BZV liefdesalfabet

Natuurlijk, het woord Verliefd moet hónderden keren zijn gevallen in de afgelopen acht seizoenen Boer Zoekt Vrouw. Net als Citytrip. Tractor. Mensenmens. Een Stukkie Warmte. Maar los van deze usual suspects durf ik er mijn hand voor in het vuur te steken dat er één term is die het állermeest is gebruikt: Mezelf Zijn. Of, als het over iemand anders ging: Jezelf Zijn.

Klein puntje: het ‘zelf’ is zo ongeveer het wazigste concept dat er bestaat. Soms is het een soort extra personage waarbij je in de buurt moet zien te blijven (“Ja ik ben heel dicht bij mezelf gebleven”) of zien te komen (“Ik kom steeds dichter bij mezelf.). Soms verwijst het naar een situatie van totaal welbevinden: “Ik kon mezelf zijn bij haar.” Maar de boer die zijn logé verweet: “Ik zou willen dat je wat meer jezélf bent”, bedoelde eigenlijk dat ze juist een ánder persoon had moeten zijn. Want zijn logé, die zich verdedigde met dat ze “hard heeft geprobeerd mezelf te zijn, maar ik ben gewoon altijd verlegen in het begin”, wás feitelijk al zichzelf met al haar gebloos – en heeft dus vooral geprobeerd mínder zichzelf te worden.

Moerassig gebiedje kortom, dat jezelf zijn. Toch evalueren alle Boer zoekt Vrouw-deelnemers zichzelf in deze termen bij voortduring helemaal kapot, hiertoe al dan niet aangezet door gevoelsdictator Yvon Jaspers. En, probleemterm of niet, iedereen weet er raad mee. Nog nooit heeft iemand Yvon besmuikt gevraagd wat ze er precies mee bedoelde, met dat jezelf zijn. Of terug geschreeuwd dat hij geen idéé heeft wíe hij zelf is – want dat is óók al zo’n drijfzanddingetje natuurlijk. Nee, je kunt er als deelnemer aan Boer Zoekt Vrouw maar beter iets over te melden hebben – en het maakt dus eigenlijk niet uit wát precies.

De preoccupatie met het diepste zelf in de zoektocht naar een gelukkig leven met een ander maakt direct weer even duidelijk wat het grootste verschil tussen Boer Zoekt Vrouw en de rest van de westerse wereld is: dat er weilanden bij betrokken zijn, met authentiek groen gras en authentiek zwartwit geblokte koeien. Verder verschilt Boer Zoekt Vrouw niet zo gek veel van het liefdesdiscours van de rest van de westerse wereld. Dus ook in seizoen 9 kijken we gewoon weer naar, enfin, onszelf.

 Nóg vier veelgehoorde termen uit Boer Zoekt Vrouw – en wat ze eigenlijk betekenen.

De Klik

Met stip op twee. Populairder dan de vonk, maar dat is logisch: geen enkele boer is gebaat bij affikkende hooizolders. De klik is een donders prozaïsch woord maar heeft vérstrekkende superpowers: het is immers de mogelijke opmaat tot levenslang liefdesgeluk. Het is wel een ráár ding; hij ís er namelijk (“Ja ik heb gewoon een klik”), of hij is er niet (“Ja nee, er is geen klik”) en daar helpt dus geen lieve vader of moeder aan. In die zin vormt hij ook een ideale afwijzingsstrategie: er valt immers niks tegenin te brengen en je kunt iemand moeilijk net zo lang in de zij prikken totdat er wél een klik is. Hoewel er in Boer Zoekt Vrouw minstens één boer is geweest die halsstarrig volhield: “Ik voel wel een klik. Van mijn kant dan.”

De initiële kliks zijn gebaseerd op de gebruikelijke onzinnigheden. Een knipoog, een zoen die verdwaalt in een oor, een net iets te lang oogcontact – alle dingen die in het gewone leven aanleiding kunnen zijn om even een andere treincoupé op te zoeken, zijn in datingsituaties als Boer Zoekt Vrouw de ingrediënten voor een klik van jewelste. Toch leert de geschiedenis van het programma dat de échte klik een best zakelijke optelsom der dingen is. De andere twee logeetjes blijken niet van gekookte aardappels te houden. Zij is al over een jaar klaar met haar studie. Er blijkt een gedeelde passie qua Rummikub. Evenzogoed zal het liefdespaar in kwestie dan toch altijd doen alsof de klik er op magische wijze vanaf het prilste begin al was – we maken allemaal graag een mooi verhaal van ons stotterende leven. Maar vergis je niet: het geluk in BZV gaat vooral over compatibiliteit en bestendigheid. Kun je jaar in, jaar uit samen in de stal staan zonder elkaar fysically, emotionally en spiritually helemaal kapot te maken? Is het antwoord ja, dan heb je dus: een klik.

Rugzakje

Ergens hoop je dat als een boer het over een rugzakje heeft, dat hij het dan over, enfin, een rugzakje heeft. Paar boterhammen met kaas erin, blikje sinas en hatsee, stukje kuieren maar. Maar nee. De rugzak is overdrachtelijk bedoeld. Als je relatietechnisch al wat langer meeloopt, dan “heb je gewoon een rugzakje”, gevuld met krenkingen en kwetsuren die je hebt opgelopen in het leven dat achter je ligt. Of juist geen énkele krenking, als je die boer bent die nog nooit een meisje heeft gehad. En dat is dan weer een krenking op zich.

Het rugzakje heeft duidelijk zijn oorsprong in de therapiewereld en is via het zelfhulpcircuit geruisloos in het dagelijkse (dating)spraakgebruik verzeild geraakt. Het is een belangrijk woord voor geliefden in spé. Het benoemen van je rugzakje wekt vertrouwen in een prille liefdessituatie. Het laat zien dat je beschikt over introspectie en zelfreflectie – dat je naar jezélf kunt kijken dus. En puur het feit dat de rugzakdrager besef heeft van zijn rugzakje zorgt voor geduld en begrip bij de ander. Opdat partner één er niet direct de brui aan geeft als partner twee eens een op onlogische momenten begint te schelden, in huilen uitbarst of relatief onschuldige geitjes knijpt. Komt ja gewoon door z’n rugzakje! Uiteindelijk is het wel de bedoeling dat je ook iets dóet met je rugzakje, want die bagage uit je verleden moet je natuurlijk wel “een plekje geven”. Meestal blijft dat plekje gewoon het rugzakje zelf, maar dat weet de ander aan het begin van de relatie gelukkig nog niet.

Overigens kán het natuurlijk zijn dat de boer het onverhoopt toch over een échte rugzak had. En kom dan nog maar eens weg van die boerderij in een land ver van hier. Tip: Google Maps.

Spontaan

Seksistisch containerbegrip. Spontaniteit is een eigenschap die speciaal is verzonnen voor het vrouwelijk geslacht; er zijn ook wel spontane mánnen maar die zitten keurig opgeborgen in een inrichting. De vrouw die een man zoekt, doet er goed aan zichzelf niet als het nadenkerige type te presenteren en wél als “spontaan”. Komt door de gehéle mannelijke sekse die altijd zeurt om “een vlotte, spontane vrouw met wie je kan lachen”. In Boer Zoekt Vrouw is dat niet anders. Over het algemeen gaat het dan niet om het type vrouw dat spontaan Shakespeare reciteert. Of spontaan een ingewikkelde som uitrekent. We hebben het hier eerder over het vlotte, babbelige type dat soms verschrikt de hand voor de mond slaat (“Wat heb ik er nú weer uitgeflapt!”). Ben jij die vrouw die niet al te diep nadenkt, een impulsieve inslag heeft en klaterend lacht? Dan ontvang ik jou graag op mijn boerderij. Zie de geïrriteerde boer die zijn bedeesde logeetje vroeg om alsjeblieft wat meer ‘zichzelf’ te zijn. Vertaling: wees in vredesnaam spontáán of ik gooi jou als eerste van de farm.

We moeten de spontane vrouw in Boer Zoekt Vrouw waarschijnlijk niet zoeken in het type ‘hele gekke meid’ die om half vier ’s nachts een kussengevecht initieert. Dit aangezien de boer er zelf al om vier uur weer uit moet en nachtrust is gewoon niet iets om grappen over te maken. Alle koeien voor de gein loslaten in het verkeerde weiland: wel spontaan, niet echt grappig Marieke. Maar wat dán? En waarom is de boer niet gecharmeerd van schitterende kwaliteiten als bescheidenheid, kalmte en een afwachtende houding? Oh wacht, die heeft-ie natuurlijk zélf al! Ja, nee, dan kan het inderdaad geen kwaad een instrumentele klik te zoeken met een ‘mensenmens’ met communicatieve skills. Want dan zou die eerste zoen nog wel eens binnen een half jaar kunnen vallen.

Passie

Waar je vroeger nog wel eens een bepaalde hobby had, bijvoorbeeld breien, kun je daar tegenwoordig niet meer mee aankomen. Wel met het breien, niet met het woord hobby. Ook in Boer Zoekt Vrouw constateren we een grote passie-inflatie. De passie van de boer ligt bij het boerenbedrijf. De varkens. Boerenkool verbouwen. De passie van zijn mogelijke eega zit hem in het gezellig maken van (nu nog) haar knusse huisje in de stad, het volkladden van kleurboeken voor volwassenen of, nou ja, breien dus.

In Boer Zoekt Vrouw wordt de passie te pas en te onpas de groene ruimte in geslingerd – maar verrassend genoeg gaat het dan dus nooit om het hoofdonderwerp van het programma. Nimmer wordt in Boer Zoekt Vrouw de term passie gebruikt in de ouderwetse zin van het woord: hartstocht of grote liefde. Gevoelens, ja voortdurend. Verliefdheid, alla. “Heb je kriebels?” “Ja ik denk het wel.” Maar het romantische liefdesideaal moet het blijkbaar niet hebben van ál te grote en meeslepende verlangens. En van passionele nachten al helemaal niet – het woord seks is denk ik nog nóóit gevallen in Boer Zoekt Vrouw.

Nee, het ultieme liefdesgeluk bestaat eruit dat je “elkaars maatje bent”. En dus dat er sprake is van een “gevoel van thuiskomen”. Geen termen die een zinderende hartstocht veronderstellen. Eerder een “gewoon, gezellig” soort voorspelbaarheid – zo nu en dan onderbroken door bijvoorbeeld een citytrip die niet lang en wel kort duurt. Maar dat is op zich natuurlijk meer dan genoeg. Zeker als je daarmee eindelijk wordt wie je eigenlijk altijd al had willen zijn: gewoon, jezélf dus. Maar dan samen.

Dit artikel stond op 27 augustus 2016 in Volkskrant Magazine

Advertenties

kantoorknaapjes

Het was in die dagen dat er een mail uitging van de hoogste bazen van kantoor: we mochten een nieuwe laptop! Dansend van vreugde stond ik bij de ICT-helpdesk, maar dit is overdrachtelijk bedoeld want ik stond zo’n beetje te bezwijken onder het gewicht van mijn oude laptop, nog uit het bakstenen tijdperk. “Eén nieuwe laptop om mee te nemen svp”, hijgde ik en ik leunde zwaar tegen de balie. “Heb je een bewijs van dat je bent wie je bent etc”, zei de helpdeskman. “Dat niet maar ik ben het gewoon hoor”, zei ik. “Helaas pindakaas Jacq”, zei de helpdeskman. “ik moet een bewijs. Oh, én een uitdraai van de mail. Oh én een paraaf van je manager.” Hij keek bekommerd. “Dude”, zei ik. “Ik weet het, Veldman”, zei hij. En zo stonden we daar dan sámen zo’n beetje te bezwijken – maar nu onder het zware gewicht van de informatiemaatschappij die altijd en eeuwig overal een bewijs van wil hebben terwijl die rotzakken natuurlijk alláng álles vanaf je geboorte tot nu toe van je weten dus het is gewoon treiteren.
Met mijn linkeroog keek ik de helpdeskman strak aan, met mijn rechter focuste ik op de plank achter hem waarop zeker twintig gloednieuwe lichtgewicht laptops stonden te shinen. So close, and yet so far away. De helpdeskman staarde lief terug – en tegelijkertijd een beetje angstig maar dit kan ook vanwege het loensen zijn geweest. Ik was de eerste die opgaf. Deels uit lafheid, maar vooral omdat ik zo’n ongelofelijk zwak heb voor de helpdeskmannen bij ons op Kantoor. Ten eerste omdat ze ontzettend behulpzaam zijn, ten tweede omdat ze je nooit uitlachen, terwijl daar toch alle reden voor is, en ten derde omdat ze supervaak onderhands dingen voor je rege… nou ja dat dan dus niet. Maar dan nog: je wilt ze niet tegen je hebben. De helpdeskman is namelijk de enige man die je écht nodig hebt op Kantoor. De man bij wie, onder ons gezegd en gezwegen, een heleboel andere Kantoormannetjes… nou ja, gewoon ráár afsteken. Want oh mensen, er zítten ertussen! Een greep.

De Cool Guy
Hm, wat ruik ik? Aha het is gebakken lucht! Aan de tandenknarsende collega’s herkent men de cool guy. Zie hem lopen met zijn verende tred, zijn montere oogopslag en zijn neiging om je bij het begroeten nadrukkelijk bij de naam te noemen. Elke afdeling heeft zijn cool guy, maar je zou hem met gemak ook de player, de glijer of de toekomstige fraudeur kunnen noemen. Het zal hemzelf worst wezen hoe hij genoemd wordt – er is maar weinig wat hem deert. Het moeilijkste aan de cool guy is dat alles maar dan ook álles hem gemakkelijk afgaat. Wat hij dan zoal doet? Wel, voornamelijk dus totaal niets van betekenis, maar hij kan daar dan toch altijd héél veel over vertellen. Totale onzin natuurlijk, maar je bent al catatonisch van ontzetting voordat je je mond kunt opentrekken. En op het verbijsterd zwijgen van de massa gedijt de cool guy.
De cool guy klaagt nooit – en is daarom de lieveling van elke manager. Krijgt dus het snelst promotie en heeft een flitscarrière: als je één keer met je ogen knippert, is hij alweer een schaal omhoog gegaan. Hoe dóet die jongen dat? Vuile charme. Vooral voor glazenplafondvrouwen en gestage harde werkers die niet graag opsnijden over hun talenten is de cool guy een onverdraaglijke entiteit. Gelovige collega’s hopen op een hiernamaals waar alles zal worden rechtgezet. Maar voor nu, in het aardse tranendal: je staat erbij en je kijkt ernaar.

De Man met de Baard
Niet te verwarren met: álle andere bebaarde mannen op Kantoor. De baard van de man met de baard slaat vooral op zijn verhalen over vroeger, toen de wereld tenminste nog een beetje normaal was. De senior kan het weten, want hij werkt al minstens honderdtwintig jaar op Kantoor, is ook een beetje op het gebouw gaan lijken en je komt er nooit meer vanaf. Soms is dat ontzettend handig, want als je nog iets wilt weten over het Oude Systeem, dan moet je dus bij “pensionado Wim” wezen. Dat is de enige die de oude computertaal kent waarop stiekem nog de helft van alle systemen is blijven werken toen een of andere innovatie halverwege bruut werd afgebroken, “wegens voortschrijdend inzicht” (het geld was op).
De man met de baard is feitelijk het negatief tegenovergestelde van de jonge hond. Die is óók hijgerig, maar dat komt niet van jarenlang naar hartenlust roken achter zijn bureau, want daar ging je toen nog niet van dood. Bovendien is de jonge hond op een uiterst vermoeiende manier óveral voor in en de senior is helemaal nérgens meer voor in. Hij heeft elke vernieuwing al vierendertig keer meegemaakt en zien mislukken, ziet dus patronen die anderen nog niet opvallen en is daarom begrijpelijkerwijs belast met de zogenaamde been there, done that-oogopslag. Soms lacht hij ineens bulderend, zodat iedereen opschrikt uit zijn Wordfeud. Kwam dat geluid van de intercom? Nee het was de Wim die vanuit de stervende Kantoorplant een anekdote uit 1923 vertelt. Maar op de meeste andere momenten is de senior cynisch, uitgeblust en hij schudt vaak nee – eigenlijk precies zoals ik mijn vrienden graag heb. Nee, echt.

De Wijsneus
Natuurlijk, vrijwel iederéén denkt wel eens dat-ie het beter weet dan de next guy. Maar zeg nou zelf: eventuele geniale ingevingen die je op maandag kreeg, blijken meestal op dinsdag alweer totaal anti-geniaal te zijn. De menselijke hersens: een moeras waar op gezette momenten een arm uit steekt. Geen probleem, het is niet alsof er op Kantoor ooit iemand naar je luistert. Die waarheid als een koe is aan de wijsneus, alias de betweter, compleet voorbij gegaan. Want die weet gewoon álles áltijd beter en bijt nimmer op zijn lip, in het besef van zijn eigen feilbaarheid. Kan zich niet voorstellen dat een ander een punt heeft en onderbreekt je dus al wijsneuzerig voordat je in staat was zelf je zin lafjes te laten wegsterven. De wijsneus moet altijd winnen, ook als verder niemand wist dat er een wedstrijd aan de gang was. Hij kent een veel béter boek over de Holocaust, heeft de ultieme manier van koffiezetten uitgevonden, had het overlijden van je moeder kunnen voorkomen en slaapt altijd op zijn rug omdat dat nu eenmaal, nou ja… béter is.
Wie bij zichzelf op Kantoor zo snel geen wijsneus kan aanwijzen, zou wel eens in de situatie kunnen verkeren dat hij zélf de betweter van de afdeling is. Dat is even schrikken hè, want het is direct het enige waarover u minder wist dan de rest. Rustig blijven ademen, proberen een plekje te geven, en maandag fris beginnen met een knijper op de lippen.

De Zweverd
Ook wel: de inspiratieman. Praat in spreuken. De muur naast het bureau van de zweverd annex de kantoorgoeroe bevat vaak sfeervolle posters van a) een hele oude boom, b) een steen die kringen maakt in het water of c) een heel groot oog dat je de hele dag zo indringend aanstaart dat je er bijna van aan het werk zou gaan. Hoe dan ook een groot contrast met je eigen whiteboard waarop helemaal niets staat, behalve het onuitwisbare ‘WERKZWEER’ (per ongeluk verkeerde stift gebruikt).
De zweverd komt, maar hoe kan het ook anders, Kantoor binnenzweven op momenten die voor hemzelf gewoon lekker zen voelen. Niet zo héél vaak dus. Maar helaas, áls de zweverd present is in het hier en nu, dan ís hij er ook. Gesandaliseerd en wel en vastbesloten om her en der wat van zijn spirituele rijkdom te verspreiden aan onverlicht kantoorplebs zoals jij en ik. Dus nét als je inademt voor je volgende zeer terechte tirade over kantoreske onrechtvaardigheden, orakelt de zweverd Happinez-teksten als “Do good and good will come to you” of het managersvriendelijke “Some things things are not meant to be understood, just accepted.” Je zou collegae voor minder het raam uitgooien – maar een beetje zweverd vliegt natuurlijk net zo makkelijk het raam weer in. Minst handige reactie: “Karma shoarma.” Meest handige reactie: “Heftig.” Dat brengt een zweverd een klein beetje van zijn à propos: hij is niet bekend met het concept ironie maar weet niet helemáál zeker hoe het bedoeld is. Laat ‘m er maar lekker even z’n chakra’s over breken, is het in elk geval een kwartiertje rustig. Namasté.

De Flapdrol
Ook wel: de manager. De flapdrol wordt soms sjiek afgekort tot FD. “Is de FD al gearriveerd, dat jij weet?” “Nee, de FD werkt vandaag thuis.” Dus dit zou dan bij uitstek een dag zijn waarop je de manager gewoon kéihard en voluit een flapdrol kunt noemen, zou je denken – maar een gewoonte is nu eenmaal snel ingesleten hè. En een gezonde dosis paranoia kan geen kwaad. De muren hebben oren en die schroefjes zitten er heus niet “omdat er ooit een schilderij heeft gehangen”. Haha, een schilderij, tuurlijk! Ik lig plat! Maar even serieus, we zijn toch niet gek.
Een béétje competente manager is zelf totaal niet op de hoogte van zijn eigen flapdrolschap en ’s morgens al tijdens het inzepen onder de douche op inspirerende wijze processen aan het stroomlijnen. Eenmaal op Kantoor geeft hij daar dan verder “handjes en voetjes aan”. De meeste mensen op Kantoor ondergaan hun bezielende flapdrol als een kruis dat zij nu eenmaal te dragen hebben. Maar soms is het wel heel moeilijk, zeker als de flapdrol een doorgeschoten cool guy is. Dan is een afkorting als FD een véél te keurige benaming. Even op doorbrainstormen in een volgende sessie, stel ik voor.
Overigens heb ik zelf een geweldig lieve manager, maar dat heeft er in zijn geval ook mee te maken dat ik nog dingen van hem nodig heb. Een paraaf voor m’n nieuwe laptop, om mee te beginnen.

Dit artikel stond op 21 mei 2016 in Volkskrant Magazine

kantoordrama

Het was de derde dag na de vakantie en wij zaten zo’n beetje lief voor ons uit te tijpen toen onze collega van de overkant onze werkkamer binnenvloog. “Die en die doet het met die en die”, zei de collega ademloos. “Joe”, zeiden wij en wij tijpten verder en uit het ritme van ons getijp was klip en klaar af te leiden dat wij dit reeds vóór de zomervakantie hadden geweten, dat het nog nét niet in het kantoorbrede Info Bulletin had gestaan en dat de eerste glans van de geheime affaire er zelfs al weer zo’n beetje af was. Mijn naaste collega tenminste had het overspelige koppel gisteren bekvechtend een lift uit zien komen. En de dag daarvoor had ik met eigen ogen gezien dat zij elkaar passeerden in de wandelgangen en dat zíj, in plaats van blozend de ogen neer te slaan zoals dat hoort, licht onverschillig de wijsvinger had opgestoken. Híj op zijn beurt had haar beteuterd nagekeken want een opgestoken wijsvinger, dat is vaak het begin van het einde hè.

Aarzelend bleef de collega van de overkant in onze deuropening staan. Ze hijgde licht. Ik sloeg een knalharde enter op mijn toetsenbord. Het mens droop af. Een tijdlang tijpten wij onze woorden in vrede en sommige woorden gingen ergens over, andere waren onbegrijpelijk genoeg om mee weg te kunnen komen, en nog weer andere woorden waren slechts bedoeld om iets op te vullen – onder andere het stuk tijd dat nog restte tot aan zeventien uur, nul minuten en nul seconden. Of, als je écht in zijn volle deprimerende omvang zou willen zien: tot aan volgend jaar zomer, als wij eindelijk weer met vakantie zouden mogen.

Kortom: nu al #zinin. Maar ho, zo ver is het dus nog láng niet. Negen typisch kantoreske drama’s die we het komende werkjaar hoe dan ook gaan tegenkomen – en hoe je ze je overleeft.

  1. “En op dag vijf hadden we een soortement van safari”

Uit wetenschappelijk onderzoek door mijzelf blijkt dat echt helemaal niemand zit te wachten op de vakantieverhalen van een ander, maar dat iedereen met belangstellend opgetrokken wenkbrauwen naar elkaars vakantiebelevenissen informeert. Dus ja, dan vráág je er ook om, om de finesses van de fietsvakantie van Jolanda in de Vogezen, het backpackersavontuur van gekke Gerard en de maagdarmproblematiek van de echtgenoot van je leidinggevende. De positieve kant hiervan is dat je nu wel álle gehuchten in en rond de Vogezen kent. Dit kan immers nog best eens van pas komen, bijvoorbeeld in een situatie die zich nooit zal voordoen.

  1. “Er is een onverwachte fout opgetreden”

Je staart naar je beeldscherm, je beeldscherm staart terug en jij bent de eerste die de blik afwendt. Eén-nul voor je computer. Feitelijk zou het wel handig zijn als iemand van ict je computer even thuis komt langsbrengen zodat jij de eerste week na de grote vakantie gewoon in bed kunt gaan liggen wachten tot alle 980106 updates geïnstalleerd zijn. En je je wachtwoord (meestal je dode poes) weer herinnert. Ik heb dit trouwens wel eens geopperd maar nooit iets op teruggehoord.

  1. “Hoi… eh …. “

Het liefst stellen je nieuwe collega’s zich allemaal op dezelfde dag aan je voor, hebben ze allemaal een lange bob en bezitten ze zo op het oog inwisselbare karakters. Dit zorgt ervoor dat je vaak na drie, vier of vijftien maanden nóg niet weet of het nou Janita, Jolanda of Jeanette is, maar dan is het momentum wel zo’n beetje voorbij dat je kunt vragen: “Hé blonde, hoe heet je eigenlijk?” Aan nieuwelingen op Kantoor  zit ook een mooie kant: ze hebben geen idéé wie je bent. Dit gebrek aan een gedeelde geschiedenis biedt je de uitgelezen mogelijkheid jezelf eens van een andere kant te laten zien – of eventueel zelfs een geheel andere persoonlijkheid uit te proberen. Mocht deze bevallen, dan is het zaak hem langzaamaan uit te faseren naar andere gebieden van Kantoor. Mocht het onverhoopt toch te veel energie kosten om zo aardig te doen, keer dan linea recta terug naar je oorspronkelijke persoontje.

  1. “En toen bleek dat ik dus volkómen naakt was!!!”

Hun contemplatief vakantie-gestaar naar de golven/een berg/vijf inhaalseizoenen Game of Thrones heeft maar weinig van je oude collega’s blijvend gelouterd of tot nieuwe inzichten over zichzelf gebracht. Om kort te gaan: je zit gewoon opgescheept met dezelfde idioten als voor de vakantie en zij natuurlijk ook met jou, maar daar hebben we het nu niet over. Het begin gaat nog wel. Je luistert gelaten naar collega S. die zijn droom van de afgelopen nacht vertelt. Je steekt een duim op naar collega H. die als vanouds elk telefoongesprek via de intercomfuntie voert. En dat collega T. de hele tijd mompelt: “Hoe kán zoiets?!? ” en “Dit is gewoonweg niet te gelóven!”, zelfs dát kun je ook nog prima oh fuck off who are you kidding collega T.!!?! Nooit doen: aan collega T. vragen wat er is. Altijd doen: er doorheen zingen.

  1. “Niet omdat je een vrouw bent maar zit de stekker er wel in?”

Elke keer opnieuw die niet geheel ijdele hoop dat de beamer het niet doet. Want gewone vergaderingen zijn een stukje paradijs op aarde vergeleken bij die waarin mensen powerpointpresentaties houden. Mogelijkheid één: de volgetypte sheets worden letter voor letter voorgelezen. Mogelijkheid twee: er staan alleen maar cartoons op en deze zijn om te lachen. Het is zaak te proberen weerstand te bieden aan het verlangen je hoofdhuid van je schedel te trekken en deze in een hoek te gooien. Zo duurt de vergadering immers alleen nóg maar langer. Aanbeveling: zelf nooit presentaties houden, dat scheelt alweer.

  1. “Nou, de pepernoten liggen ook alweer in de winkel”

Waarom is socializen op Kantoor toch zo moeilijk? Waarschijnlijk omdat het met andere mensen is. Ik ken Kantoren waar mensen dag in dag uit de gekste smoezen verzinnen om het lunchmoment te mijden. De lunchtafel kan dan ook een mijnenveld zijn, bijvoorbeeld door gespreksonderwerpen in het genre “Maar ik vind kijk Zwarte Piet is gewoon ook een tradítie” die en passant tot complete afdelingsschisma’s leiden. In mijn vorige kantoorbaan was het mode om thuis samengestelde complexe salades mee te brengen, dit is ook heel moeilijk om mee te moeten maken. Natuurlijk, je kunt in je eentje een wandeling gaan maken. Maar voor je het weet wil iedereen mee (“Ja, zitten is het nieuwe roken hè!”) en dan krijg je zo’n kantoorsliert door de stad. Zo iemand heb je nooit willen worden. Het enige échte alternatief voor sociaal doen is op de cruciale momenten op het toilet te gaan zitten. Neem iets te lezen mee, bijv. van die Knausgard-knakker (lekker dik).

  1. “Jij ook de beste wensen!!!!!!!”

Het nieuwjaarwensen an sich is reden genoeg om te hopen dat de wereld vergaat voordat het 2016 is. Wat zou het toch mooi zijn als je op 4 januari gewoon Kantoor kon binnenstappen met een welgemeend “Joe!”, de computer aan kon zetten en direct een ferme start kon maken met je rondje haatsurfen op beautyblogs. En hoe vaak heb je al niet gefantaseerd over een sticker op je voorhoofd plakken met ‘Liever geen gelukswensen’ erop (en voor je verjaring: ‘Gelieve niet te feliciteren’)! Onder de eeuwige nieuwjaarsdilemma’s als ‘moet ik hem dan ook kússen?’ en ‘moet het dan een hand én een kus zijn?’ ligt een groter probleem: met verreweg de meeste van je collega’s wil je eigenlijk alleen fysiek contact overwegen als  je in een moeras bent gestruikeld en zij bieden aan je eruit te trekken. Eén tip: neem het heft in eigen hand door van ver met uitgestoken hand aan te komen. Werkt bij mij trouwens nooit: voor je het weet zit die hand ergens waar je hem al helemáál niet had willen hebben en dit herinner je je allebei nog jaren.

  1. “Hoe vind je zélf dat het gaat?”

Ik zeg het niet gauw maar je kunt nog beter een menstruatiecyclus hebben dan een personeelsevaluatiecyclus. Je zou zeggen dat het al heel wat is dat je elke dag maar weer komt opdagen. Nope. Het is de bedoeling dat je elk half jaar aantoonbaar nóg beter bent geworden. Terwijl: kun je het dan nóg beter doen dan je het nu al doet?? Waarschijnlijk wel, maar dit was een retorische vraag hè. Ook leuk: op veel Kantoren is het usance om feedback van je collega’s te vragen voor je functioneringsgesprek. Dat leidt tot dubieuze complimenten als “Kortom, ik vind je een geanimeerde collega!!!”, waarmee dan wordt bedoeld: “hou gewoon je kóp eens een keer als je geen idee hebt waar je over bazelt”. Gelukkig heeft je leidinggevende geen idee van passief-agressieve omgangsvormen. Tip: vraag sowieso nooit je vijanden om feedback want die zijn vaak net wat rechtstreekser.

  1. “Ik wil niet zeiken maar MAG IN GODSNAAM HET RAAM DICHT?!!”

Rest ons nog de werkkamer, die vaak catastrofale combinatie van warmbloedige mannen, koudbloedige vrouwen en een plant die elke dag koffie krijgt. Elke dag heeft zijn eigen en toch weer dezelfde problemen als gisteren – zoals dus de gendergeladen verwarmingsdiscussie, de stille strijd om het legen van de papierbak en de voortdurende dreiging van collega’s die zonder blikken of blozen op twee meter afstand deodorant onder de oksels spuiten. Oh én dus het gestage sterven van de Kantoorplant (RIP). Hoe voorkom je dat je zélf niet doodgaat van ellende? Wel, zelf dien ik om de zoveel tijd een verzoek tot overplaatsing in, maar dat gaat “na intensief overleg met de betrokkenen” nooit door. Wel, dán rest er niets anders dan de werkkamer te zien als de prachtige biotoop die hij in feite is – en elke dag blijmoedig uit te zitten tot aan zeventien uur, nul minuten en nul seconden.

Dit artikel stond op 29 augustus 2015 in Volkskrant Magazine. Foto: Ivo van der Bent