ouwe jongens

Het moet rond het begin van de jaren tachtig zijn geweest dat ik de poster waarop Björn, Benny, Anni-Frid en Agnetha knus in een helikopter zaten in één ruk van de muur trok en verving door een poster van Robert Smith van The Cure. De man met de lippenstift. De eyeliner. En met het kapsel waarin een hele muizenfamilie een penthouse zou kunnen inrichten. Later die dag staarden mijn vader en moeder naar Robert Smith. Robert staarde mistroostig terug. “Allemachtig, wie is dat”, zei mijn vader die zich als eerste herpakte. “Is die jongen ziek misschien”, zei mijn moeder. Ik snoof, want tussen mijn dertiende en mijn zestiende snoof ik alleen maar tegen mijn vader en moeder.
In eerste instantie was Robert Smith slechts een middel. Doel: het aan de haak slaan van de Oudere Jongen van wie ik wist dat hij een sucker was voor de zwartgallige muziek van The Cure. Werkwijze: het uit het hoofd leren van alle nummers van hun meest misantropische elpee, om zodoende langs de neus weg een paar regels mee te kunnen zingen als ik ooit eens tegelijk met de Oudere Jongen op een feestje zou zijn en ze net op dat moment een nummer van The Cure zouden draaien. De Oudere Jongen zou zijn ogen belangstellend dichtknijpen. Hij zou op me af komen lopen en vragen of ik misschien een vuurtje had. Ik zou hem een vuurtje geven, ik had een aansteker. Direct daarna zouden we nog lang en gelukkig leven.

Maar vooralsnog was het niet zover. Ik was bebrild, om maar één probleem te noemen. En er waren dagen dat Robert Smith me nog meer bereikbaar leek dan mijn Oudere Jongen die volgens de geruchten helemaal nooit naar feestjes ging maar de hele dag in bed lag. Hoewel ik me bij Robert Smith dan weer moeilijk kon voorstellen dat hij op een keer bij mijn vader en moeder zou moeten komen koffiedrinken. Ik wist niet precies wat er dan mis zou gaan, maar dát er dingen mis zouden gaan, daarover bestond geen twijfel. Het was meer de vraag of er wel dingen goed zouden gaan. Waarschijnlijk zou het erop uitdraaien dat ik het huis werd uitgegooid. Maar gelukkig hadden we daarna altijd elkaar nog. Hoewel het niet altijd even makkelijk zou zijn. “Heb je zin om naar de kermis te gaan, Robert?” “Nee ik wil dood.” Activiteiten blíjven aanbieden zou dan het devies zijn.

En dan nu: negen andere mannen uit mijn jeugd, die op de een of andere manier hun sporen hebben nagelaten – of ik dat nou wilde of niet.

WEIRDO: Swiebertje
Landloper. Lowlife. Zou nu een DSM-5-diagnose hebben, iets met problemen op het gebied van de impulsbeheersing. Swiebertje werd omringd door een aantal personen waarvan je pas als volwassene ziet dat het allegorieën zijn. De goudeerlijke keukenmeid, de deftige burgemeester, de boze veldwachter – geen cliché was te gek voor de jaren zeventig. Als kind had je geen idee. Je was dol op Swiebertje, gewoon omdat het de Swiebert was. Nu moet ik erbij zeggen dat ik altijd wel hoopte dat Swiebertje gewoon eens een keer normaal zou gaan doen. En bijvoorbeeld een sociale huurwoning zou accepteren. Nope.

 

CREEP NEXT DOOR: Rick Astley
Zeg nooit: Ashley. De knappe boy-next-door slash ideale schoonzoon met het welluidende stemgeluid. Bij uitstek een nétte jongen ook – en een beetje een melkmuil maar dit zeg ik met liefde. Had een paar hitjes maar is vooral beroemd geworden met ‘Never gonna give you up’. Dat zal ook aan de lyrics van het nummer hebben gelegen, waarin minimaal zeven oprechte intenties omtrent eeuwige liefde zaten. Ik geef het nooit op met je. Ik stel je nooit teleur. Ik zal je nooit verlaten. Nooit aan het huilen maken. Et cetera. Stukje context: we schreven de jaren tachtig, inclusief die vermaledijde Tweede Feministische Golf. Rick Astley was er het levende bewijs van dat ook mannen wel degelijk een stukje gevoelsgebeuren openlijk durfden te uiten. Wat zeg je, Rick? I just wanna tell you how I’m feeling? Snap ik, snap ik, jouw kant is óók belangrijk.
Als jong meisje kon ik deze onvoorwaardelijke overgave wel waarderen. Maar nu, als oude vrouw, denk ik: potverdomme jongeman, dat ís nogal wat, wat je daar allemaal zegt. Laten we wel wezen: wie wil er nou een man die, al voordat je überhaupt getongd hebt, roept dat hij je nooit zal verlaten, nooit zal opgeven et cetera? Hoe weet je zoiets van tevoren man?! Ik krijg geen adem Rick! Creep-alert.

 

HORROR-MAN: Erik Engerd
Een oom van mij zat in een inrichting en zo kwam het dat ik zo’n beetje opgroeide met ijzingwekkende kreten vanachter dikke dichte deuren, verwilderde blikken van verwilderde mannen en blote piemels die me tegemoet renden. Toch lag ik hier als zesjarige geen seconde van wakker. Nee, er waren in mijn vroegste jeugd maar drie dingen waar ik écht bang voor was: God, de valse herder van de overburen en natuurlijk Erik Engerd uit de Stratemaker op Zee Show. Ik keek elke uitzending met een van ontzetting voor de mond geslagen hand. Ik zweer het: alle malloten die ik kende uit de inrichting verbleekten bij Erik Engerd. Dus dan moet hij wel serieus eng zijn geweest. Nog steeds schrik ik soms ’s nachts wakker. Superbedankt, Joost Prinsen.

 

KAUWGOMPUBER: John Travolta
Also known as Danny Zuko uit Grease. Stoere bink die tijdens de schoolvakantie de maagdelijke Sandy opduikelt maar net doet of hij gek is als blijkt dat ze op dezelfde high school als hij zit. Wát een eikel. Of nou ja, een beetje een druiloor. Of eigenlijk een best wel guitig jong. Oké let’s face it, echt een lekker stuk, zoals wij dat in die tijd noemden. En onder ons gezegd en gezwegen: zelf vond ik de havo óók nogal lastig, qua peer pressure.
Het punt was: Danny was in de aard der zaak wel een gevoelige jongen, maar veel te cool om daar iets mee te kunnen. Ja, láter misschien, zo verraadt zijn met gebroken stem gezongen nummer Sandy (“when hi-igh school is done”) maar nu dus even niet. Op het gebied van karakterontwikkeling gebeurde er met Danny Zuko dus niet veel in Grease. Danny was wie hij was en dat was nou eenmaal Danny. Gelukkig zijn vrouwenidentiteiten van oudsher een stuk meer fluïde. Na enig gelamenteer en een hele hoop tranen stak zijn tegenspeelster (Olivia Newton-John) zich in het leer en een sigaret op. Ja, je bent hopelessly devoted of niet, natuurlijk. En zo kwam alles toch nog goed.
Ik heb me wel eens afgevraagd hoe het met Danny en Sandy zou aflopen, na de aftiteling bedoel ik. Het antwoord is: niet goed. Komt door het einde van Grease. Een volwassen Danny had die kauwgom kauwende hoer even goedkeurend van top tot teen bekeken maar direct daarna gezegd: “Hé moppie, dit hoef je allemaal niet te doen, trek gerust je gele plooirok aan, je bent namelijk goed zoals je bent.” Maar Danny grijnsde alleen maar verlekkerd. Wat een eikel. Ik ga ervanuit dat Sandy, na een jaar zichzelf verloochenen, Danny uit het raam heeft gegooid. Morsdood.
Oh wacht, we hadden het over John Travolta. Nou, die leeft zélf nog wel.

 

WIJZE MAN: Meneer de Uil
Dag lieve kijkbuiskinderen, ik weet niet hoe het jullie verging maar er was in de Fabeltjeskrant maar één personage dat ik echt serieus nam en dat was Meneer de Uil. Hij mengde zich niet in de waan van de dag maar bezag als een wijze commentator de gebeurtenissen in het dierenbos. Spannendste moment van de dag: als meneer De Uil het gekrakeel samenvatte en het slotwoord sprak: “Oogjes dicht en snaveltjes toe. Slaap lekker.” Dan was het wachten op de knipoog. En daarna moest je naar bed. “Maar hij heeft niet geknipoogd!” “Jawel.” “Niet.” “Jawel, en slapen nu.” Dus dat deed je dan, want onderhandelen met je ouders zou pas jaren later in de mode komen.
Je wist het nog niet, maar vanaf de Fabeltjeskrant zou je leven alleen maar complexer worden. Had je als kleuter geweten hóe oneindig veel complexer, dan had je misschien wel geprobeerd jezelf te elektrocuteren met de droogkap van je moeder. Maar ja, je was vier en je had geen idee of zoiets technisch mogelijk was.

 

OERVADER: Charles Ingalls
Plaats van handeling: een klein huis, op een prairie. Charles Ingalls werd gespeeld door de sympathieke Michael Landon, die ons veel te vroeg is ontvallen. De oervader der oervaders. Met halflang golvend haar en opvoedende skills waar professionals nog een puntje aan kunnen zuigen: liefdevol, communicatief en een moreel besef waar je jezus christus tegen zegt. Maar het állerbelangrijkst: hij was niet bang om te huilen. Wat zeg ik: van de tranen van Charles Ingalls had men die hele prairie tot een golfslagbad kunnen ombouwen. Dat sommige mannen niet minder man worden van een beetje water uit de ogen, daarvan is Pa Ingalls het levende bewijs. Of nou ja, het dode dus. Jammer, want na Charles Ingalls is er nooit een betere oervader gekomen.

 

ANITHELD: Calimero
Tekenfilm-antiheldkuiken. Niet echt een oerman, want Calimero is vooral bekend van het zielige “Want zij zijn groot en ik is klein en da’s niet eerlijk, oh nee.” En hoewel je soms dacht: OMG grow úp Calimero – ergens was er wel vaak een stuk herkenning. Ik had zelf ook wel eens het gevoel dat de hele wereld tegen me was en dit bleek inderdaad vaak zo te zijn. Maar zielig doen was er niet bij, ik was de oudste thuis en moest altijd overal boven staan, dus ik heb eigenlijk geleerd om de Calimero in mezelf weg te st… oké terug naar Calimero zelf. Die is in zijn eentje verantwoordelijk voor een heuse aandoening: het Calimero Complex, de angst om niet serieus te worden genomen. Schitterend! En als je zoiets voor elkaar krijgt, dan ben je dus eigenlijk een hele grote Calimero.

 

KNAPPE GOEDZAK: Bobby Ewing
De hunk in Dallas. Man van de rondborstige Pamela Ewing met wie hij een respectvolle, communicatieve snurkrelatie had. Bobby Ewing werd aan álle kanten belazerd en de meeste shots waarin hij te zien is, bevatten dan ook een gepijnigde Bobby-blik. Zat zo: Bobby had een goed hart en kon zich maar moeilijk voorstellen dat andere mensen bijvoorbeeld niet eens in het bezit waren van een hart. Terwijl hij toch was opgegroeid met zijn evil brother JR en beter had kunnen weten. Enfin, ik was sowieso Team Bobby, vooral wegens zijn schattige goedzakkerigheid. Precies het type man met wie ik later zou gaan trouwen. De liefde werd iets minder toen Bobby in de serie doodging, maar wegens de daarna instortende kijkcijfers weer tot leven moest worden gewekt. Het was al die tijd… een droom geweest! Ja doei. Nooit meer goed gekomen.

 

TOI TOI TOI-oom: Ted de Braak
Type: de iets te luidruchtige oom die wel altijd vraagt hoe het op school gaat maar nooit luistert naar het antwoord. Toch is het altijd wel gezellig om in elk geval één zo’n oom in de familie te hebben. Ted de Braak presenteerde vooral ‘familiespelshows’ (óók NCRV!) en die waren exact zo truttig als het woord suggereert. Dit gezegd hebbende: het stokvangen! Ze-nuw-slopend! Verder waren de shows vooral pijnlijk-vertederend, zeker bezien vanuit het jaar onzes heren 2014. “Wat is de eindstand Mariëtte?” “Negenenzeuventig gulden en vierenveertig cent.” “ En wat hebben zij NIET gewonnen, Mariëtte? “Deze werkelijk unieke muntenverzameling.” Een múntenverzameling. Als je zoiets anno 2014 in je prijzenpakket stopt, krijg je als presentator een knal voor je harses. Wat zijn we toch verrot geworden.

Dit artikel stond op 8 november 2014 in Volkskrant Magazine

Advertenties

5 gedachtes over “ouwe jongens

  1. Ik heb me flauw gelachen; soms even een beetje schaamrood op de kaken want o zo herkenbaar, maar o jee wat ben ik blij dat ik dit nu allemaal wèl snap……………….en ook het vertederende nostalgie van jong zijn en het zo heerlijk naïef hebben laten binnenkomen. Nu allemaal ‘opgeruimd’ hoor…;-)

  2. Waarom herinner ik mij deze niet? Een klassieker! Ik heb het al veel vaker gezegd, ik weet het. Maar ik kan er niks aan doen, zo is het nu eenmaal.

Reageren?

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s