson, komt er direct één beeld boven: ik lig in een oerwoud te kreperen. Nou ja en dan is de rest makkelijk in te vullen. Twee mannen in witte jassen buigen zich bezorgd over me heen. Of ik weet welk jaar het is. (Dit vind ik sowieso altijd een lastige vraag.) De dokters wisselen een blik. De één schudt haast onmerkbaar zijn hoofd, de ander maakt een keeldoorsnij-gebaar. Voor ik het weet glijdt het eiland Mensirip onder mij voorbij. Zeven stipjes zwaaien naar me. Doei Team Zuid, het waren twee geweldige dagen.

Enfin, ik zou aflevering één van Expeditie Robinson dus beslist niet overleven. En ik heb dan ook helemaal níets met de drive om je op een onbewoond eiland uit te hongeren, af te laten beulen en misselijkmakend krioelende larven te eten. Natuurlijk, in de woorden van de kandidaten klinkt het beter, die willen zonder uitzondering “ervaren hoe ik ben onder de meest extreme omstandigheden” en vooral ook “ontdekken waar m’n grenzen liggen”. Maar in the end komt dat toch vooral hierop neer: overleven op crashdieeteiland waar je niets heb, behalve honger. Zeven rijstkorrels, op acht mensen. Die ook nog eens allemaal hun eigen personality meebrengen.

Dat móet haast wel fout gaan. En dat doet het natuurlijk ook, al veertieneneenhalf seizoen lang. Een schát aan sociale interacties gone wrong dus. Botsende karakters galore. Net als in het gewone leven dus, alleen dan in een soort snelkookpan. Want een paar fouten en de groep stemt je rücksichtslos weg. Tijd voor een lijstje Essentiële Levenslessen die we hebben geleerd van Expeditie Robinson – in één ruk door te vertalen naar de kantoortuin en je privérelaties.

Levensles 1 Beheers je emoties.

Emoties zijn goed. Emoties horen erbij. Zonder emoties geen emoji’s. Maar: je hebt huilen en huilen. Een traantje wegpinken? Kan. Maar valt van het traanvocht een heel behoorlijk cup à soup-moment te creëren? Kan niet. Natuurlijk, soms wordt het een Robinson-kandidaat allemaal te veel. Je bent ver van huis, je hebt een diepe haat aan kokos en de stellige indruk dat de mensen over je lullen. Dan is een lekkere huilbui gewoon soms nodig om het allemaal weer in perspectief te zien. Maar potverdikkie, doe het dan in vredesnaam in de privacy van je eigen klamboe!

Het is eigenlijk net zoals op Kantoor. Als de opwellende tranen het zicht op je Facebookpagina beginnen te blurren: sluip éven naar de meisjes-wc en brul tijdens het doortrekken je ellende eruit. De mensen hebben namelijk in principe diep, díep medelijden met hen die ontroostbaar huilen, maar daarna fronsen ze hun wenkbrauwen. Iets bevalt ze niet aan huilende mensen en dat is: het huilen. Het begint met een l en eindigt op abiel. Hier winnen we de oorlog niet mee.

Levensles 2 Stel je bescheiden op.

Regel één voor wie bij Expeditie Robinson een paar wegstemrondes wil overleven: wees niet te zeer vervuld van jezelf, óók niet wanneer je daartoe alle reden hebt, bijvoorbeeld vanwege je triceps. Als je alle Robinson-afleveringen met elkaar vermenigvuldigt en deelt door het aantal spierballen, dan komt er één ding duidelijk naar voren: blaaskaken worden er uiteindelijk unaniem uit gestemd. En nee, dat is teamsgewijs niet altijd even handig, want zo win je dus nooit meer een proef, moet je elke keer naar de Eilandraad en kan het voltallige Kamp Noord binnenkort in hetzelfde vliegtuig als die patser naar huis (“Oh… hoi. Jij hebt 54B? Ik 54C”). Maar het is niet anders. De mens straft nu eenmaal graag de medemens af die al te zeer met zichzelf ingenomen is. Hatsee, extra stem en opzouten.

Net als in het gewone leven geldt dat wie roept hoe goed hij wel niet is, erom vráágt om een kopje kleiner te worden gemaakt. De meest succesvolle Robinson-patsers rollen dus niet te veel met hun spierballen en trekken een bescheiden gezicht, óók als ze zojuist een uitzonderlijke prestatie hebben neergezet door bijvoorbeeld in dertig seconden het hele eiland met de hand om te spitten.

Levensles 3 Wees niet te negatief .

Net als pessimisten hebben ook negatievelingen bijzonder vaak gelijk over de staat van de wereld en waar het met ons naartoe gaat (we gaan er allemaal aan). Maarre, do you wanna be right or do you wanna be happy, om die goeie ouwe dokter Phil maar eens aan te halen. Precies! Van een doemdenker wordt niemand gelukkig. Die zuigt alle energie uit de medemens weg – en op een onbewoond eiland waar niemand meer vetreserves heeft, kun je dat gewoon niet gebruiken. De rest van de groep is dan ook geneigd om langzaam maar zeker afstand te nemen van de azijnzeiker. Misschien wel van evolutiewege, want zo’n attitude kon natuurlijk in de oertijd ook al niet: “Right. Speerwerpen naar een buffel. Ik dacht het niet. En trouwens ik lúst niet eens buffel, denk ik.” Als mensen negatievelingen serieus zouden nemen, dan zaten we nu nóg in de prehistorie.

Levensles 4 Denk er het jouwe van.

Het is een groot misverstand dat alles wat je denkt ook uitgesproken zou moeten worden. Zin om met de nieuwe buurvrouw overspel te plegen? Zeg nog maar even niet tegen je partner. De behoefte om je baas te wijzen op zijn intelligentie-coëfficient? Nah, ik weet niet. Iemand staat op het punt een kokosnoot op zijn hoofd te krijgen? DIRECT MELDEN!

Kijk, zo simpel kan het wezen. Het idee dat je moet uiten wat er binnen in je speelt, stamt nog uit de terapeutiese jaren zeventig, toen de mensen begonnen te denken dat het belangrijk was om ‘helemaal jezelf’ te zijn. En dat het innerlijk een beerput was die om de zoveel tijd geleegd moest worden. Zit wat in. Je maakt er alleen niet altijd vrienden mee dus. En uit alle seizoenen Robinson is gebleken dat het heel erg loont om soms gewoon je grote mond te houden. Juist de meer onzichtbaren, die zich op de vlakte houden en niet óveral iets van vinden (of doen alsof), redden het vaak tot in de finale.

Bang dat je op deze manier niet ‘helemaal jezelf’ kunt zijn en dat al die opgekropte emoties er dan op een andere manier uit zullen gaan komen? Stel je niet aan.

Levensles 5 Wees een rat.

Bij Expeditie Robinson zit altijd wel een deelnemer die fris en onbevangen de wereld in blikt en ab-so-luut geen spelletjes wil spelen. Deze deelnemer noemen we ook wel: de eerste afvaller. De anti-rat zelf ziet dit totaal niet aankomen en wordt vaak gefilmd tijdens het doen van uitspraken als “We hebben een heel fijne groep” (haha) en “Ik voel me superveilig bij hem, we zijn echt vrienden” (HAHAHA). Heading for disaster. De anti-rat is dan ook de deelnemer die je gedesillusioneerd, hélemaal naar de kloten en weggestemd aantreft op een Eilandraad (“Je bent een fucking naaier, Manuel”). Het is heel rot om dat aan te zien en dat komt waarschijnlijk omdat de anti-rat ons doet denken aan wat oorspronkelijk de bedoeling van het mensenras is geweest.

Enfin, voor meer info over de rat moet u denk ik bij levensles 6 zijn.

Levensles 6 Wees geen rat.

Kijk, beste ratten, het komt al-tijd uit. De échte rat in Expeditie Robinson haalt namelijk net zo min de finale als de anti-rat. In eerste instantie lijkt er geen vuiltje aan de lucht. De rat aait, naait en paait er lustig op los. Maar dan raakt de rat, overtuigd van zijn eigen charmes, verstrikt in een web van leugens en bondjes en op een gegeven moment denken zelfs zijn sukkeligste groepsgenoten: wacht eens even, klopt dit wel helemaal?! Eh nee, natuurlijk klopt dit niet helemaal!

Het is overigens grappig om te zien hoe ontredderd de rat is als hij zélf ineens wordt weggestemd. De rat mag dan een meester zijn in het smeden van complotten en daarbij over lijken gaan, het idee dat hij er zelf ook slachtoffer van kan worden, is voor hem nauwelijks te verdragen.

Ik vraag me wel eens af hoe het de rat vergaat ná Expeditie Robinson. Het lijkt me dat er tot in lengte der dagen met een schuin oog naar je wordt gekeken door geliefden, vrienden en collegae. “Zullen we samen op fietsen naar Kantoor?” “En wat wil je dáár weer mee bereiken HUFTER???!” Het wordt nooit meer zoals het was, rat. Eigen schuld, dikke bult.

Levensles 7 Maak álles tot je comfortzone.

Expeditie Robinson is natuurlijk het ‘uit je comfortzone stappen’ voor gevorderden, wat zeg ik voor lunatics. Toch heeft de één daar duidelijk meer talent voor dan de ander.

Er zijn kandidaten die onverhoopt zeer unheimisch worden van levende natuur en bij het minste geluid in een boom springen. Sommige mensen weten al bij de eerste aanblik: oh shit, dit was een fout. En anderen overleven maar nauwelijks een verandering van eiland. Dat is het type dat ook in het normale leven niet gedijt bij afwisseling en al doodgaat bij het idee van de flexibele werkplek. Die verstarring leidt bij Expeditie Robinson gewoonlijk tot banaanobstipatie, kokoslethargie en in the end de zogenaamde hangmatziekte. En ja, tuurlijk, hangmatten zijn óók comfortzones, maar je wint er niet bepaald het respect van je groepsgenoten slash concurrenten mee. Dus voor je het weet, slaap je dan weer in je enige echte comfortzone in Almere Poort.

Tegenover al die kinderachtigheid staat het jaloersmakende gemak waarmee de die-hard overlever overal zijn plekkie van maakt. Slaapt gewoon dwars door het apengekrijs hen. Kan nog een comfortabele living van een mangrovebos maken. En draagt elke ontbering zo blijmoedig dat het bijna zeer doet. Dat is dus een échte Robinson. Het kan geen kwaad om daar een beetje bij in de buurt te blijven – wie weet is het besmettelijk.

Dit artikel stond op 11 oktober 2014 in Volkskrant Magazine

kapper

“Sorry, héél even over mijn haar”, zei ik tegen kapster T. die knipte zoals ze praatte: veel. Heel veel. En het ging allang niet meer over mijn haar. Na mijn haperende suggesties over welk kapsel het best bij mijn sprankelende personality zou passen, had kapster T. opgemerkt: “Ja leuk. Maar dat lukt niet met jouw haar.” Dus dat onderwerp was tijdelijk geparkeerd, zoals ze bij ons op Kantoor altijd zeggen als ze de zaak afblazen.

Kapster T. had twee keer met haar schaar in de lucht geknipt, het had iets van een startschot. Direct daarna had de slachting een aanvang genomen. Evenals de woordenstroom, featuring de grootste lamzak uit de geschiedenis: de man van kapster T. die haar had verlaten, of nou ja verlaten, hij had haar bedrogen met een vrouw uit Ede/Wageningen en toen had zij gezegd: als je dat nog één keer doet, en hij had het nog één keer gedaan. En toen nog een keer en daarna nog eens, dus in totaal vier keer. En toen was hij nooit meer teruggekomen, dit was nogal onverwacht.

Een overvloed aan blond haar was naast me op de grond gedwarreld. Ik had er lange tijd via de spiegel naar gestaard omdat het zo’n schitterend gezicht was. Totdat me was ingevallen dat het mijn eigen haar betrof. En dat ik straks zonder dat haar op de fiets zou zitten. Als kapster T. al lang weer haar woorden in de nek van de volgende klant spuwde, en de volgende. En alle klanten daarna. Terwijl ik de komende nacht met wijdopen ogen in het donker zou liggen staren en tevergeefs zou proberen het haar bij mijn schouder te vinden.
Ik stak een vinger op, zoals ik ook wel eens in de tandartsstoel mijn vinger opsteek, waarna de tandarts dan een korte boorpauze inlast. Als het meezit dan – ik had ooit een tandarts die mijn vinger ijskoud terug naar beneden duwde en onverstoorbaar doordrilde. IJlings trok ik mijn vinger in, kapster T. leek me in staat om hem er gewoon in één beweging af te knippen.

“Dus ik zeg, als je iets belooft, dan moet je het wel namaken, ja zo sta ik er dan in”, zei kapster T. Ze kwam achter me staan en schudde het overgebleven haar op alsof het een pan kruimige aardappels was die net was afgegoten. We keken samen in de spiegel. Ik deed mijn ogen dicht. Ik ging ze voor eeuwig dichthouden. Ik deed mijn ogen open want je kunt je ogen natuurlijk niet voor eeuwig dichthouden. Kapster T. bewoog haar mond nog steeds –  en ik hád haar op zich wel een klap kunnen verkopen maar ik werd gehinderd door het besef dat er in het leven van kapster T. waarschijnlijk maar een paar mogelijkheden waren: doorpraten of ter plekke dood neervallen. En als de zaken er bij de ander zo voor staan, wie ben jij dan om zo iemand tot zwijgen te manen en dus in feite het leven te ontnemen. Daarom deed ik van binnenuit mijn oren dicht en zo kreeg ik het met enige moeite voor elkaar een coherente gedachte te formuleren: kop op, het groeit wel weer aan.

Want dat is je enige troost in het drama dat kapster heet: het groeit altijd weer aan. En uiteindelijk zelfs in die mate dat je – en dat is dan weer het slechte nieuws – opnieuw ter kapsalon moet. De plek waar al je angsten samenkomen in één stoel. Waar de sociale ongemakkelijkheid broeit in je altijd te strak dichtgeknupte kapmanteltje. Waar je je ego, samen met je pony, op de vloer terugvindt.

Enfin, hier komen ze: de problemen van elk kappersbezoek.

Het is met water
Leg uw hoofd maar even naar achteren in deze dodelijke knik. Maar erger: de haarwassing wordt onveranderlijk uitgevoerd door haarwasstagiaires die met hun gedachten nog bij de handen van hun vriendjes zitten en met de blik op oneindig vaag-erotische masseerbewegingen maken op de plek waar ze je hoofd vermoeden. Stage-opdracht één: het water hoort tappelings in beide oren te lopen. Stage-opdracht twee: het water moet óf te heet óf te koud zijn maar nooit precies goed. Stage-opdracht drie: maak de klant krankzinnig met een hoofdmassage. Don’t get me started on de hoofdmassage. Ik heb weleens al mijn moed bij elkaar geraapt en gezegd: ‘Ik hoef dus geen hoofdmassage hoor.’ ‘Prima!’, zei de haarwasstagiaire. En daarna gaf ze tóch een hoofdmassage. Dan staat je leven even stil hoor. Ik ben de dag nabij dat ik opsta, de haarwasstagiaire een draai om de oren geef en zelf in het keukentje mijn haar ga wassen.

Je moet luisteren
Nu snap ik ook wel dat je niet zwijgend in een kappersstoel kunt gaan zitten, je zwijgend omhoog kunt laten voetpompen, je zwijgend kunt laten knippen, je zwijgend naar beneden kunt laten voetpompen en zwijgend af kunt rekenen, maar nu ik het zo opschrijf denk ik: het zou wel mooi zijn, of niet soms!
Mijn ideale kappersconversatie gaat als volgt: de kapster en ik bespreken mijn toekomstige prinsessenkapsel in al heur fascinerende facetten, ik krijg een roddelblad, ik neem een ironische leeshouding aan, ik lees de Story van A tot Z, de kapster knipt mijn haren niet te kort, niet te lang en wel precies goed, ik maak een vriendelijke opmerking aan het eind, de kapster bedankt er beleefd voor, ik zeg doei, de kapster zegt doei-doei.
De realiteit is dat je tijdens een kappersbezoek nog geen seconde alleen bent met je eigen gedachten. Zie kapster T. – en haar vele zusters die er geen been in zien om hun hele verrotte leven over je heen te braken. In mijn fantasie schreeuw ik wel eens door de kapsalon heen ‘HALLO IK KOM HIER VOOR ME WELNESS JA!’ (Wellness is een term waarvoor iedereen ontzag heeft.) Oh, de geschrokken stilte die dan zou vallen, het deemoedig geknik. Een extra cappuccino, die me in stilte door een haarwasstagiaire zou worden overhandigd. Van nervositeit zou ze wat koffie op het schoteltje laten klotsen, ik zou haar minzaam toeknikken.
Ook erg: de conversatie is totaal klantonafhankelijk. Meestal hoor je bij het de deur uitlopen je kapster exact hetzelfde verhaal in exact dezelfde bewoordingen vertellen aan haar volgende klant. Ik snap ook wel dat de kapster geen vierendertig waargebeurde levensdrama’s paraat heeft. Maar goddamn woman, have you no shame?! Wacht dan tenminste tot ik op de fiets zit.

Je moet praten
Ik roep altijd dat mensen alles van me mogen weten, “behalve mijn pincode hahaha!’ – inderdaad een nogal sneue vorm van humor. Anyway, ik wil helemaal niet dat mensen iets van me weten. En zéker mijn kapster niet. De kapster zelf denkt daar over het algemeen heel anders over, die heeft een eindeloze interesse in alles wat groeit en bloeit en een normaal mens niet boeit. Dit leidt tot afschuwelijke conversaties als ‘Hoe is het op je werk?’ (‘Prima.’) en ‘Ga je nog wat leuks doen dit weekend??’ (‘Ja hoor.’) De stilte die hierdoor ontstaat is het soort stilte waarbij je bidt dat er iemand de voorpui ramt met een auto – zodat je tenminste van die ongemakkelijkheid af bent. Meestal gebeurt dat niet.
Pijnlijkste vraag van de kapster: wie er in godsnaam in je pony heeft zitten hakken?! Onveranderlijk was je dat zelf, op een avond waarop de wanhoop heel groot was. En daarna was de wanhoop links groter dan rechts. En dáárna rechts weer groter dan links et cetera. Soms echter ben je vreemdgegaan bij een andere kapster. Net als in het normale leven betrof het hier een zwak moment, je hoopte dat het bij de ander beter zou zijn, hoe dan ook, het is zaak hierover verder te zwijgen, desnoods tot de dood erop volgt.

Er is een spiegel
Je krijgt natuurlijk wel eens vaker een spiegel voorgehouden, maar meestal is dat op Kantoor dus dat kun je dan gewoon schaterlachend wegwuiven. Zo niet bij de kapper. Wie is die vrouw in die heksencape en dat platgeslagen macraméhaar? Fuckaduck, je bent het zelf. De spiegelconfrontatie is nogal enfin confronterend, ikzelf ben bijvoorbeeld op mijn naakst als mijn haar net gewassen is en op een schaal van nul tot tien heb ik dan een uitstraling van nul. Of, met iets meer welwillendheid beschouwd: die van een Staphorster boerinnetje, op zoek naar een kapsel waar de oorijzers als het ware zo in weg kunnen blenden.
De spiegel is moeilijk dus. Heel moeilijk. Het enige wat je ermee kunt, is het oefenen van nieuwe gezichtsuitdrukkingen die mogelijk nog eens van pas kunnen komen. Ik suggereer de sympathieke glimlach, de verbaasde wenkbrauwlift (voor in de Kantoortuin) en het ongelovig-geschokt wangzuigen (idem). Ik kom persoonlijk niet verder dan de geslagen hond met weinig uitzicht op een beter leven en ik zou haast medelijden met mezelf krijgen, als het er niet zo overdreven zielig uitzag.

Je wordt vergeten
Word je het ene moment nog totaal sufgeluld, het andere moment zit je alleen met je eigen ellendige haar. Je bent inmiddels een schitterend ongeluk, een vogelverschrikker met driehonderd stukjes aluminiumfolie in je haar. Dit is de fase waarin knappe mannen de zaak betreden. En met een beetje pech ben je precies voor het raam geposteerd, waar de hele wereld zich aan deze kermisattractie vergaapt. Toch maakt de stilte deze situatie tot een weldadige. Het oorsuizen trekt langzaam weg, je semi-geïnteresseerde gezicht kan zijn normale hangvorm weer aannemen, kortom: je ademt voor het sinds sinds je binnen bent uit.
Het omslagpunt ligt gemiddeld bij de 24ste minuut. Hm. Waar blijft ze? Ruik ik nou iets branderigs? Je schuift wat op je stoel, je buigt eens voorover, je staart van dichtbij in de spiegel naar het folie. Je haar is… wit. Je kijkt om je heen. Niemand ziet je zitten. Je kapster is pleite, waarschijnlijk rookt ze een sigaretje, ze eet een broodje, ze is even winkelen, ze heeft verdomme op staande voet ontslag genomen en is op de bus gestapt, dit dóe je gewoon niet!
Er is maar één oplossing: de fake-hoestbui, hét hulpmiddel voor hen die bang zijn om vergeten te worden.

Je bent failliet
Het is volbracht. Je bent je haar kwijt, je bent geföhnd op de wijze waarop je (vermoedelijk) een poedel föhnt en je gaat strakjes gewoon even een paar weken in bed liggen. Of je nog een shampoo wilt. Nee natuurlijk niet, je hebt thuis namelijk ongeveer dertig flessen shampoo staan voor slap suf dor rusteloos pluizig onhandelbaar vet droog hoogbegaafd gecombineerd probleemhaar. Anderzijds: in theorie is het mogelijk dat uitgerekend deze shampoo het antwoord is op al je persoonlijke problemen. Bijvoorbeeld door de revolutionaire technologie met kussenachtige deeltjes. Kussenachtige deeltjes! Dat zijn dus hoogstwaarschijnlijk precies de deeltjes waar je haar al jaren naar snakte! Maar je haar kon het zelf niet verwoorden. Arm haar. ‘Ik gebruik ‘m thuis zelf ook’, zegt de kapster en als je zo naar haar bizarre haar kijkt, is dat nog bijna aanleiding om je pinpas weer weg te stoppen. Maar je was al verkocht. Want je hébt al zo weinig illusies. En kom op, het was een zware middag.

Dit artikel stond op 21 juni 2014 in Volkskrant Magazine